Knellende liefde op de plantage

Tessa Leuwsha: Solo, een liefde. Augustus. € 17,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Solo, een liefde is een bitterzoet boek, het tweede van Tessa Leuwsha. Haar in 2005 verschenen roman De Parbo blues sleepte nominaties in de wacht voor twee debutantenprijzen, en Solo, een liefde werd intussen genomineerd voor de Black Magic Woman Literatuurprijs 2009. Het werk van deze schrijfster, in 1967 in Amsterdam geboren en sinds 1996 woonachtig in Suriname, valt dus op. Voor wat betreft haar tweede roman (de eerste heb ik niet gelezen) zal dat vooral komen door de prettige toon, die een mengeling is van weemoed en vastberadenheid.

Paradise is de naam van het lapje grond in Coronie dat tegen het einde van de negentiende eeuw in handen kwam van Riedewald Cummings, afstammeling van de slaven die het eerder hadden bewerkt en de overgrootvader van Solana, het centrale personage van deze roman. Toen in 1880 de blanke kolonisten naar Amsterdam vertrokken, was de plantage al verzilt, ‘nagenoeg dood’. Katoen kon veel massaler en goedkoper worden geteeld in de Verenigde Staten, zodat Riedewald zich richtte op kokosnoten. Zo hoopte hij het zachte prijsje te kunnen betalen waarvoor de vroegere eigenaar Paradise aan hem had overgedaan, maar mét de kokosnoten had hij ook een ziekte in zijn eigen aarde geplant.

Uiteindelijk dus nog steeds slaaf van dat verdoemde stuk land, zoals het ook de generaties na hem in gijzeling hield.

Riedewalds kleindochter Vera is de eerste die zich eraan onttrekt, en wel zo rigoureus dat zij de oceaan oversteekt. Solana, haar dochter, blijft achter op een internaat in Paramaribo, maar al op pagina 29 licht zij het muskietengaas, zet haar voeten op de vloer en schuift zachtjes haar koffer van onder haar bed tevoorschijn. Ze geeft gehoor aan de lokroep van Paradise.


Op de boot naar Coronie ontmoet ze Orfeo Baag, de schipper die in zijn vrije tijd als trompettist een viermansband leidt.

Tessa Leuwsha schrijft met zoveel liefde over Solana dat je als lezer alleen maar wilt dat haar niets ergs zal overkomen. Daarom hoop je dat Orfeo, als ze eenmaal een verhouding hebben, haar niet met jong zal schoppen om haar daarna in de steek te laten, zoals de vrouwen vóór haar is overkomen. Orfeo lijkt wel te deugen. Solana en hij brengen het beste in elkaar boven: zij gaat landbouw studeren om voortaan het land de baas te zijn in plaats van andersom, hij probeert zijn muzikale carrière op een hoger plan te brengen.

Het bitterzoete van het boek schuilt erin dat het natuurlijk niet altijd alleen maar goed kan gaan. De bandleden van Orfeo geven er stuk voor stuk de brui aan, en Orfeo zelf gaat gebukt onder de wetenschap dat Solana hem aan het ontstijgen is. Hij voelt zich schuldig over zijn jaloezie, probeert die af te kopen met een jurk, maar die zit haar te strak, net als hun liefde.

Daarom komt de vrees van de lezer dat Orfeo haar zal dumpen niet uit. Het is Solana die, zoals ze eerder deed in het internaat, haar koffer pakt. “Ze trok aan haar kant de lakens glad, een huiselijk gebaar. Ze keek niet om toen ze wegging en de voordeur achter zich sloot.” Bijna krijg je nu te doen met de slapende man die achterblijft, maar in de 190 bladzijden die het boek telt, heeft Tessa Leuwsha op overtuigende wijze aangetoond dat Solana’s stap onvermijdelijk is. Zij móet verder. Solo. Zij moet de levens van haar voorouders met terugwerkende kracht zin geven.


Zoals houden van soms op een aangename manier pijn kan doen, is Solo, een liefde een lief boek dat tegelijkertijd schuurt. Er is misschien op aan te merken dat bijfiguren op sommige plekken onevenredig veel aandacht krijgen, maar daar valt dan weer tegen in te brengen dat tegen de achtergrond van dit koor de vastberadenheid van Solana des te beter uitkomt.

Frank van Dijl