Een smeulende vulkaan

De religieuze spanningen over de Tempelberg in Jeruzalem nemen toe. De twee moskeeën zijn veel orthodoxe joden een doorn in het oog. Zij willen er een derde gebedshuis bouwen, een voorwaarde voor de komst van de Messias. Reportage over een strijdtoneel.door Leo Kwarten>

Toen God voor het eerst tot hem sprak, lag Gershon Salomon zwaargewond in een akker op de Golan. Het was 1966 en de hoogvlakte die het jaar daarop zou worden veroverd door Israël, was nog in handen van Syrië. Salomon diende in een Israëlische eenheid die de dorpen beneden in de vallei moest beschermen tegen Syrische beschietingen vanuit de heuvels. “Op een dag liepen we in een Syrische hinderlaag,” raspt hij in cactusdroog Engels. “Wij waren met 150, zij met minstens duizend.” Na een acht uur durend gevecht wisten de Israëliërs de Syriërs terug te slaan, maar in het strijdgewoel was een Israëlische tank bij vergissing over Salomons lichaam gereden. Verlamd en bewusteloos bleef hij achter op het slagveld, wachtend op een zekere dood.

“Toen ik bij bewustzijn kwam, was het nacht,” gaat Salomon verder. “Ik zag Syrische soldaten op me afkomen. Ze kwamen me afmaken. Toen draaiden ze zich opeens om en renden halsoverkop weg, terug de bergen in. Ik voelde God in mijn hart alsof Hij wilde zeggen: ‘Je ligt hier niet alleen. Ik ben bij je. Ik ben nog niet klaar met jou.'” Salomon werd uiteindelijk gered. Hij lag lange tijd in coma. Op een dag kreeg hij bezoek van een Nederlandse VN-soldaat, een waarnemer die de veldslag van een afstand had gevolgd. “Hij had sensationeel nieuws voor me,” zegt Salomon. “Hij had gesproken met de Syrische officieren en hun gevraagd waarom ze me niet hadden gedood. ‘Dat konden we niet,’ hadden ze gezegd. ‘Opeens werd die soldaat omringd door engelen. We waren bang.

‘”Het gelijnde gezicht van de 72-jarige Salomon krijgt een gelukzalige glimlach. Als op commando zet de televisie in zijn kantoor een devoot pianoconcert in. Op zijn hoofd rust een blauw-wit keppeltje. De kruk waarmee hij zich sindsdien voortbeweegt, rust tegen de rand van zijn bureau. Aan de muur hangt een foto van de jonge Gershon in uniform: een jonge, donkere man met een volle snor te midden van juichende militairen. Ze staan voor de Rotskoepelmoskee, die de skyline van Jeruzalem domineert. Voor moslims is dit de heiligste plaats in de islam na Mekka en Medina, de plaats waar Mohammed zijn hemelreis aanving. Voor joden is het de Tempelberg, de plek waar ooit de eerste en tweede tempel stonden, de heiligste plaats van het joodse volk.


“Dat was de gelukkigste dag uit mijn leven,” licht Salomon toe. Een paar dagen daarvoor, op 7 juni 1967 om precies te zijn, hadden Israëlische paratroepers de oude stad van Jeruzalem veroverd op de Jordaniërs. Salomon, die nog altijd herstellende was, had toestemming gekregen zich bij zijn kameraden te voegen. “We stonden daar met tranen in onze ogen,” verzucht hij. “De droom waar generaties tweeduizend jaar voor hadden gebeden, was werkelijkheid geworden. Toen ik daar stond, voelde ik God voor de tweede keer in mijn hart, alsof hij wilde zeggen: ‘Ik heb je leven gered voor dit moment, Gershon. Ga naar het volk van Israël en zeg dat ze Mijn tempel moeten herbouwen. Tweeduizend jaar vernietiging is genoeg geweest.'”

Abu Khalid was erbij toen Ariël Sharon op donderdag 28 september 2000 de Tempelberg besteeg. “Kijk, daar kwam hij binnen, volkomen onverwacht, beschermd door honderden soldaten. Ik wist niet wat ik zag.” Abu Khalid, een grijze zestiger met het postuur van een wezel, wijst naar de westelijke poort van het religieuze complex. Het was vroeg in de ochtend, net als nu, wanneer de koelte van de nacht nog niet geheel is weggesmolten in de zon. Terwijl de latere premier van Israël zich in de richting van de moskee bewoog, kwamen van alle kanten woedende Palestijnen aangestormd, gooiend met stenen, flessen en alles wat ze maar konden vinden. De islam was in gevaar! “Allahoe akbar,” riepen ze. En: “Slacht de joden!”

De soldaten schoten met scherp. Zeven Palestijnen werden gedood. Abu Khalid, die hier elke dag bidt, wijst aan waar ze neervielen. “Hier twee, daar drie.” Er is natuurlijk niets meer te zien op de gebarsten tegels waarop generaties gelovigen hebben gebeden. Naderhand verklaarde Sharon zonder schroom: “Ik denk we kunnen samenleven met de Palestijnen. Er was geen sprake van een provocatie.” De Palestijnen dachten daar anders over. Sharons bezoek was het startschot voor de tweede intifada tegen de Israëlische bezetter. Sindsdien is het vredesproces morsdood. Het incident illustreert nog eens hoe explosief deze heuvel is, die de moslims Haram Al-Sharif noemen en de joden Tempelberg, en die niet veel groter is dan de Rotterdamse Kuip.


Sterker, over een Palestijnse staat, de joodse nederzettingen en het vluchtelingenprobleem zullen Israëliërs en Palestijnen het misschien nog wel eens worden, zij het met de nodige politieke druk en massage van de regering-Obama in Washington. Maar de Tempelberg? Daar is goddelijke interventie voor nodig. Op deze plek waar Mohammed in een visioen ‘langs een ladder van licht’ naar de hemel klom, bouwde koning Salomon in de tiende eeuw voor Christus de eerste joodse tempel. Het moet een rechthoekig gebouw zijn geweest van uitgehouwen stenen en cederhouten balken. Nadat de Babyloniërs het hadden verwoest, liet koning Herodes een tweede, veel grotere tempel bouwen, die werd omschreven als ‘een berg bedekt met sneeuw, schitterend in de zon’.

Herodes’ tempel werd in 70 na Christus door de Romeinen verwoest. Wat rest is de westelijke muur, beter bekend als de Klaagmuur, omdat het de plek werd waar de joden konden treuren om het verlies van hun tempel en de verstrooiing van hun volk. Zeloten als Salomon vinden de Klaagmuur een schandvlek, het bewijs van de slappe knieën van de Israëlische leiders, die die profane Rotskoepel natuurlijk al lang hadden moeten opdoeken. Het getuigt volgens hen ook van de diasporamentaliteit van de rabbijnen die joden verboden hebben de heilige tempelgrond te betreden. “Wat een idioot idee,” briest Salomon. “Waar wachten die rabbijnen op? Israël is nu een trotse natie en nog steeds staan we te jammeren bij die muur.”

Elk jaar proberen Salomon en zijn volgelingen van de Temple Mount Faithful-beweging de berg te beklimmen met wat de hoeksteen van de derde tempel moet worden. Afgelopen mei werden twee reusachtige blokken van 4,5 ton op een trailer van Ammunition Hill naar de Jaffapoort vervoerd, richting Tempelberg. Onderweg werd nog even haltgehouden voor de Amerikaanse ambassade, waar spandoeken werden ontrold met teksten als ‘Obama: blijf met je handen van Jeruzalem af’. Maar van de politie mag de steen onder geen beding de berg op. In 1990, tijdens het Loofhuttenfeest, had Salomon dat al eens geprobeerd. Een beproefd scenario trad in werking. De Palestijnen reageerden furieus. De Israëlische grenspolitie greep keihard in. Resultaat: 22 Palestijnse doden.


In de joodse wijk van de oude stad in Jeruzalem staat in een etalage een maquette van Herodes’ tempel. Een kaartje zegt: ‘Buy now before the Temple is rebuilt and prices go up.’ Is dit de vurige hoop van een individuele zeloot? Niet echt. Wie langs de falafeltentjes, Amerikaanse toeristen en orthodoxe haredim even verderop een zijstraatje inslaat, komt terecht bij het Temple Institute, opgericht in 1988. Het instituut bereidt de eredienst voor, zodat de derde tempel als hij er eenmaal is direct in gebruik kan worden genomen. Vitrines tonen asschepjes, wasbekkens en de borstplaat van de hogepriester. Op sterk water staat een Kermes biblicus, een worm waaruit een karmozijnrode kleur kan worden gedestilleerd die wordt gebruikt in de kleding van de hogepriester.

“Over de juiste kleur wordt nog fel debat gevoerd,” klinkt een stem achter me. Ik draai me om en ontmoet rabbijn Chaim Richman, een enthousiaste Amerikaan met een lange, rossige baard. “Het vervaardigen van de kleding van de hogepriester is een van de meest fascinerende projecten van ons instituut.” Zijn ogen stralen. Opwindender nog is Richmans jacht op de rode koekalveren die onontbeerlijk zijn voor een oud zuiveringsritueel dat nodig is om de Tempelberg te kunnen betreden. Het rabbinaal verbod blijft gelden zolang deze dieren nog niet zijn gevonden. Aldus figureert het rode koekalf in de messcherpe controverse tussen voor- en tegenstanders van de derde tempel als een bom op vier poten. Toen in 1997 in Jeruzalem een rood koekalf werd geboren, dachten sommigen dat messianistische tijden waren aangebroken. Totdat een wit vlekje op het beest werd ontdekt.


Voor Richman is het allemaal een bloedserieuze zaak. “Wanneer de tempel wordt herbouwd? Dat is een zaak van God,” zegt hij. “Maar het kan eerder zijn dan je denkt. Daarom moeten we goed voorbereid zijn.” De hele dag worden schoolklassen rondgeleid. De kinderen worden begeleid door twee bewakers met geweren. Ik koop een ansichtkaart van de Tempelberg, waarop de islamitische heiligdommen gewoon te zien zijn en niet zijn weggeretoucheerd, zoals bij een winkel verderop. Wat een opmerkelijke tolerantie, denk ik nog, totdat ik de kaart omdraai. Er staat: “De Tempelberg waarvan wordt gezegd, ‘De vreemdeling die in de buurt komt zal ter dood worden gebracht,’ wordt vertrapt door vreemdelingen.’

“Ach, het is goed wat ze doen,” beoordeelt Salomon de verrichtingen van het Temple Institute. “Maar waar het om gaat, is de tempel. De rest komt later wel.” Volgens hem heeft Israël in 1967 een historische kans gemist de Rotskoepel te vernietigen. “Dat was hét moment geweest. Een paar keer vuren met een tank, klaar! Maar onze leiders waren te slap.

” Nu het daarvoor te laat is, heeft Salomon een humanere oplossing. “We hebben tegenwoordig zulke kundige ingenieurs,” legt hij uit. “De Egyptenaren hebben de tempel van Abu Simbel toch ook een paar kilometer verderop herbouwd. Waarom zou dat dan niet kunnen met de Rotskoepel en de Al-Aqsa? We breken ze netjes steen voor steen af en zetten ze weer in elkaar in Mekka of waar de moslims ze ook maar willen hebben.”

Leeft de derde tempel slechts in de fantasiewereld van Salomon, Richman en een handvol fanatici, of heeft het idee een breder draagvlak in Israël? Het lijkt erop dat wat vrijwel iedere Israëlier in 1967 nog als volslagen belachelijk van de hand wees, in de loop van 42 jaar aan acceptatie heeft gewonnen. In 1989 publiceerde Time een opiniepeiling die aantoonde dat 18 procent van de Israëliërs de tijd rijp vond voor de wederopbouw van de tempel. In 1996 liet de Temple Mount Faithful een Gallup Poll uitvoeren met als resultaat dat inmiddels 58 procent van de ondervraagde Israëlische joden dit idee steunde. Vooral jonge Israëliërs waren enthousiast. De Jerusalem Post publiceerde in 2002 een peiling die wees op 53 procent steun onder de Israëlische bevolking. Salomon probeert al jaren de regering te bewegen een referendum over de kwestie te houden.


Er bestaat ook internationale steun voor de herbouw van de tempel, met name in kringen van christelijke zionisten die de bouw van de tempel beschouwen als een voorwaarde voor de terugkeer van de Messias. De Amerikaanse eindtijdprediker Hal Lindsey, een belangrijke vertegenwoordiger van deze stroming, schreef: “Obstakel of niet, het is zeker dat de tempel wordt herbouwd. Nu de joodse natie is herboren in Palestina, het oude Jeruzalem voor het eerst in 2600 jaar onder volledig joods bestuur staat en men spreekt over de wederopbouw van de grote tempel, zien we het belangrijkste teken van de spoedige komst van Christus. Alsof je het cruciale stukje van de legpuzzel hebt gevonden.” Salomons beweging ontvangt gulle financiële steun van christelijke groepen in de VS.

De tempel-ijveraars ontbreekt het niet aan geld. Zo ontvangt het Temple Institute niet alleen particuliere giften van – voornamelijk – Amerikaanse joden en christenen, maar ook van verschillende Israëlische ministeries. Evenals de kolonistenbeweging die door vele Israëlische burgers wordt verguisd maar niettemin steun ontvangt van de regering, kunnen ook de tempelbouwers rekenen op sympathie. “Vele Knessetleden steunen ons diep in hun hart,” zegt Salomon. De Israëlische premier Benjamin Netanyahu blunderde ooit door per ongeluk een kerstkaart waarop de Rotskoepel was vervangen door een fictieve tempel te sturen naar het hoofd van de Grieks-katholieke kerk, een Palestijn. “We hadden niet gezien dat de Al-Aqsa ontbrak op de kaart,” verontschuldigde zijn woordvoerder zich later.

De coulante houding van de Israëlische autoriteiten is niet ongevaarlijk. In januari 2001 ontving de toenmalige premier Ehud Barak een rapport getiteld Doelwit Tempelberg. De samenstellers, die onder meer bestonden uit voormalige chefs van de Israëlische veiligheidsdienst en politie, waarschuwden tegen pogingen van joodse extremisten de Rotskoepel en de Al-Aqsa op te blazen. In de jaren tachtig is een dergelijk complot al eens verijdeld. De daders hoopten langs deze weg een religieuze renaissance van het joodse volk te bewerkstelligen. Deze terroristische dreiging is nog steeds reëel. “De Tempelberg is als een smeulende vulkaan die op het punt staat uit te barsten,” stelt het rapport.


Salomon is tegen het opblazen van de Rotskoepel. Maar stel dat het gebeurt, dan is dat ongetwijfeld de bedoeling van God. “Je kunt God niet los zien van de geschiedenis van Israël,” zegt Salomon stellig. Hij heft zijn handen ten hemel: “Ik zie het toch?” Israël is voor Salomon een goddelijk project. De terugkeer van de joden naar Palestina, de glorieuze overwinningen op het slagveld, de vijandschap van de VN, Hamas en Obama – het staat allemaal voorspeld in het Oude Testament. Maar zodra de derde tempel een feit is, zal de wereld worden verlost door een morele revolutie. “Zonder tempel heeft Israël geen betekenis,” zegt Salomon. “De wederopbouw is onze lotsbestemming. Want als de Messias komt, komt hij in Jeruzalem en niet in Amsterdam.”

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import reportage