Ta Tata!

De leukste voetbalclub van Nederland maakt een doorstart. Met dertien nieuwe spelers en een fonkelnieuw onderkomen gaat Telstar gouden, pardon stalen, tijden tegemoet. Feest in IJmuiden.

‘Mooi hè?” zegt Chris van der Zwan, pardon: Chris B. van der Zwan. De voormalige voorzitter van voetbalclub Telstar knikt in de richting van twee levensgrote stenen leeuwen, die als mythologische poortwachters de liftdeuren naar de eerste verdieping van het nieuwe stadion bewaken. “Heb ik in België op de kop getikt, in een tuincentrum vlak bij m’n huis. Moeten alleen nog even twee koperen plaatjes op, dat ze geschonken zijn door Chris B. van der Zwan.”

En met het aanbrengen daarvan komt dan een einde aan fase 1 van de verbouwing van de thuishaven. Telstar, kortom, ligt op koers – en dat is in het verleden wel anders geweest. Wat heet: een jaar geleden dreigde de club, waarvan het vlaggeschip al jaren doelloos meedobbert in de poel van ellende die eerste divisie heet, definitief te kapseizen. Geen resultaten, geen inkomsten en een stadionnetje van vermolmd hout dat zó wankel was dat passanten geadviseerd werd er vooral niet tegenaan te hoesten. En nu, in augustus 2009, is er ineens een gloednieuwe hoofdtribune van glas en steen, die vijf miljoen euro heeft gekost en 1500 belangstellenden een uiterst comfortabele zitplaats biedt. Met dank aan de nieuwe Indiase eigenaar van Corus, het voormalige Hoogovens onder wier rook Telstar al sinds 1963 voetbalt. Letterlijk, want boven het geboomte van de Verloren van Themaatlaan (naast zo’n straat móet het ook wel steeds misgaan…) zijn de pluimen van de staalgigant zichtbaar. De oplevering van de nieuwe tribune, voor het gemak meteen maar het nieuwe stadion genoemd, moet het begin worden van de wederopstanding. Of, zoals de strijdbare commercieel directeur Steef Hammerstein het verwoordt: “Als ik over de Ramblas loop, stinkt het naar Barcelona. Dat moet met ons in IJmuiden ook gebeuren. De Lange Nieuwstraat moet naar Telstar ruiken.”


Wellicht symbolisch voor Het Nieuwe Telstar zijn de veranderingen binnen de selectie. Eind vorig seizoen is afscheid genomen van maar liefst twaalf contractspelers, en daar zijn dertien nieuwe gezichten voor in de plaats gekomen. Bij het handtekeningenjagen rond de opening van het nieuwe stadion zorgt dat in het geval van de donkere nieuwkomers voor verwarrende momenten. “Je hebt mij al, hoor!”

Telstar, in de volksmond ‘De Witte Leeuwen’ (vandaar het cadeautje van de ex-voorzitter) maakt dus een doorstart, en dat is ze van harte gegund. Want Ajax mag de prijzen hebben, Feyenoord het Legioen en Go Ahead Eagles het mooiste tenue, de allerleukste club van Nederland is sinds jaar en dag Telstar uit Velsen-Zuid. Steevast afgeschilderd als ‘het lelijke eendje van het betaald voetbal’, maar wat een grappig eendje is het altijd geweest! Er zijn niet veel plekken waar ik zulke dierbare herinneringen heb liggen als op het legendarische Sportpark Schoonenberg. Bij Telstar kon werkelijk álles. Als ik eind jaren tachtig, als regionaal sportverslaggever voor de IJmuider Courant, weer eens een zuur stukje had geschreven over het vertoonde spel, dan sleurden Van der Zwan (die ooit op de middenstip zijn aanstaande vrouw ten huwelijk vroeg) en bestuurslid technische zaken Cees van der Horst (wiens lege bv de shirts sierde) me mee naar de dichtstbijzijnde plek waar bier werd verkocht. Enkele uren later waren we alle drie dronken en wist niemand meer waar-ie nou eigenlijk kritiek op had gehad. Tollend in de berm pissen met de voltallige top van een bvo: dat is toch iets wat je je leven lang bij blijft. (Met het schaamrood op de kaken schiet me nu ook die keer te binnen dat ik in het oude Vitesse-stadion uit de urinoirs kwam lopen nadat ik per ongeluk over mijn hand had geplast. Kwam daar net het gehele Telstar-bestuur aan. Die lezen nu pas wat voor handdruk ze destijds hebben gehad…)


Bij Telstar bleef niemand lang kwaad. Voor chagrijn, zo wist iedere reporter in de regio, moest je bij Haarlem zijn. Bij Telstar werd je volgepropt met de meest exquise hapjes van vishandel Gerard van Es. De kwaliteit van het gebodene, die haaks stond op wat men binnen de lijnen liet zien, werkte gulzigheid in de hand. Zo heb ik de redacteur van het Telstar Magazine, een gepensioneerde dagbladjournalist met een op z’n zachtst gezegd morsig voorkomen, eens een halve meter zeevruchten op zijn bord zien scheppen. Tijdens het ongegeneerde bunkeren dat daarop volgde, kreeg hij ineens een pijnscheut in zijn wang. Bleek dat ie op een haringvlaggetje zat te kauwen.

Bij Telstar kon echt alles. Ik had een keer shirts nodig voor een vriendschappelijk wedstrijdje van mijn eigen hompenploeg. Kon ik gewoon bij materiaalman Mink Verbaan het complete reservetenue van Telstar 1 ophalen! Prachtige shirts, wit met rode krijtstreepjes. Dat wil zeggen: zo zagen ze eruit toen ik ze ophaalde. Niemand had me verteld dat je natte kleding nooit een week in een vuilniszak moet laten zitten.

In die tijd was oud-Ajacied Ruud Geels er bureaumanager. Dat was een term die hij zelf had verzonnen en die inhield dat hij op Schoonenberg de telefoon opnam. Ruud deed destijds ook nog wat pr-werk voor het kwakkelende sportmerk Quick. Natuurlijk aasde de niet door enige scrupules gehinderde verslaggever op een paar gratis schoenen. En die kreeg-ie ook: twee van de lelijkste blauwe gympen die ooit moeten zijn gefabriceerd. Ik heb ze zelfs niet naar Afrika durven sturen, bang dat de arme negertjes ze zouden terugzenden met een briefje: “Dan liever blootsvoets, bwana.”


En zo heb ik nog tientallen onvergetelijke herinneringen aan Telstar. Aan de bij de SLM-ramp omgekomen doelman Florian Vijent, die ik als VI-correspondent steevast een hoog cijfer gaf (waarmee hij keer op keer handschoenen won – het laatste paar lag boven op z’n kist). Aan de schele terreinknecht, die midden in een persconferentie door het beeld liep omdat hij zijn groene kaplaarzen moest wegzetten. Aan de heerlijke roodharige uitbaatster van de kantine. Aan de kleine, met kermisgoud behangen trainer Cees Glas, die na elke gigantische nederlaag de term ‘leerproces’ hanteerde. Aan de toeschouwer, die de slechtst betaalde voetballers van Nederland vanaf de tribune uitschold voor ‘zakkenvullers’. Aan de feestelijke presentatie van een nieuwe hoofdsponsor, die stiekem allang surseance van betaling bleek te hebben aangevraagd. Aan Hans Kraay junior, die na een rode kaart de kleedkamerdeur intrapte – en later keurig betaalde. Ach ja, Telstar… De enige betaald-voetbalclub die ooit eens de tegenstander heeft moeten bellen om te zeggen dat de wedstrijd niet kon doorgaan omdat ze niet genoeg spelers op de been konden brengen. En wat er jongstleden januari gebeurde, was helemaal een klassieker. Tijdens de wedstrijd tegen VVV viel een van de vier lichtmasten uit. Die zou binnen twintig minuten gerepareerd moeten zijn, anders diende de arbiter het duel te staken en zou de thuisclub met puntenaftrek en een geldboete worden opgezadeld. Gelukkig zat supporter Gerrit de Rijk op de tribune, een storingsmonteur die met een schroevendraaier het stadion was binnengekomen. Want aan fouilleren doen ze niet bij Telstar. Om de wedstrijd te kunnen laten hervatten (en uitspelen), heeft De Rijk toen een uur lang in de elektraruimte gestaan, terwijl hij met die schroevendraaier de tijdklok ingedrukt hield. Telstar won met 1-0, heeft hij later vernomen.


Maar hoe hilarisch die momenten ook zijn, feit was dat Telstar krakend en kreunend op de ondergang afstevende. De club had niemand feitelijk meer iets te bieden: de spelers niet, de supporters niet en de sponsors niet. Op het laatst werden de overgebleven geldschieters ontvangen in een tweedehands keet die dienst deed als businesslounge en door een paar goedwillende clubmensen was opgehaald bij De Graafschap. Waarom de Achterhoekers ervan af wilden, werd duidelijk toen het plafond naar beneden kwam.

Armoede was altijd het grote kenmerk van Telstar. Schoonenberg, een stal waar de gemiddelde koe haar neus voor zou ophalen, was totaal ongeschikt voor het bedrijven van betaald voetbal, maar bijna nergens in Nederland kon je gezelliger van een beker bier genieten. Telstar is nooit gebukt gegaan onder zijn eigen pretenties, louter en alleen omdat die er nooit waren. Duidelijk was alleen wel dat de club het zo niet eeuwig zou volhouden.

En nu lijkt het tij dan toch te zijn gekeerd. Schoonenberg heeft een facelift van vijf miljoen ondergaan en heet met ingang van dit seizoen het Tata Steel Stadion. En daar gaat het meteen alweer charmant mis, want Tata is natuurlijk geen naam die ontzag inboezemt. Tata doet denken aan een van de meest onnozele liedjes uit het repertoire van André van Duin. “Ta tata… ta ta tata ta tata! Ta tata… tatatatatata! Tatatatatatatatata… tata tata ta tata! Ta tata… ta ta tata tata! Tatatatatatatataaaaaaaa!! Tatatatatatatataaaaaaaa!! Tatatatatatatataaaaaaaa!! Tatatatatatatataaaaaaaa!!!! Meneer en mevrouw Osseworst… Ta tata… etc.”


Maar goed, voor een douceurtje van vijf miljoen ben je natuurlijk wel bereid iets te slikken. Sterker: als je een officiële opening hebt gepland op vrijdag, ben je best genegen die naar woensdag te verplaatsen als dat de gulle gever, de Indiase multimiljonair Balasubramanian Muthuraman, beter uitkomt. De directeur van Tata Steel kan de opening van zijn eigen stadion zodoende koppelen aan een tussenstop op Schiphol, waarna hij snel weer voor zaken doorvliegt naar Londen.

Omdat het mooi weer is, veel mensen Telstar toch een warm hart toedragen én er de laatste jaren bar weinig, zeg maar gerust níets viel te vieren op het complex dat tot voor kort Schoonenberg heette, is het veld omzoomd door grote drommen toeschouwers. Dat veld is trouwens een verhaal apart. Ooit was het zó abominabel van kwaliteit dat hoofdtrainer Luc Nijholt verklaarde dat ‘de meeuwen er hun poten op breken’, thans heeft een lucratief samenwerkingsverband met AZ ertoe geleid dat er een mat ligt waarop zelfs Raymond Ceulemans wel een balletje zou willen stoten. Het genoegen is echter aan twee teams van oud-spelers, waarbij dient te worden aangetekend dat het voornamelijk mannen betreft die voorbij crematorium Driehuis al niet meer tot de verbeelding spreken. Geen Louis van Gaal dus, Frank Kramer of Ruud Geels. Ook geen Henk ten Cate, geen Cees van Kooten en zelfs geen Fred André. Wél van de partij: doelman Paul van der Meeren, die ondanks zijn 65 jaar nog gestrekt naar de hoek weet te gaan, de oude Frans van Essen (61), de nog oudere Leen van der Lugt (69), de fijnbesnaarde technicus Sander Oostrom (42), die in vele buitenlandse competities furore had kunnen maken maar om onverklaarbare redenen acht jaar op Schoonenberg is blijven plakken, en Fred Bischot (61), die in 1979 landelijke bekendheid vergaarde toen er tijdens een uitwedstrijd tegen FC Groningen ineens een mes langs zijn hoofd zoefde. De teams staan onder leiding van Co Stout (60), een voetbalplaatjesheld wiens slapen vroeger dichter begroeid waren dan de binnenlanden van Borneo, en Jaap Zwaan (64), die de indruk wekt het voetbal alleen nog maar vanuit de kroeg te volgen. Hoe de twee keer 12 minuten eindigen is volstrekt onduidelijk; waarom een van de spelers halverwege de eerste helft het veld verlaat en niet wordt vervangen al evenzeer. In elk geval pleit commentator Leo Driessen halverwege voor een wissel zonder rust. “Want anders komen de meesten niet meer op gang.”


Op de zonovergoten tribune kijkt Heinz Stuy (64) grijnzend naar de verrichtingen van zijn generatiegenoten. Stuy, nog altijd de meest succesvolle doelverdediger uit de geschiedenis van de Europacup I (drie finales op rij, met Ajax, zonder ook maar één goal tegen), heeft tegenwoordig volop tijd om zich bij zijn ouwe cluppie te laten zien. Jarenlang runde hij in de slagschaduw van het stadion bistro La Provence, alwaar hij de beste saté van Noord-Holland serveerde. Ouderwets ambachtelijk vakwerk in een dito zaak. Heinz met een koksmuts tussen de koperen pannen zien excelleren was altijd een feest. Maar: geen moderne fratsen in zijn toko! Als je het waagde om bij hem een cappuccino te bestellen, beet hij je toe: “Geen flauwekul, gewoon koffie!” Ooit noemde ik hem gekscherend ‘Heinz Kroket’ en trok hij me bijna over de bar heen, maar vele eetbeurten later waren we dikke vrienden – met de nadruk op dik. En vandaag zit die levende legende, die zijn eetgelegenheid in 2007 van de hand deed, op een kuipstoeltje te kijken naar het geploeter van een stel oude mannen, die met roodaangelopen hoofd de 24 minuten volmaken.

En dan is het tijd voor het moment waarvoor meneer Muthuraman naar de IJmond is gekomen. Er wordt wat aan touwtjes getrokken en vervolgens gaat de gehele nieuwe tribune schuil achter een doek met de naam ‘Tata Steel Stadion’. Waar je normaal gesproken bij een onthulling een doek ergens vanaf haalt, doen ze het hier dus precies andersom. Helemaal op z’n Telstars. Er struinen wat jongens en meisjes verkleed als witte leeuw over het veld, en er zijn mooie woorden van de hoogwaardigheidsbekleders. Algemeen directeur Pieter de Waard, die zich in de presentatiegids al van zijn lolligste kant heeft laten zien (uit zijn voorwoord over de verworvenheden in het nieuwe stadion: “De jongens krijgen een prachtige kleedkamer met douchekoppen die het doen en altijd blijven doen”), herhaalt zijn vondst dat Telstar ‘de enige bvo is met twintig letters’. Een hap adem en dan, uit volle borst: “Telstarrrrrrrrrrrrrr!!!” In het verlengde daarvan heet de officiële website ook, ongelogen, www.telstarrrrrrrrrrrrrr.nl.


Een tribune van vijf miljoen met een meer dan levensgroot, in de glazen pui gegraveerd clublogo, een spelershome vol verchroomde zitmeubels met roze (!) bekleding en een grasmat die beter is geschoren dan de kin van George Michael: is dit mijn Telstar nog wel? Ja, blijkt als namens de gemeente Velsen wethouder Karel Ockeloen een cadeau aanbiedt en woorden spreekt die je bij Real Madrid of AC Milan toch niet gauw zult horen. “Ik wist dat een tafeltennistafel hoog op het verlanglijstje van de spelers stond.”

Twee dagen later verliest Telstar ouderwets van Helmond Sport (1-4). André Krul en Erwin Koen moeten met een rode kaart voortijdig de kleedkamer opzoeken. Gelukkig treffen ze daar douchekoppen die het altijd doen.

Michiel Blijboom