Schotsenspringer

Michiel Romeyn (1955) is beeldend kunstenaar en acteur. Hij groeide op in Amsterdam.

Amsterdam-Zuid was in de jaren dat hij daar opgroeide een beladen buurt. Er leefden nog veel herinneringen aan verdwenen joden, wier huizen na de oorlog vergeven waren aan anderen. Je moest altijd keurig luisteren als je ouders uitlegden wat er met de joden was gebeurd, en op school, waar heel wat joodse kinderen zaten, moest je uitkijken met je grappen.

Michiel Romeyn en zijn broer waren al vroeg gefascineerd door de Tweede Wereldoorlog. Zij deelden die interesse met een aardige oom die weleens op hen paste als hun ouders een paar dagen weg waren. Een van die keren kocht oom voor de twee jongens op het Waterlooplein een Russisch uniform met helm en een SS-tenue met pet. Opgetogen paradeerden de broers ermee door het huis en over straat. Toen hun ouders weer thuiskwamen, werd oom in de belendende kamer ongehoord uitgescholden, waarna vader Romeyn woedend in zijn auto stapte en de uniformen ergens voorbij Amstelveen in een stille boerensloot mikte.

“Ik vond het te gek om in die uniformen rond te lopen,” zegt Michiel Romeyn. “Zodra ik een bordje met ‘Verboden toegang’ zie, wil ik altijd over het hek klimmen.”

Zuid was ook op een andere manier beladen: door het verhaal van de kinderlokker die de Donald Duck rondbracht. De man nam buurtkinderen achter op zijn brommer mee naar huis en misbruikte hen; een paar kinderen vermoordde hij in zijn badkamer. Dat paste wel bij het unheimische van de buurt, vindt Michiel Romeyn.

De buurt was welgesteld. De rijkdom had er iets naargeestigs, vond hij. Hij zag nou nooit eens mensen die op een prettige manier van hun geld genoten. Het was al gauw een beetje penozerig, een sfeer van vertoon en nouveau riche. Daarnaast telde Zuid ook nogal wat mensen die hun status beklemtoonden door met een aardappel in de keel te spreken. Veel kinderen werden in dure auto’s van school gehaald en naar het hockeyen gebracht. Hij was gevoelig voor die vreemde, gemengde sfeer van de buurt. Dat maakte dat hij een tijd niet graag buiten kwam. Een soort pleinvrees. Dat krijg je als je in zo’n valiumbuurt opgroeit, zegt hij grinnikend.


Hij was er een beetje vreemde eend in de bijt als telg uit een artistiek milieu. Zijn moeder was fotografe, zijn vader architect, hun vriendenkring neigde naar de bohème. Moeder Romeyn werkte aanvankelijk bij een hoffotograaf en later voor zichzelf. Het plezier in fotograferen nam haar zoon van haar over. Zijn vader omschrijft hij als een klassieke architect met een Saab 96, een leren jasje met drie pakjes Caballero op zak en een Isis-tekentafel. Een gedreven man die twintig uur kon omrijden voor de juiste kleur en die schijt had aan autoriteiten en betweters die zich met hem bemoeiden.

Zijn moeder kende ook een zekere allergie voor het gezag, zodat hij zijn neiging tot anarchie niet van vreemden heeft. Hij weet nog hoe zij hem van het politiebureau kwam halen, toen hij door de kinderpolitie in een cel was gezet. Hij had zogenaamd een motor willen stelen – hij had er alleen maar op gezeten. Witheet was ze geweest: “Bent u belazerd, mijn zoon is toch geen dief! De hele middag in een cel! Hier gaat u nog van horen! Klootzakken! Idioten!”

Architectuur en vormgeving waren belangrijke onderwerpen in het ouderlijk huis. Er werd gewezen op compositie en verhoudingen, op esthetiek, op Berlage, Rietveld, Le Corbusier, Eames en Gispen. “Het werd er niet echt in gebeukt,” zegt Michiel Romeyn, “maar je keek wel mee door hun ogen. Ik vind architectuur heel belangrijk. Een slecht schilderij kun je weggooien, een gebouw niet. Architecten die verschrikkelijke gebouwen maken, moeten worden berecht.”

Toen zijn vader een zwembad had gebouwd in Maassluis, nam hij Michiel op een middag mee; die paar stomme lessen kon hij wel laten schieten. Zwom hij daar als jongetje helemaal alleen in het nieuwe bad Dolfijn. Het motto van de opvoeding, met Dr. Spock binnen handbereik, was vrijheid-blijheid. Hij volgde ook geen gewone middelbare school, maar Montessori-achtige varianten als Ivo en Ivko en vervolgens de grafische school. Hij kon wel goed leren, maar had daar geen zin in en zag ook niet in wat hij eraan kon hebben.


Op de grafische school, een soort lts, zaten jongens uit volkswijken; een heel ander milieu dan dat van Zuid. Hij ging daar ook maar plat Amsterdams praten, want anders kon hij zich er niet handhaven. Iets schizofreens had het wel, eerst hockeyen met de kakkertjes van Zuid en dan met de jongens van school lullen over de wijven. Hij kon toen al goed mensen nadoen en observeren en zich snel aanpassen aan andere situaties, en hij denkt dat in die periode zijn acteertalent aan het licht kwam.

Het was een tijd van rondracen op brommers, je haar laten groeien, wijn drinken en naar muziek luisteren, in zijn geval naar The Beach Boys, dat was Amerikaans, een heel eind weg voor de Stadionweg. En jointjes roken, totdat hij na een blow dacht dat het hele huis in de fik stond en hij van het balkon wilde springen. Sindsdien nooit meer gedaan. Dat hele hippiegedoe van blowend naar Jefferson Airplane en Ummagumma van Pink Floyd luisteren, was hem ook te sloom en te slap. “Ik hou van energie en snelheid,” zegt hij. “Ik voelde me meer een nozem. Maar dan wel weer op een Puch. Heb je dat schizofrene weer. Ik ben altijd een schotsenspringer geweest.”

Na de grafische school besloot hij een poosje helemaal niks meer te doen. Niks behalve een beetje de hond uitlaten en wat tekenen. Een periode maakte hij alleen maar tekeningen van bloederige verkeersongelukken. Hij heeft iets met plekken waar iets gebeurd is. Het ene moment lach je, het volgende ben je dood; fascinerend vindt hij dat.

Luieren en afwachten was hip in die tijd. Hij hield het een jaar of vijf vol, daarna kreeg hij een enorme drang tot aanpakken. Via een zaterdagmiddagcursus werd hij toegelaten tot de avondopleiding van de Rietveld Academie, die hij niet afmaakte. Uiteindelijk zou hij uitwaaieren tot creatief multitalent, actief als televisiemaker, fotograaf, beeldend kunstenaar en binnenkort als dichter.


Weet je, zegt hij, je moet je pistool goed richten alvorens te schieten.

Matt Dings, foto Herman Wouters