MET DE punt naar voren praten

Trainers, spelers, commentators – voor de leek spreken ze aperte wartaal. Toch luistert het jargon bijzonder nauw. Over acteren, bijsluiten en de kantelende vleugelspits. Een korte inventaris van het moderne taalgebruik in de voetballerij.

Het voetbal is de afgelopen tien jaar steeds sneller geworden, en dus wordt er gezocht naar tijdbesparende technieken. Zo is het belangrijk dat een speler de aangespeelde bal onmiddellijk controleert: de aanname. Laat hij de bal een beetje stuiten, dan is dat een gelegenheid voor de tegenstander om hem af te pakken; daar mag geen ruimte voor zijn. Hangt ook samen met opendraaien. De trainer van het naar de eredivisie gepromoveerde VVV zei onlangs: “Onze aannames moeten beter, anders redden we het dit seizoen niet.” De meester van de perfecte aanname is Robin van Persie. De lastigste ballen heeft hij meteen onder controle.

In de moderne topsport steeds vaker gebruikt, als deftig alternatief voor ‘spelen’. Beroepsvoetballer is in zekere zin een contradictie in termen. Voetbal, zoals alle sport, was van oorsprong immers een vrijetijdsbesteding, een vorm van niet-werken. Maak je daar een beroep van (en vervolgens big business), dan is het geen spelletje meer en moet er ook een vocabulaire komen dat recht doet aan de ernst van de zaak. ‘Spelen’ klinkt dan ineens een beetje vrijblijvend, kinderlijk. Dat wordt dan ‘acteren’. “Natuurlijk werk ik liever in de Eredivisie, maar ik loop niet weg wanneer ik een niveau lager moet acteren.”

Ook termen als motivatie, organisatie en communicatie (zie Gaaliaans) moeten helpen om van een liefhebberij een serieuze bezigheid te maken.

Soms doen topsporters juist weer het omgekeerde en spreken tegenover Jack van Gelder van ‘het spelletje’ of ‘een leuke pot’. Dan hebben ze heimwee naar de vrijblijvendheid waarmee het ooit allemaal begon.

Professionals houden er niet van op het werk huis-tuin-en-keukenbegrippen te gebruiken; die doen afbreuk aan het gewicht van hun bezigheden. Amerikaanse politieagenten hebben het heel sterk. Individual has entered the structure by vehicle, zeggen ze, in plaats van he/she entered the building by car. Thuis wordt thuissituatie. ‘Opwarmen’ heet in de gebruiksaanwijzing van de Honeywell kamerthermostaat ‘aanwarmen’; de ‘aanwarmtijd’. Nee, niet opwarmen, dat doe je thuis, met soep. Zo wordt huren inhuren, sturen aansturen en starten opstarten.


Zo zou ook afjagen kunnen zijn ontstaan, als gewichtige variant van ‘jagen’. Tevens wordt het gebruikt in plaats van ‘afpakken’ of ‘onderscheppen’. Zoals in dit voorbeeld: “We kwamen met 1-0 achter, maar doelpunten van Kevin Robelus uit een vrije trap en een vlammend schot na een goed afgejaagde bal van Ronald Rovers leverden een 1-2 voorsprong op bij de rust.” (De Hoofddorpse Courant over WDS-Kagia.)

Belangrijk begrip. Spelers moeten alert zijn op de ‘afvallende bal’, vooral middenvelders. De aanval is misschien geblokkeerd, het schot is gestopt, maar waar ging de afvallende bal heen? Wie de afvallende bal krijgt, bepaalt hoe het spel verder gaat. Ook wel ‘tweede bal’.

Officiële Amsterdamse uitspraak van ‘Ajax’. Officials, supporters, lokale verslaggevers, ze praten zo veel over die club dat z’n naam ervan is afgesleten. “Sietwasie bij Ajx stuuk dramátisch.”

Zoals Engelsen in de lach schieten als je met een oubo krachtterm als by Jove! aankomt, zo moet je ook in voetbalgezelschap voorzichtig zijn met archaïsche taal. Wie bij een geslaagde interceptie van Jaap Stam ‘Kijk, daar is de ausputzer!’ roept, houdt de ontwikkelingen duidelijk niet echt bij. Hetzelfde geld voor termen als ‘voorstopper’ en ‘libero’.

Vroeger had je twee centrale verdedigers: voorstopper (groot, simpel, moet spits van tegenstander ‘uitschakelen’, archetype: Barry Hulshoff) en libero (meestal wat kleiner, technisch vaardiger, behept met aanvalsopzet ‘van achteruit’, archetype: Franz Beckenbauer). In het moderne voetbal zijn de twee centrale verdedigers meer gelijkwaardig en bestaan die namen eigenlijk niet meer.

Ook het klassieke voetbal-Engels maakt steeds meer plaats voor Nederlands. De ‘penalty’ houdt redelijk stand, maar ‘goalie’, ‘offside’ en ‘free kick’ hoor je alleen nog op de recreatiezaal van het bejaardenhuis. Maar pas op: voor de ‘crosspass’ geldt dit dan weer niet, want die is sinds kort juist weer terug. Als trainer van AZ heeft Louis van Gaal het veelvuldig over de cross pass (op z’n Nederlands uitgesproken, dus niet koerospaas, maar gewoon krospas ) – bij een tegenaanval een lange bal van achter naar voren over de diagonaal trappen; verwarrend voor de tegenstander. Kortom: eenvoudige taalrecepten zijn er niet, het blijft een kwestie van goed opletten.


Tip voor wie echt niets van voetbal weet maar op een avondje met vrienden een beetje leuk mee wil doen, doe zoals de vader van een jeugdvriendje van mij deed: roep zo nu en dan, onverwacht, heel hard ‘PRESSING!!!’

Ik heb de indruk dat je daar heel aardig mee weg komt. (Tenzij mijn vrienden me uit compassie in de waan laten, natuurlijk.)

(Zie ook druk op de bal.)

Sleutelbegrip, voetbal is tenslotte een balsport. Voor sportjournalisten vormt dit een probleem, want die hebben bij Journalistieke Vaardigheid I (aan II zijn de meeste niet toegekomen) geleerd dat je in één alinea niet te vaak hetzelfde woord moet gebruiken. Zodra ‘bal’ eruit is, schakelen ze dus over op synoniemen. Daar zijn er niet zoveel van, vandaar dat je in voetbalstukken zo vaak termen als ‘knikker’, ‘lederen monster’ en ‘projectiel’ tegenkomt. Met namen van spelers doen ze hetzelfde. Is die naam eenmaal gevallen, dan volgen de omschrijvingen. Het begint met de ’28-jarige middenvelder’ en eindigt met ‘de blondgelokte, als zoon van een West-Friese rijwielhersteller opgegroeide, vorig jaar nog bij Always Forward acterende, onlangs in het huwelijk getreden Gouden Schoen-winnaar’.

Ook leidt het tot zinnen als deze, van Paul Onkenhout (de Volkskrant) over een voetbalboekje: “Het ligt zielig en door iedereen vergeten in de ramsj bij De Slegte.” Daarin staat liefst vier keer hetzelfde, maar, toegegeven, telkens in andere woorden.

Belangrijk nieuw zoemwoord in de topsport, ook in het voetbal. Ineens heeft iedereen het over ‘beleving’. Niemand weet wat het precies betekent, en waarschijnlijk gaat het daar ook om. Juist het mysterie kan enorm inspireren. God begrijpen we ook niet precies.


Mart Smeets gebruikt het graag. “Dat is dan die, die beléving…” zegt hij, en laat een suggestieve stilte vallen. Mart Smeets verstaat de kunst om prietpraat een schijn van diepgang te geven, dat is zijn ware talent, dus als hij eenmaal een begrip als ‘beleving’ in zijn vocabulaire opneemt, is er geen houden meer aan. Dan staat de volgende dag in alle clubkantines de ‘Omelet Beleving’ op de kaart.

Soms lijkt het erop alsof met beleving ‘geestdrift’ wordt bedoeld, of ‘hartstocht’, maar even later wordt het weer in de betekenis van ‘motivatie’ gebruikt, maar ook dat is het niet precies, want het lijkt ook gewoon ‘plezier’ te kunnen betekenen, of ‘voldoening’. Zodat we er nooit goed achter komen wat het nu eigenlijk is. Waarschijnlijk is ‘beleving’ een kwestie van beleving.

Wat de ‘insteek’ is voor vergaderaars, een soort verbale joker die je overal voor kunt inzetten, is ‘beleving’ voor topsporters.

Tegenwoordig moeten flankspelers – bij sommige tactische varianten – het hele veld kunnen bestrijken. De linkermiddenvelder rent bijvoorbeeld van voor naar achter en weer terug langs die kant, hij kan uit de voeten als linker aanvaller maar ook als linker verdediger. Cruijffiaans

Veel is reeds geschreven over het taalgebruik van Johan Cruijff. Zijn paradoxen, zijn tautologieën, zijn kromtaal, zijn magische logica, enzovoorts (zie onder andere http:/www.onzetaal.nl/dossier/voetbal-taal/cruijff.php en http:/nl.wikiquote.org/wiki/Johan_Cruijff).

Bedénken dat het Rita Verdonks schuld is dat Nederland werd uitgeschakeld in het WK van 2006 (omdat zij Kalou niet naturaliseerde) kan iedereen, maar Johan Cruijff is de enige Nederlander die het ook met droge ogen uit zijn mond krijgt. Cruijff heeft zich vaker smalend uitgelaten over politici, en dat is eigenlijk vreemd, want er is in Den Haag niemand die de kunst van het in-en-uit-praten zo tot in de finesses beheerst als hij. Toen Hiddink, Van Gaal en Advocaat als bondscoach aan het bewind waren, deugde er allemaal niks van, en toen zijn protegé Marco van Basten er nóg minder van bakte, was Oranje ‘volop in ontwikkeling’, ‘een team met mogelijkheden’, dat ‘maximaal gepresteerd’ had en waarvan de ‘doorgroei’ dus slechts gefrustreerd werd door een minister van Vreemdelingenzaken.


Een duurbetaalde Haagse spindoctor zou er niet op zijn gekomen. Niet voor niets noemde Trouw hem bij die gelegenheid ‘El Blablador’.

Ook erg in zwang de laatste tijd. Er was te weinig druk op de bal, of er werd juist goed druk op de bal gezet. Om te kunnen spelen moet er natuurlijk enige druk op de bal staan, maar hier wordt ‘druk’ figuurlijk bedoeld: er wordt voortdurend geprobeerd om in balbezit te komen. Dat iedereen voortdurend achter de bal aan rent, zie je ook op het plein van de basisschool, het zogenaamde kluitjesvoetbal. ‘Druk op de bal zetten’ is eigenlijk een hogere, professionele vorm van kluitjesvoetbal.

Veel gebruikt voorvoegsel in het moderne voetbal. Elke technisch directeur, trainer of coach is een aanstaande ex-technisch directeur, trainer of coach. Ook veel spelers die je aan het werk ziet zijn eigenlijk al ex-.

Onder andere het maandblad Onze Taal heeft zich afgevraagd of er geen goed Nederlands alternatief voor Schwalbe kon worden gevonden, de Duitse benaming voor een voorgewende struikeling in het strafschopgebied, waar, de naam zegt het al, een tackle wordt bestraft met een strafschop. Veel kwam daar niet uit, tot de veel gesmade commentator Evert ten Napel in 2002 tijdens Ajax-De Graafschap ineens met ‘fopduik’ kwam, een schijnbaar spontane inval. Dat woord heeft sindsdien enige aanhang, al valt ertegen in te brengen dat ‘duiken’ in het voetbal al ‘zogenaamd vallen’ betekent (‘he’s a diver’), hetgeen fopduik tot een soort pleonasme maakt. De voetbalredactie van de Volkskrant vond fopduik ‘te Peppi en Kokki’, maar daar hebben ze altijd nogal last van het not invented here syndrome.


Zelf dacht ik nog aan ‘huichelduik’ – dat geeft de verwerpelijkheid van zo’n actie iets meer nadruk.

De grootste vernieuwer van het Nederlandse voetbal van de afgelopen twintig jaar is zonder twijfel Louis van Gaal. Zijn kennis van het voetbal is omgekeerd evenredig aan die van de omgangsvormen. Veranderde Ajax in de jaren negentig in een ‘wetenschappelijk instituut’ (Netwerk), waar hij het spel doceerde ‘als ware het professorale algebra’ (Hugo Camps). Ook op het jargon drukte hij een stevig stempel.

Sleutelwoord in de visie van Van Gaal is communicatie. “We zijn hier voortdurend bezig elkaar te overtuigen.”

Teambuilding, door middel van discussie, overleg, teamkritiek en dialoog, ook tíjdens de wedstrijd. Een voetbalelftal is een collectief. Spelers moeten hun individuele ambities ondergeschikt maken aan hun taak en functie binnen het team. Spelers zijn niet alleen de uitvoerders, maar ook de bedenkers van de speltactiek. Buiten het veld dwingt Van Gaal een strakke discipline af, tijdens de wedstrijd is het: verantwoordelijkheid nemen en meedenken. Spelers moeten de wedstrijd lezen.

Nog een paar andere typische Van Gaal-termen:

Knijpen. Als (bijvoorbeeld) een rechtsbuiten de bal krijgt en naar voren gaat, dient ook de linksachter naar het centrum op te schuiven: te knijpen. Bijsluiten. Gaat een aanvaller met de bal naar voren, dan loopt een collega-aanvaller de ruimte dicht, hij sluit bij.

Inspelen, het geven van een lengtepass aan een gedekte man in het centrum die de bal zo snel mogelijk doorgeeft aan de opkomende man. Dit ook met het oog op het creëren van een man-meer-situatie, eveneens typisch Van Gaal. Doordekken. De rechtsback dekt niet alleen de linksbuiten, maar ook, naarmate hij opkomt, de linkshalf of zelfs de linksback. Hij dekt dóór. Bij balverlies dient een aanvaller de verdediger te achtervolgen en in de rug aan te vallen, het zogenaamde terugverdedigen. Ook vals traag is een vondst van Van Gaal, voor spelers die sneller zijn dan ze lijken.


Door zijn successen in de jaren negentig bouwde Van Gaal een enorm gezag op. “Als Louis zegt dat Grashoppers altijd achter de bal speelt, lees je dat direct terug,” merkte Jan Mulder eens op. “Zelfs in de nábeschouwingen, als iedereen net met eigen ogen heeft kunnen zien dat Grashoppers helemáál niet achter de bal speelt!”

Eerst werd Van Gaal uitgelachen om zijn onafscheidelijke aantekenboekje, een paar jaar later had elke Nederlandse voetbaltrainer er eentje.

Ook succestrainer Hiddink heeft zijn eigen spraakgebruik, maar hij praat minder over techniek en tactiek. Laat Van Gaal zich gaarne verleiden tot diepgravende tactische analyses, zo nodig met een viltstift bij de flip-over, Hiddink beperkt zich tot observaties als: “Ze moeten hun huid duurder verkopen.” Of: “Het was niet uitgenast genoeg.”

Liever spreekt Hiddink over hoe hij met zijn spelers omgaat, en zij met hem. In die zin heeft hij iets van een straathoekwerker, met een vocabulaire dat grenst aan de sociobabble. Als eerst Arsenal en vervolgens Borussia Dortmund PSV lelijk wegspelen, merkt Hiddink op dat het team nog ‘steeds een bepaalde kwetsbaarheid’ heeft. Als het moet, is hij niet te beroerd zijn spelers te tergen om ze op scherp te krijgen, maar hij is de enige coach die dat dan ook meteen opbiecht. Afreageren, ook typisch Hiddinks. En ‘gevoel’. “Goed gevoel.” “Gewoon lekker.” “Prima gevoel.” “Goed voor je eigenwaarde, zeg ik eerlijk.” “Wat ik al aangaf: ik moet goed naar mezelf in de spiegel kunnen kijken.”

Mag Van Gaal zijn overwicht op een team graag extra aanzetten, Hiddink ontveinst het liever. Hij gebruikt bijvoorbeeld graag ‘oppikken’, het moderne eufemisme voor ‘doen wat ik zeg’. Oppikken (of oppakken) hoort bij de moderne, semi-gedemocratiseerde arbeidscultuur, waarin het not done is om mensen direct orders te geven. De leider doet voorstellen, suggesties, een voorzichtig verzoek misschien, en hoopt dat zijn mensen het ‘oppikken’. Dat wil zeggen: doen.


Onlangs gaf Hiddink een paar oudere spelers een tweede kans in het Russische nationale elftal, spelers ‘die in het verleden buiten de boot waren gevallen, omdat ze niet oppikten wat er verlangd werd. Op dat moment waren het nog iets te grote ego’s’. Vertaling: ze deden niet wat Hiddink zei. “Daarom deed het me echt heel goed om te zien hoe juist zij dit keer aanhaakten.”

Oppikken: doen wat iemand zegt. Aanhaken: na verzet alsnóg doen wat iemand zegt.

Hotseknotsebegoniavoetbal

Typering van voetbaltrainer Bert Jacobs (1999) voor slecht, ongeorganiseerd voetbal. Wordt soms ook toegeschreven aan de trainer en bloemrijk spreker Fritz Korbach, die ooit over de voorzitter van Heracles zei: “Die man is zo zuinig, die huilt met één oog,” en deze speelstijl ooit ‘boerenkoolvoetbal’ noemde.

‘In’ is in. We kennen het inspelen (zie Gaaliaans), er is ruimte in de rug (zie Cruijffiaans ), en sinds enige tijd zijn er ook spelers die in de bal spelen. Zo’n speler laat zich dus niet miniaturiseren en via de pomp in de bal injecteren, ook is het niet dat hij op het veld verschijnt met zo’n doorzichtige plastic bal om zich heen die je bij evenementen weleens ziet, nee, hij wacht niet tot de bal naar hem wordt getrapt, of biedt zich niet aan door weg te sprinten van de verdediger, nee, hij beweegt juist steeds naar de bal toe, in de verwachting de bal dan te krijgen.

Voetbalgrammatica voor ‘ik’. Als profvoetballer spreek je over jezelf in de tweede persoon. “Je voelt je niet optimaal, dus je bent toch een beetje voorzichtig, maar als je dan een paar keer zo’n pass krijgt, ga je toch wat proberen, je komt goed voor de goal, je maakt hem af, je zit in de wedstrijd en even later maak je de beslissende goal.”


Het is onbekend hoe dit komt. Misschien is het de invloed van Cruijff, die er al vroeg mee begon. Zelfs van de derde persoon maakt die als het even kan een tweede. Over de knieblessure van zijn zoon Jordi: “Je bent geen van tweeën dokter, dus moet je luisteren en proberen het goeie eruit te pikken.”

Maar sporters in andere landen doen het ook, luister bijvoorbeeld naar Engelse voetballers. Misschien is het doordat topsporters nogal vaak worden toegesproken, door coaches, trainers, managers, teamgenoten, zodat ze dat op den duur zelf ook gaan doen. “Je bent een voetballer en je wilt graag scoren, dus je gaat dat veld op en je maakt die actie. (Onthoud dat).”

Voetballer die dankzij een speciale vleugelconstructie rechtstandig kan opstijgen, enigszins vergelijkbaar met een Harrier Fighter. Komt vooral tot zijn recht in het 1-8-1-systeem.

Term van Foppe de Haan, voor slecht, rommelig, onprofessioneel voetbal, geïntroduceerd na een oefenwedstrijd van Jong Oranje tegen de Suriprofs. Een soort kluitjesvoetbal.

Bij de 4-2-3-1-opstelling, volgens velen het systeem van de toekomst (al zijn er ook die meer in 4-6-0 geloven), staan de drie aanvallende middenvelders die de spits van ballen moeten voorzien onder een flauwe hoek ten opzichte van elkaar, zodat hun formatie er van boven uitziet als een kommetje.

Alles draait tegenwoordig om linies. Cruijff is daar ooit over begonnen: linies kort op elkaar laten aansluiten (dan heeft de tegenstander minder ruimte om acties te maken); nu heeft iedereen het erover. Heel modern: ‘tussen de linies spelen’. De aanvaller gaat tussen verdedigingslinie en middenvelders van de tegenstander lopen. Dit schept verwarring, want de tegenstanders moeten beslissen: hoe vangen we hem op, schuift de verdediger iets op naar voren of laat de middenvelder zich iets zakken? Onder Van Gaal was Jari Litmanen er een meester in: Litmanen was kwetsbaar maar ook slim: door steeds tussen de linies te gaan lopen, bleef hij buiten bereik van de dekkers van de oppositie. Tactisch gesproken vallen veel beslissingen tegenwoordig tussen de linies.


Tennissers spreken niet van ‘kansen’, honkballers niet, autocoureurs niet, wielrenners zelden, maar voetballers hebben het er voortdurend over. Kansen creëren, kansen benutten, kansen uitspelen, kansen afmaken. Het woord valt zo vaak dat je zou denken dat voetbal een kansspel is. Die grote rol van het toeval zou overigens de uitzonderlijke populariteit van de voetbalsport kunnen verklaren, dat de bal bij dit spel net zo raar kan rollen als in het leven zelf.

Als in een bepaald milieu één term veel gebruikt wordt, kun je erop wachten dat iemand er iets anders voor gaat verzinnen, om zich te onderscheiden. Denk aan de politicus die ‘wisselen’ zegt in plaats van ‘bespreken’. Een andere mogelijkheid is om zo’n woord stilletjes een andere betekenis te geven, en aldus verwarring te zaaien (zie Cruijffiaans).

Louis van Gaal (zie Gaaliaans) begon het op een gegeven moment over ‘mogelijkheden’ te hebben. Waarschijnlijk wilde hij gewoon geen ‘kans’ zeggen, maar dat kon hij natuurlijk niet toegeven, dus toen er vragen kwamen, verklaarde Van Gaal dat een ‘mogelijkheid’ wel degelijk iets anders was dan ‘een kans’. De mogelijkheid, zou je kunnen zeggen, is het voorportaal van de kans. Een kans is de kans om te scoren, een schot dat als de bal goed wordt geraakt normaal gesproken in het doel belandt. Een kans kan, een mogelijkheid zou kunnen. Een kans kun je missen, een mogelijkheid niet.

Het is gebruikelijk dat als de hoogste aap op de rots zoiets postuleert, de lagere apen dit overnemen, zij het soms met een knipoog. De Volkskrant over AZ-Juventus: “De laatste mogelijkheid – en dat is geen kans in het vocabulaire van Van Gaal – was voor Frank de Boer, maar bij de vrije schop van achttien meter, zijn specialiteit, kon hij de bal niet laten krullen.”


Toen rugnummers in het voetbal nog correspondeerden met veldposities werd er vrijwel nooit over gesproken, nu rugnummers niets meer met de opstelling te maken hebben (dat begon al bij Cruijff, nummer 14, een veldpositie die logischerwijze onbestaanbaar is) wordt er juist wel weer in veld-nummers gesproken. Van Gaal begon hiermee. De nummer 33 kan dus een ideale nummer 10 zijn.

“Gelul, hij is een opkomende 2 met kwaliteiten op de 6.”

De meest kansen in het moderne voetbal komen voort uit een snelle en slimme omschakeling: je verovert de bal en slaat toe voordat de tegenstander zijn eigen verdediging heeft kunnen organiseren. Ook omgekeerd belangrijk: bij balverlies snel je eigen defensie op orde brengen. Overal wordt tegenwoordig goed verdedigd, bij een trage omschakeling lukt het haast niet meer de vijandelijke defensie te verrassen. Zie ook aanname en openen.

Ook weer een techniek die tijdwinst kan opleveren. Na de aanname moet een speler (zich) zo snel mogelijk opendraaien, hij keert zich met de bal naar de zone met de meeste afspeelmogelijkheden. Liefst vormen aanname en opendraaien één beweging Wesley Sneijder is er goed in (zie ook aanname, omschakeling en one touch).

Trendsetter FC Barcelona legt zich toe op ‘one touch’ voetbal, bal aannemen en direct doorspelen, met kleine ‘flicks’ (tikjes) en ‘give and go’-passjes. Spelers lopen ogenschijnlijk kriskras door elkaar heen en tikken de bal met één beweging over en weer. Tactisch middel om de verdediging te desoriënteren: het is onduidelijk wie de aanvaller is. Creëert ook ruimte voor de middenvelders. Werkt vooral goed bij counters door tactisch slimme aanvallers, die zo een verdediging zoek spelen.


De moderne voetbaltrainer moet een ‘opvoeder’ zijn. Ook Ajax is op zoek naar een ‘opvoeder’, liet de directie onlangs weten. Na de wijkagent en de onderwijzer is nu de sportcoach aan de beurt om de brokken van het moderne ouderschap op te ruimen.

Zoals sportcommentatoren het laatste deel of het einde van een wedstrijd altijd ‘de slotfase’ noemen, zo noemen ze het begin nooit gewoon het begin maar de ‘openingsfase’. Klassiek voorbeeld van gewichtigdoenerij, vergelijkbaar met koningin Beatrix die het in de Troonrede ook nooit over ‘grote’ problemen heeft maar altijd over ‘omvangrijk’.

Bij de speelwijze 4-3-3 kan de middelste middenvelder (‘midmid’) iets vóór de andere twee middenvelders staan, of juist iets erachter. In het eerste geval wordt er met de punt naar voren gespeeld, in het tweede met de punt naar achteren. Bij het systeem 4-4-2 is de vraag hoe de vier middenvelders zijn opgesteld, in een vierkant of in een ruit? (Zie ook kommetje.)

Geliefd trainerswoord. Het scoreverloop is in feite gewoon het verloop van de wedstrijd, maar de term koppelt de score als het ware los van de rest. “Het scoreverloop was niet in ons voordeel,” zegt Louis van Gaal na een 4-1 nederlaag, alsof zijn ploeg afgezien van de score toch gewonnen heeft.

Term van Co Adriaanse voor de neiging van de sportpers om alleen naar uitslagen te kijken en niet naar de wedstrijd zelf.

“Als je het heel reëel bekijkt, kan je niet zeggen dat de beste ploeg heeft gewonnen,” zei hij in 2003 na een nederlaag tegen Roda-JC.

Journalist: “Maar u heeft met 1-5 verloren!”

Co: “Ja, maar dat is scorebordjournalistiek.”

Specialiteit van het huidige FC Barcelona. Middenvelder geeft pass recht vooruit, tussen de verdediging door, aanvaller komt snel schuin naar voren en pikt hem op.


“Dit Oranje mist een type-Kluivert.” Vertaling: in ons nationale elftal ontbreekt een speler zoals Patrick Kluivert. Veel is daar niet mee gezegd – wat ís een type-Kluivert? – maar het klinkt deskundig.

‘Nederland mist een type-Maradona (Cruijff, Pele)’ kun je niet zeggen. Dat zijn geen ‘types’, dat zijn enkelsoortige godheden.

“Nederland mist een type-Huntelaar” is of een heel domme opmerking, of een steek onder water richting bondscoach Marco van Basten (zie ex-).

Ook ‘uit’ is in. Spelers lopen bijvoorbeeld uit de rug. Ze worden gedekt, de mandekker loopt voor ze, zij lopen dus in diens rug, en om weer aanspeelbaar te worden lopen ze uit de rug. Of uit de situatie, waarbij situatie – ook een populair woord – staat voor: het geheel aan spelers en bewegingen rond de bal.

Toen Lance Armstrong in 2004 de overwinning op de Mont Ventoux weggaf aan Pantani, werd hij bedolven onder de kritiek, en inmiddels geeft hij toe dat zoiets in de sport niet hoort. Ook in het voetbal is weggeven een veelgehoord woord. En, voor alle duidelijkheid, taboe.

Voor de wedstrijd: “Het gaat erom dat we niet te veel ruimte weggegeven.” “We zullen niet te veel kansen moeten weggegeven.”

Na de wedstrijd: “We hebben te veel ruimte weggegeven.” “Nou, de wedstrijd gaat me te ver, maar we hebben wel een paar kansen weggegeven, ja.”

Term van Co Adriaanse, die als trainer van AZ de voorkeur gaf aan ‘snelwegvoetbal’ (snel, dynamisch), maar zich tijdens een wedstrijd tegen Roda JC in 2004 genoopt zag om te schakelen naar het tragere, meer behoudende ‘woonerfvoetbal’.

Bekend van Co Adriaanse is ook deze: “Mooie pass, Wamberto!”

De Braziliaanse speler Wamberto steekt zijn beide duimen omhoog.


Adriaanse: “Even zakken, Wamberto!”

Wamberto steekt zijn beide duimen omhoog.

Adriaanse: “Je huis staat in de fik, Wamberto!”

Wamberto steekt zijn beide duimen omhoog.

Zwabberen, zwabberbal

De huidige officiële FIFA-bal is van kunststof en zo licht en glad dat hij onderweg wordt beïnvloed door verschillen in luchtdruk en windrichting, vergelijkbaar met een strandbal die getrapt wordt en een grillige lijn volgt in de lucht. De bal ‘zwabbert’, het is een ‘zwabberbal’.

Met dank aan Auke Kok en Kees van der Zwan.

Jan Kuitenbrouwer, illustraties Mirjam Vissers