Anderen over Martin Bril

“Martin Bril en ik zijn ooit goede kennissen geweest, in de jaren tachtig en negentig. Na die periode spraken we elkaar alleen nog vriendelijk maar oppervlakkig. Dirk van Weelden dito. Ik heb het idee dat sinds Martin beroemd werd, hij heel andere vrienden kreeg. Types als Bart Chabot, Matthijs van Nieuwkerk, Ronald Giphart – niet mijn vrienden. Ik heb zelfs geen uitnodiging voor de rouwdienst in De Duif ontvangen, dus je begrijpt.” (Joost Niemöller, schrijver annex samensteller joostniemoller.com)

“Vermoedelijk is er niet één vrouw die kritisch tegenover Bril stond en staat – hij wist bij de dames toch zeker een zeer gevoelige snaar te raken; laten we het houden op het aloude moederinstinct dat in het geval van deze goed uitziende junk graag een helpende hand wil uitsteken. Wacht, schiet me toch nog een uitspraak van mijn vrouwelijke collega A*** te binnen. Die zei me eens dat Bril – hij was toen al doorgebroken – zo’n vijftien jaar lang alleen maar aan zijn vriendschappen had gewerkt. Alles voor de roem. Belde hij, dan moest hij iets van je. Belangeloos handelen was er nimmer bij.” (Henk Steenhuis, samensteller welingelichtekringen.nl)

“Verbijsterend. Eerst die Bril dood met die bijbehorende eindeloze huilpartijen, zelfs van Max Pam. Nu Michaël Zeeman. Weer die onvermijdelijke watervallen. Een ontembare springvloed van Bas Heijne in de NRC. Ziet Heijne dan niet hoe eng die Zeeman was? Zien mensen dat niet? Zien mensen niet dat Bril een engerd was met een rotbek, die niks kon behalve copywriten?” (François de Waal, columnist, schrijver en televisieprogrammamaker)

“Maar hoeveel energie Bril ook in zijn public relations stak, ik merk met enige voldoening dat hij nu al alweer bijna vergeten lijkt. Dat doet erg denken aan Renate Rubinstein. Ook die was tijdens haar leven voortdurend in de weer met roem en erkenning. Maar wat gebeurt er als zo iemand overlijdt? Dan is het motortje dat al die publiciteit genereert, uitgevallen en wordt het plotsklaps heel erg stil.” (Henk Steenhuis)

“Kritische geluiden van mannen zijn mij nauwelijks bekend. Ik herinner me alleen een column in het Cultureel Supplement van Raymond van den Boogaard, afgedrukt enkele dagen na Brils overlijden. Afgemeten aan het tijdstip van publicatie mocht die beslist oneerbiedig heten.” (Henk Steenhuis)


“Soms lijkt Nederland een dorp. Het overlijden van Martin Bril is zo’n moment. Een buitenlander had door de enorme aandacht in de media kunnen denken dat een van ’s lands grootste schrijvers de geest had gegeven. Maar dat is niet echt zo.” (Raymond van den Boogaard in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad)

“Zijn lelijke gesnoef, zijn pompeuze en smakeloze wijze van kleden, zijn platte taaltje, zijn onbehouwen gedrag, zijn onaangename stem, zijn list en bedrog niet te vergeten, want niet één vrouw heeft hij vermoedelijk ook maar een beetje gelukkig gemaakt; het wordt allemaal met de mantel der liefde bedekt. Om me heen kijkend tijdens de mooie herdenkingsdienst in De Duif zag ik menige vrouw met een zakdoekje in de hand om de opgezwollen oogleden te deppen.” (Henk Steenhuis)

“Die zaligverklaring van Bril is ook na de begrafenis nog volledig intact, zo kan ik je verzekeren. Door omstandigheden had ik contact met een vrouwelijke uitgever over een postuum Brilboek. Het bleek daarbij van het grootste belang te zijn dat de teneur van de te schrijven levensschets, ik citeer, positief was. Een stuk of wat vrouwelijke auteurs waren inmiddels geëngageerd. Wat het al genoemde eerbiedige aspect betreft, was er volledige overeenstemming tussen uitgever en de beoogde schrijvers. Het zorgvuldig opgebouwde beeld van een goddelijke jonge dichter zou onder geen beding worden aangetast.” (Henk Steenhuis)

“De postume aandacht voor de persoon van Martin Bril heeft iets weg van een gewone begrafenis, waarop iemands verdiensten en betekenis een beetje worden aangedikt – niet omdat die voor het oog van de wereld nu zo geweldig waren, maar omdat de nabestaanden en omgeving van de overledene hem nu eenmaal missen en met de herinnering een beetje aardig willen zijn.” (Raymond van den Bogaard)


“Een tijdje geleden, toen Bril nog onder de mensen was, sprak ik met een in mijn ogen zeer getalenteerde vrouwelijke collega. Zij staat bekend om haar conservatieve levenshouding en ziet niets in vreemdgaan, drank- en drugsgebruik. Daarbij is ze gelukkig getrouwd met haar succesvolle echtgenoot en heeft ze drie kinderen. Maar wat zei ze toen de naam van Bril viel? Martin, daar zou je toch zo mee in een deux-chevaux stappen en naar Frankrijk rijden.” (Henk Steenhuis)

“Ik heb Martin Bril nooit goed gevonden. God hebbe zijn ziel, maar die man schreef zich echt kapot. Wat die wekenlange serie ‘In de geest van Martin Bril’ in de Volkskrant betreft: ze hadden veel eerder moeten ophouden met die lijkenpikkerij. Het leek bijna necrofilie om Martin Bril zo lang op de voorpagina te laten verschijnen.” (Jan Blokker, columnist nrc.next)

“Wist je dat Bril gratis in die grote Volvo van hem reed? Naar verluidt gekregen van de importeur, in ruil voor zo veel mogelijk passages in zijn vele columns waarin de chroniqueur ‘in de Volvo stapte’. Is toch ongekend in de serieuze journalistiek, al werd hierop door geen van de acht sprekers tijdens de uitvaart gewezen. Schavuitenstreken van Bril waren een teken van zijn charmante karakter, zoiets moet het wel zijn.” (Henk Steenhuis)

“Enfin. Wist Martin Bril dat hij zoveel vrienden had? Waarom schreef niemand dat Martin heel vaak een bloedchagrijnige, egocentrische stomdronken chaoot was? Of schrijf je dat niet als vriend? Ik hoop dat mijn vrienden na mijn dood iets meer waarheden in hun stukjes schrijven. Zo eenzijdig wil ik niet herinnerd worden. En ik hoef ook niet zoveel vrienden. Volgens mij had Martin maar één vriend en dat is Ronald Giphart. Die doet wat een echte vriend behoort te doen na de dood, namelijk zwijgen. Voor Martin had er wel een mooi stukje in gezeten. Vrees dat het hem iets te veel poespas was geweest.” (Youp van ’t Hek in NRC Handelsblad)


“Misschien heb je nog iemand gevonden die met recht en met enige afstand over Bril kon praten. Misschien ook wel niet, en dat zou dan onderstrepen wat collega A*** al jaren geleden zei: die Bril heeft met zo veel energie en ook talent mensen zitten lijmen dat er in heel Amsterdam geen criticus meer te vinden is.” (Henk Steenhuis)

import cultuur