Blues uit een boekje

De hegemonie van de generatie jazzgitaristen die opkwam in de jaren zeventig en zich vestigde in het decennium dat volgde, duurt nog onverminderd voort. De visionaire muziek van John Scofield, Bill Frisell en Pat Metheny, de drie grootste vernieuwers van het gitaaridioom, was zo allesoverheersend dat veel van hun volgelingen zich moesten schikken in een rol waarin creatief en intelligent epigonisme het hoogst haalbare bleek te zijn.

Met de komst van Kurt Rosenwinkel en, recentelijk, Julian Lage, lijkt de deur naar een nieuwe machtsorde op een kier te zijn komen staan. Lage, een protegé van vibrafonist Gary Burton – de man die overigens 35 jaar geleden ook Pat Metheny ontdekte – onderzoekt op het album Sounding Point de mogelijkheden van kamermuziekjazz in wisselende bezettingen. Die bezettingen zijn, bijvoorbeeld met banjospeler Béla Fleck, verrassend anders dan we gewend zijn in de jazz. In stukken als Lil’ Darling, bekend geworden door Count Basie, en All Blues (Miles Davis) toont Lage zich op een inventieve manier voorstander van een samengaan van traditie en vernieuwing. Hoewel hij een knap gitarist is, klinken zijn improvisaties soms wat academisch en speelt hij de blues eerder uit een boekje dan vanuit zijn ziel. En dat is een verwijt dat John Scofield en zijn tijdgenoten bepaald niet gemaakt kan worden. Ruud Meijer

import muziek