Muzikale bedevaart

De geest van The Beatles heeft Liverpool nooit verlaten. De vele bekenden van de muzikanten leveren ooggetuigenverslagen op verzoek. ‘Ik was erbij toen John en Paul aan elkaar werden voorgesteld. En Paul had géén gitaar bij zich!’

‘Daar in de hoek stond een trap,” zegt Dave Peters op fluistertoon, “en dáár is het gebeurd!” Zijn ogen lijken vuur te spuwen. “Laat niemand je ooit iets anders wijsmaken, want ík was erbij! Het was dáár, in die hoek!” We staan in het nagenoeg lege parochiezaaltje van de St. Peter’s Church in Woolton, een lommerrijke wijk in Liverpool en Peters wil me iets laten zien dat er niet meer is. Een houten trappetje naar een podiumpje dat ook allang is verdwenen. Peters, sinds jaar en dag vrijwilliger in de parochie, mag graag dramatiseren, maar dat is niet de reden dat hij fluistert. Hij lijdt aan keelkanker en heeft niet lang meer te leven.

Maar met de spaarzame hoeveelheid adem die hem nog vergund is, wil hij de blijde boodschap blijven verkondigen. Want hij was erbij, op 6 juli 1957, toen de kerk een tuinfeest organiseerde om de eigen kas te spekken. Hij opent een kopie van het gestencilde programmaboekje en laat me de activiteiten van die dag zien. Om drie uur werd Miss Sally Wright gekroond tot Rose Queen. “Very English tradition,” fluistert Peters. Om kwart over vijf was er een demonstratie van de City of Liverpool Police Dogs. “Veeeeeery English!!” zegt Peters, helaas zonder tot stemverheffing te kunnen komen.

En dan wijst hij op de activiteiten vóór en na de politiehondenshow. Om kwart over vier en om kwart voor zes waren er optredens van The Quarry Men Skiffle Group, een bandje van buurtjongens onder aanvoering van ene John Lennon (17). Om tien voor zeven, na afloop van de tweede set, werd deze gitaarspelende knaap door een kennis voorgesteld aan een vijftienjarige jongen die Paul McCartney heette. “De belangrijkste ontmoeting in de muziekgeschiedenis,” fluistert Peters. “En ik was erbij!”Hij neemt me mee naar een wand aan de lange zijde van het zaaltje. Naast een kindertekening van Lennon een gele walvis met daarnaast een stuk papier met de vraag ‘Was dit de voorloper van de Yellow Submarine?’ hangt een schilderij, een artist’s impression van Het Moment. Klopt niets van, volgens Peters. “Eén: Paul had geen gitaar bij zich! Twee: de ontmoeting was op de trap! Drie: de piano stond op het toneel! Vier: Rod Davies van de Quarry Men staat er niet op!” En dan nog een keer, om het af te ronden: “Believe me, I was there.”


Geen enkele band die de gemoederen nu al zó lang en zó intensief bezighoudt als The Beatles. Hoewel het bijna veertig jaar geleden is dat John, Paul, George en die trommelaar ieder huns weegs gingen, is de groep die ze van 1962 tot 1970 vormden geen moment uit het brandpunt van de belangstelling geweest. En eens in de zoveel tijd laait de aandacht ineens weer op en woedt het heilige vuur wereldwijd, alsof het weer 1967 is. Met dank aan de platenmaatschappij, die er telkens weer in slaagt om iets nieuws op te dienen terwijl er strikt genomen al vier decennia lang niets nieuws meer is gebakken! Na de voedzame Anthology-maaltijd (1995-1996), het licht verteerbare tussendoortje Let It Be Naked (2003) en de smakelijke stamppot Love (2007) is er nu het pièce de résistance: alle albums van de groep geheel geremastered en geserveerd in een luxe verzamelbox. Als de spreekwoordelijke warme broodjes zullen ze de winkels uit vliegen, daar hoef je bij geen enkele bookmaker op in te zetten.De geest van The Beatles heeft hun geboorteplaats Liverpool nooit verlaten. Al vanaf het moment dat je op John Lennon Airport landt en op weg naar de taxi een grote gele onderzeeër passeert, weet je waar het in deze fantastische havenstad a priori om draait. Het jaarlijkse Beatles Festival, traditiegetrouw in het laatste weekend van augustus, trekt anno 2009 zelfs een recordaantal van 300.000 belangstellenden. Meer dan een kwart miljoen mensen die zoveel jaar na dato nog altijd in de ban zijn van vier lokale helden, van wie er twee inmiddels al niet meer lijfelijk onder ons zijn: voorwaar een prestatie van ongekend formaat.

Strikt genomen is het programma van zo’n festival elk jaar hetzelfde. Er is een tweedaagse conventie in het beroemde Adelphi Hotel. Daar vindt ook een beurs plaats waar altijd weer door dezelfde mensen op dezelfde plekken dezelfde handel aan dezelfde man wordt gebracht (of niet, want een tweedehands George Harrison-maskertje voor 335 pond is natuurlijk flink aan de prijs zeker als het ding ook nog stuk is). En elk jaar staat voormalig manager Allan Williams er zijn blunders uit het verleden te gelde te maken. Na een ruzie over een paar tientjes besloot hij de jongens in 1961 te laten vallen. “Zonder mij komen jullie nooit meer ergens aan de bak!” schijnt hij daarbij nog geroepen te hebben.


Tijdens de beurs de term ‘vlooienmarkt’ gebruik je niet in relatie tot The Beatles verkoopt en signeert Williams, die ook met zijn zatte kop nog eens een aantal unieke studio-opnamen van de groep is kwijtgeraakt, jaar in jaar uit zijn biografie, toepasselijk The Fool On The Hill geheten. Een deel van de opbrengst brengt hij onmiddellijk naar The Grapes Pub, een voormalige stamkroeg van de jongens in Mathew Street, waar een tijdgenoot van hem, Sam Leach, in de ochtenduren domicilie houdt en aan iedereen die het horen wil vertelt dat hij de eerste promotor van The Beatles was. En dat Paul McCartney hem nog altijd herkent. Staat allemaal in zíjn boek, dat je uiteraard ter plekke kunt kopen.

Maar het zijn niet alleen oude mannen die zich tot de groep voelen aangetrokken. Een van de hoogtepunten van het festival van 2009, waar meer dan vijftig Beatles-acts zich over het repertoire van de Fab4 buigen, is de aanwezigheid van The Blue Margarets, vier Japanse meisjes die met aanstekelijk enthousiasme werk uit de beginjaren van de band ten gehore brengen. In de vermaarde Cavern Club (nou vooruit: de uit de originele bakstenen opgetrokken replica van deze heilige plek) laten Sam (John), Moomin (Paul), Satomi (George) en Yuka (Ringo) het collectieve zweet van de muren kletteren. Dat vochtverlies vul je vervolgens tot in de kleine uurtjes aan, hetzij in The Grapes, hetzij in de Lennon’s Bar, hetzij in The Empire, waar de bijna zestigjarige eigenares voor de gelegenheid haar sixtiesmini-jurk uit de mottenballen heeft gehaald.

Daags na het festival rij ik in de taxi van Jay Johnson over Penny Lane, de smalle straat in de wijk Mossley Hill die door de gelijknamige Beatles-song wereldberoemd is geworden. Al dient daar een kleine kanttekening bij te worden geplaatst, want ‘the barber showing photographs of every head he’s had the pleasure to know’ en ‘the shelter in the middle of a roundabout’ waar ‘the pretty nurse is selling poppies from a tray’, waarover Paul McCartney zo liefdevol zong, bevonden zich in werkelijkheid op Smithdown Place, het pleintje waar Penny Lane op uitkomt. Maar ‘Smithdown Place/is in my ears/and in my eyes’ klinkt natuurlijk voor geen meter, dat had de gelouterde songsmid McCartney meteen al door. Sinds die tijd is het straatnaambordje van Penny Lane dusdanig vaak gestolen, dat de gemeente uiteindelijk maar besloot het op de muur te laten schilderen.


Johnson werkt voor een van de vele bedrijfjes die binnenen buitenlandse bezoekers met-niet aflatend enthousiasme langs plekken voeren die belangrijk waren in het leven van Liverpools beroemdste zonen. Wie de bushalte wil zien waarnaar Johns moeder op weg was toen ze werd doodgereden door een dronken politieman, het ernstig gehavende hek van Strawberry Field (inderdaad: géén s!) in zijn knuist wil houden, de kathedraal wil uitlachen waar Paul van het jongenskoor werd gestuurd omdat hij ‘niet muzikaal genoeg’ was of nog één keer tegen het dichtgetimmerde krot wil leunen waar Ringo ter wereld kwam voor het definitief tegen de vlakte gaat, boekt een magical mystery tour down memory ánd Penny Lane.

Johnson, een broer van de zanger van, zoals hij het zelf zegt, ‘de op één na beste band die Liverpool heeft voortgebracht’ (bedoeld wordt Frankie Goes To Hollywood) scheurt in zijn black cab langs de ene historische plek na de andere, onderwijl het dorpse karakter benadrukkend van Liverpool, waar iedereen alles van iedereen weet. “Hier op nummer 9 in Newcastle Road is John verwekt. En niet boven, in de slaapkamer, maar beneden, in de hal!” En: “George woonde in een huis zonder wc en moest naar buiten om te plassen.” Maar soms letten de ‘dorpelingen’ even niet goed op. Johnson: “Na de recente MTV-awards is Paul samen met Bono van U2 naar zijn ouderlijk huis in Forthlin Road gereden. Toen ze daar aankwamen, was de huidige bewoner er nog niet, dus toen hebben die twee een uur lang in de auto zitten wachten. Je had je ogen toch niet geloofd, als je toevallig een blik in die wagen had geworpen?”


Johnson is een pro-actieve gids, want onlangs maakte hij zich persoonlijk sterk voor een opknapbeurt van een van de bezienswaardigheden waar hij zijn klanten mee naartoe sleept. Samen met Dave Peters, De Man Die Erbij Was Toen John En Paul Elkaar Ontmoetten, heeft hij geld opgehaald voor de restauratie van het graf van Eleanor Rigby, de eenzame vrouw die op het kerkhof van St. Peter’s begraven ligt en over wie The Beatles een van hun allermooiste songs maakten. Al heeft geestelijk vader Paul McCartney meer dan eens laten weten dat hij voor die titel de voornaam van een actrice en de achternaam van een drankhandelaar uit Bristol heeft gebruikt. Maar zoals zo vaak geldt hier: don’t let the facts ruin a good and, vooral, lucrative story.

Want The Beatles zijn nog steeds handel. Wat heet: John, Paul, George en, vooruit, Ringo zijn de drieënhalve kurk waarop bijna de gehele toeristenindustrie van Liverpool drijft. Dat de jongens daarvoor een standbeeld hebben verdiend is een understatement, maar uitgerekend dát is nou weer slecht geregeld. In de Cavern Walks, een overdekte winkelgalerij waar ook sandwichshop Lucy In The Sky With Diamonds is gevestigd, staan vier bronzen bietels die zó slecht lijken dat Mike McCartney zich bij de onthulling ervan zonder al te veel ironie afvroeg welke van de vier zijn broer Paul moest voorstellen. Schuin tegenover de ingang van het winkelcentrumpje leunt, tegen de Wall of Fame van The Cavern Pub, een bronzen afgietsel van John Lennon. Ook een beeld met kopzorgen letterlijk! Nadat onverlaten ooit het hoofd hadden gestolen is er een nieuw op gezet, maar dat exemplaar is veel te groot ten opzichte van het lichaam. Om de hoek, in de drukke North John Street, zijn aan de gevel van het statige Hard Day’s Night Hotel (een themahotel met als pronkstuk de Lennon Suite, waar je naast een bed de beschikking hebt over een witte vleugel) vier afbeeldingen van de muzikanten aangebracht. De mannen staan te hoog om vanaf de straat goed te kunnen zien hoe de kwaliteit is, maar met een beetje turen krijg je al sterk het vermoeden dat hier geen Michelangelo aan het werk is geweest. Wat heet: Paul McCartney lijkt op de Nederlandse zanger Thomas Berge! Eigenlijk is het beeld van John in de hal van het naar hem genoemde vliegveld het enige dat een dikke voldoende scoort. Jammer alleen dat ze daar de bril van z’n neus hebben gesloopt. Misschien moet die er voortaan maar op worden geschilderd, net zoals ze met het bordje van Penny Lane hebben gedaan.

tekst en foto's Michiel Blijboom