De derde Kennedy

In alle beschouwingen naar aanleiding van het overlijden van Edward (Ted) Kennedy werd verwezen naar het Chappaquiddick-incident uit juli 1969. Als de jongste van de Kennedy-broers toen niet rond middernacht na een feestje met zijn auto in het water was gereden, als de aantrekkelijke campagnemedewerkster Mary Jo Kopechne toen niet was verdronken, en als Ted zelf de politie eerder van het fatale ongeluk op de hoogte had gesteld, dan had het anders kunnen lopen. Zulke momenten horen bij de Kennedy-mystiek. Wat als John niet in 1963 was vermoord en Robert niet in 1968? We zullen het nooit weten, waardoor al diegenen die met de Kennedy’s hun hoop op een betere wereld hadden gesteld, konden blijven doordromen.

‘Chappaquiddick’ heeft de reputatie van Ted zeker schade berokkend. Maar de suggestie dat hij zonder dat ongeluk president had kunnen worden, negeert het feit dat ‘het andere Amerika’ waarvoor de Kennedy’s zich sterk maakten, nooit op een meerderheid kon rekenen en dat Ted waarschijnlijk ook de capaciteiten miste om in de voetsporen van zijn fameuze broer John te treden. Dat is geen schande, en het is goed dat Ted het in 1980 toch heeft geprobeerd. Hij kon toen niet uitleggen waarom hij president wilde worden, wat tegelijk de nuttige wetenschap opleverde dat er in Amerika ondanks al het gepraat over de ‘dynastie’ die de familie Kennedy zou zijn geen geboorterecht op het presidentschap bestaat. In de voorverkiezingen ging hij ten onder tegen Jimmy Carter, de zittende president, die op zijn beurt uit het Witte Huis werd weggespoeld door Ronald Reagan. The rest is history.

Toch is (vooral in Europa) de mythe blijven voortleven dat de wereld beter af was geweest met een Kennedy aan het roer, een idee dat versterkt is doordat de familie Bush – die twaalf jaar in het Witte Huis heeft gezeten – zo’n dorre indruk maakte. Maar Amerika is groter dan Massachusetts, thuisbasis van de Kennedy’s, en de elitaire Boston liberals werden in de rest van het land gewantrouwd. Wel bleef de activistenbasis van de Democraten gevoelig voor de symboolkracht van de Kennedy’s, die in de strijd voor burgerrechten en sociale wetgeving vooropliepen. De hunkering naar een ‘tweede Kennedy’ was groot, en we hebben er vele incarnaties van gezien, met de stijve John Kerry als grootste flop. Maar de echte tweede Kennedy (Bobby) stierf al in 1968, ook het jaar waarin Martin Luther King werd vermoord, de Amerikaanse ‘tegencultuur’ zichzelf opblies, en Richard Nixon alsnog het Witte Huis veroverde (dat hij in 1960 op een haar na had gemist).


Achteraf kan alleen maar worden gesteld dat het presidentschap van ‘JFK’ een historische toevalligheid was en dat de Democraten de laatste halve eeuw weinig hebben klaargemaakt. Zij wonnen soms verkiezingen, maar de ‘zwijgende meerderheid’ neigde naar Republikeinse law and order, en na 1980 was het ook met het Democratische geloof in overheidsoplossingen gedaan. Dat zegt iets over de zwakte van links in Amerika, dat nooit socialisme heeft gekend en het moest hebben van knalharde vakbonden en rijke patriciërs als de Kennedy’s, die zéér Amerikaans en patriottisch waren waar links dat juist niet was. Binnen die zwakte van links krijgt het optreden van de ‘derde Kennedy’ meer cachet. Als ‘Uncle Ted’ groeide hij uit tot troostrijk leider van de familieclan (ook een soort presidentschap, en een zware taak gezien alle tragedies), en binnen de Senaat groeide zijn reputatie als politieke ‘dealmaker’ die met vriend en vijand zaken deed en zijn stempel op talloze wetten drukte. Als peetvader van de liberals hield hij links Amerika op de kaart. Geen kleinigheid, want veel Democraten hebben het nooit kunnen verkroppen dat hun partij de tweede viool moest spelen.

Er was een derde Kennedy – die gewend was in de schaduw te staan – voor nodig om daarmee te leren leven.

Echt gelukt is dat nooit; een Bill Clinton moest altijd op de voorgrond staan. Maar de meest succesvolle van alle Kennedy-opvolgers begreep ook dat er compromissen moesten worden gesloten om in Washington te overleven. Van Clinton weten we ook dat een leugen meer of minder of een buitenechtelijke uitglijer niet fataal hoeft te zijn. Daarom moet de betekenis van ‘Chappaquiddick’ niet worden overdreven; het heeft de carrière van Ted, met steeds die geur van drank en vrouwen om zich heen, niet in de weg gestaan. Integendeel, de vele plooien in zijn gezicht maakten hem menselijker en rijper, en zorgden ervoor dat hij zich in de Senaat – geen plaats voor heiligen – als een vis in het water voelde. Barack Obama zal het in zijn streven een ziektekostenverzekering voor alle Amerikanen in te voeren zonder het politieke handwerk van de derde Kennedy moeten doen. Het wegvallen van Ted biedt tevens een alibi als dat toch weer niet lukt.

import dirk jan van baar