Laten wij aanbidden

Dat je over de doden niets dan goeds mag zeggen, is in Nederland niet minder dan een gebod. Maar de hagiografieën over Martin Bril, Michaël Zeeman en – nog altijd – Theo van Gogh behoeven toch enige kanttekeningen.

Om erin te komen volgt nu eerst een raadseltje. Over wie gaat dit volgende landelijke dagbladcitaat?

“Met de grote aandacht voor het verscheiden van dit nationale troeteldier lijkt Nederland nog steeds een beetje één familie. Het heeft iets knus, die nationale rouw voor een minor artist. Die neiging tot knusheid, door zovelen gedeeld, maakt kennelijk een voornaam deel uit van wat je misschien de Nederlandse identiteit kunt noemen.”

Dit commentaar stond in NRC Handelsblad na het overlijden van een van Neerlands grootste cultuurdragers. Om het lastig te maken heb ik de naam van de betreurde uit het citaat gelicht. Gaat de passage wellicht over André Hazes, wiens lijkkist in een voetbaltempel werd opgebaard en wiens as na de crematie in vuurpijlen naar de sterren werd geschoten?

Of had de NRC Theo van Gogh voor ogen, die na zijn dood net als Hazes een standbeeld kreeg in Amsterdam, en over wie komende oktober bij Nijgh & Van Ditmar een sonnettenkrans verschijnt, geschreven door de ontroostbare weduwe Theodor Holman? De najaarscatalogus geeft een voorproefje van het eeuwige verdriet: “Ik opende de deur van het café/en zag hem staan: een provo, slank en blond met inderdaad een cocktail aan zijn mond./Het leek of hij het volle glas verslond.”

Of gaat de passage over Martin Bril, die tot zijn laatste snik in de Volkskrant publiceerde, en wiens felbegeerde hoekje wekenlang voor een zacht prijsje werd gevuld door beroemde vakbroeders In Zijn Naam?

Geef toe, het is gewoon niet te raden. Ongewild slaat het citaat op alle drie de betrokkenen. De uitvaart is in Nederland inmiddels de eredienst der ongelovigen. Het citaat is van Raymond van den Bogaard en gaat verder: “Martin Bril was een aardige jongen die excelleerde in een bepaald soort krantenstukken en bovendien nog een aardige satire op het moderne vrouwenleven, Evelien, had geschreven. Zijn pretenties reikten ook niet verder. In het land van doe gewoon dan doe je gek genoeg is dat kennelijk een bron van grote populariteit.”


God verhoede dat ik me een vriend van Theo van Gogh, Martin Bril of zelfs van Michaël Zeeman zou noemen, al heb ik ze alle drie gekend. Van Gogh het langst, en er was zelfs een moment dat ik bijna de ketenen van zijn vriendschap kreeg omgehangen. Ik had ook de juiste papieren, want ik had bij Propria Cures gezeten en inmiddels had ik een vaste rubriek in een blad – twee essentialia waarmee mijn collega Theodor Holman wel in heerlijkheid werd bevorderd. Had ik maar wat meer om Theo’s grapjes gelachen.

Ik weet nog de gelegenheid dat ik de vriendschap van Van Gogh afwees. We zaten met zijn vijven in de auto, op weg naar de opname van de film Loos, want Theo had altijd hoopjes figuranten nodig. De regisseur zat voorin op de bijrijderstoel en tapte de ene sleetse belediging na de andere, bij voorkeur aan het adres van allerhande types met wie hij een appeltje te schillen had. Dat had Van Gogh al gauw – soms was het feit dat je bestond al voldoende – wat tot gevolg had dat hij ongegeneerd aan recycling deed als het op beledigen aankwam. Theo bracht daar voor in de auto voor de zoveelste keer dezelfde opgelapte wisecrack, en in het koor der gulle lachers ontbrak pardoes mijn bijdrage. Een gevoelige ziel als Van Gogh pikt zoiets uiteraard meteen op, en zonder zich om te draaien sprak hij: “Ik voel negatieve stralen achterin, klopt dat?” Ik begreep dat dit ons Laatste Avondmaal was en legde mij neer bij de onvermijdelijkheid der dingen. Naast mij sprak iemand geschrokken ‘oei’. Ik heb niet op mijn horloge gekeken, maar achteraf gezien was dat het tijdstip van onze verwijdering, die eeuwig en onomkeerbaar was. Voortaan zou Van Gogh elke keer roepen ‘Feind hört mit!’ als ik een openbaar lokaal zou betreden waar hij in gezelschap was, iets wat ik eigenlijk wel weer geestig vond, vooral omdat hij het zo consequent deed.


Loos heb ik later nog gekocht in de restantenbak van Miep Brons in de Van Woustraat. De inkoper van die pornovideotheek was kennelijk op een cassettebox afgegaan waarop een pin-up in bondage stond afgebeeld. Omdat vermoedelijk weinig Bronsklanten hem van detective Max Pam omhoog krijgen, die ster die in Loos de titelrol speelt, was dit exemplaar uit het verhuurbestand geloosd, pardon verwijderd. De film was ook in de bioscoop niet het succes wat de regisseur ervan had gehoopt. Toen niet lang daarna het bericht de ronde deed dat Heleen, de levenspartner van Theo van Gogh, zwanger was, leek me een bemoedigende felicitatie in HP/De Tijd dan ook op zijn plaats. “De eerste productie van Theo van Gogh die gaat lopen!” Toen was het tussen ons definitief stuk. Van Gogh heeft het me nooit vergeven, al verhinderde het hem niet me later nog eens op te bellen met de vraag wat de geboortedatum van Hugo Brandt Corstius was. Gelukkig, Theo heeft een nieuwe Feind gevonden, dacht ik. Eigenlijk heeft hij nooit goed zonder gekund. Hij heeft er zelfs al met al zijn heiligenstatus aan te danken.

Michaël Zeeman maakte zich in mijn ogen onsterfelijk toen hij mijn gezelschap op het Boekenbal van 2004 begroette. De altijd zo eloquente kunstpaus sprak daarbij geen woord, maar staarde met ogen op steeltjes in haar ravijndiepe decolleté. Nog altijd sprak hij geen woord, maar als begroeting stak hij zijn duim op, als ware hij een Romeinse keizer in een goede bui. Dat hij zweeg was logisch: het gebaar was te plat voor woorden. Aan de andere kant heeft de mix van het verhevene en het profane altijd de beste kunst opgeleverd. Waarvan akte. Ik ben niet met Zeeman op de vuist gegaan. Toen niet, en ook niet bij een andere gelegenheid. Dat deed ik alleen met Martin Bril.


Bril ontmoette ik voor het eerst in de radiostudio van de VPRO aan de ‘s-Gravelandseweg, waar de opnamen werden gemaakt van het programma Boeken. Dat programma had het inmiddels geliefde magazineformaat. Ad Fransen, die nadien naar HP/De Tijd zou gaan, deed de interviews. Hans Bouman belde in de uitzending literaire types op, en de uitzending werd besloten met een gesproken column, door mij voorgelezen. De technicus sneed vooraf altijd heel voorkomend alle gestotter uit de band. Mijn doublures, gematerialiseerd in talloze stukjes tape van ongeveer vijf centimeter, veegde hij bij elke gelegenheid geroutineerd in de prullenbak. Die middag waren er twee debutanten in de studio: Dirk van Weelden, een nogal ernstig kijkende jongen, en zijn kompaan Martin Bril. Die was een halve kop groter en had toen nog lang, donker haar, eindigend in een staartje. Ik vond hem vrijwel onmiddellijk onsympathiek, wat vooral had te maken met zijn manier van praten: verveeld en blasé. Hij leek er bij voortduring voor te waken iets te zeggen dat niet modieus of bedacht was.

We kwamen elkaar opnieuw tegen bij het blad Esquire, waar Bril inmiddels aan verbonden was. In die periode vertelde hij me onder andere dat hij vroeger copy-writer was geweest. Dat was hij voor mijn gevoel nog steeds, al beperkte hij zich inmiddels tot één account: Martin Bril. Veel vertelde hij trouwens niet, want het mysterie-Bril moest intact blijven. Bij een van die schaarse gelegenheden vertelde Bril dat hij een broer had die politieagent was. Hij lachte er zelf hard en smakelijk bij. Hoofdredacteur van Esquire was de van HP afkomstige ex-eindredacteur Gijs van de Westelaken. Gijs genoot het absolute vertrouwen van Audax-uitgever Jacques de Leeuw, dit vanwege luidruchtig gecelebreerde gezamenlijke Brabantse roots. De functie van Bril was onduidelijk, maar ik kwam er al gauw achter dat hij in de praktijk de beslisser was. Van de Westelaken, die later de grote voorganger van Theo van Gogh zou worden, deed niets zonder eerst ‘Bril’, zoals hij hem steevast liefkozend noemde, te raadplegen. Dat ging heel ver, zoals later zou blijken.


Mijn taak was het persklaar maken van de kopij van de talloze illustere kroegvriendjes van Gijs en ‘Bril’. Ik herinner me een stuk van inmiddels wijlen Jean-Paul Franssens, een beroepsinnemer die op enig moment een indrukwekkende verzameling van slechtlopende zinnen had ingeleverd, overduidelijk in grote haast geschreven. Zulke types reageerden enorm beledigd als je ze opbelde voor een revisie. Wat ik wel niet dacht? Je spreekt met de grote Jean-Paul Franssens, ja?

Het werd nog erger toen Bril het nog tijdens zijn redacteurschap voor elkaar had gekregen om writer in residence te worden in Ann Arbor, in de Verenigde Staten. Voortaan moest ieder snippertje kopij eerst op de fax naar Amerika, waarna Bril al dan niet zijn fiat zou geven. Een stuk voor Esquire werd pas opgemaakt na witte rook uit Ann Arbor.

Bril had in Amerika geen dedicated faxlijn. Je moest zijn privénummer intoetsen en dan hoorde je altijd eerst Brils verveelde ‘Hallo?’ uit het luidsprekertje van de faxmachine. Als hij dan aan de schrille piepjes hoorde dat het een fax was, drukte hij op de ontvangknop, waarna het speakertje zweeg. Tientallen stukken heb ik, begeleid door dat pauselijke ‘Hallo?’ over de Atlantische Oceaan verstuurd, voor ik besloot dat mijn plek elders was. Esquire en ik namen afscheid van elkaar.

Ruim een half jaar later kwam ik Bril tegen op het terras van Café van Puffelen aan de Amsterdamse Prinsengracht, indertijd een legendarische HP-hang-out. Bril sloeg het begroetingsgedeelte over en viel onmiddellijk tegen me uit. Ik had, zo schreeuwde hij, Esquire misbruikt voor ‘easy money’ – dat was de uitdrukking die hij gebruikte. Ik antwoordde: “Says who, mister?” Bril bedacht zich geen moment en vloog me onmiddellijk aan. Al sjorrend kwamen we gevaarlijk dicht bij het water van de Prinsengracht. Ik begreep dat het zijn intentie was me daar in te gooien, maar omdat ik zijn dure designjasje stevig vast had, snapte hij dat ik in dat geval niet als enige te water zou gaan. Hij liet me los, vloekte een verwensing en beende vervolgens de bar van Van Puffelen in. Op het terras zaten slechts enkele anonieme Amsterdamse toeschouwers die geen idee hadden wie die twee vechtersbazen waren, want Bril was nog lang niet beroemd in die dagen. Maar daar zou hij wat aan gaan doen.


Zijn wraak kreeg Bril bij de presentatie van een Evelien-boek, in de tuin van uitgeverij Prometheus. Ik was er voor een aflevering van ‘Onder de gordel’, maar hoewel het om een publiciteitsmiddag ging, weigerde Bril op de foto te gaan. Zijn beroemde dochters waren er ook, maar hun moeder schreeuwde me hysterisch toe dat die al helemaal niet gefotografeerd mochten worden. Ik hoorde woorden als ‘privacy’ en ‘ontvoering’ en heb me toen zuchtend omgedraaid om met normale mensen te gaan praten. Het spreekt vanzelf dat dezelfde dochters niet lang daarna op het omslag van Volkskrant magazine stonden. Dat ging weer vooraf aan hun optreden in De Wereld Draait Door, ten behoeve van de rest van Nederland die nog niet kennis met ze had gemaakt.

Het tochtige, winderige hoekje rechtsonder in de Volkskrant leent zich bij voorkeur voor standwerkersproza. Er passeren daar iedere ochtend drommen mensen. Onder rasverkopers geldt het als de gedroomde stek; de twee laatste huurders brachten er met succes de Postbank aan de man. De vertegenwoordigerszoon Bril, zelf voormalig copywriter, had die plek al jaren op het oog. De noodzakelijke met veel bravoure gebrachte verkooppraatjes, die als vanouds zo’n diepe indruk maken bij de huisvrouwtjes, had hij in huis. Beslist geen verlegen jongen. Altijd goed in het pak. Wist overal de weg. Sprak altijd jij en jou tegen de boven hem gestelden. Het zal niet meevallen iemand te vinden die kwaad van zo’n man spreekt.

Jan Zandbergen, illustratie Ytje - Unit