Tieners zaken

Ondernemingslust is niet leeftijdgebonden. Een online-brillenwinkel, een supermarkt, een handel in autootjes: alle drie gestart en bestierd door een tiener. Voor de omgeving is dat vaak gek: ‘Veel vrienden snapten niet waarom ik niet twee keer per week kansloos mee ging zuipen in de kroeg.’

Ondernemen is hip onder jongeren. Het afgelopen half jaar schreven zich 1561 ondernemers onder de twintig jaar in bij de Kamer van Koophandel. In heel 2007 waren dat er 1600. Een opvallende stijging dus en dat ondanks de crisis. Ook Daan Koek, een 23-jarige masterstudent entrepreneurship aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit viel de stijging begin dit jaar op. Het succes verbaast hem, temeer omdat de literatuur dit fenomeen juist tegenspreekt. “Daaruit blijkt dat veel werkervaring, een groot sociaal netwerk en het nodige kapitaal een must zijn om als ondernemer te slagen zaken waarover een jonge ondernemer niet beschikt.” Koek, die bezig is met zijn afstudeeronderzoek naar dit fenomeen, denkt dat de stijging vooral te maken heeft met de creativiteit van de jongeren zelf en het laagdrempelige niveau van internet. “Een website bouw je al voor zo’n drieduizend euro, dan kun je in principe al starten met je bedrijf.” Ook speelt volgens hem de familie een belangrijke rol. “Ondernemende ouders zijn voor jongeren een stimulerende factor. Dat meisje van de succesvolle online-winkel Hip voor de Heb (Fleur Kriegsman red.) heeft een vader die de site Stageplaza heeft opgezet.”

Het zijn vaststellingen die opgaan voor het succesverhaal van de negentienjarige ondernemer Bernd Damme uit het Gelderse Kesteren. “Behalve die laatste.” Damme hamert erop alles in zijn online-zonnebrillenwinkel zelf gedaan te hebben. Hij stapte dan ook op zijn zestiende naar de rechter voor het verkrijgen van een handlichting. Die heb je als minderjarige nodig om je te kunnen registreren bij de Kamer van Koophandel. “Ik wilde niet dat mijn ouders eigenaar van mijn bedrijf zouden worden,” zegt hij zelfbewust. Maar sinds zijn compagnon er in 2007 de brui aan gaf, is het wel zijn moeder die wekelijks de administratie doet. Een samenwerking die Damme soms met lede ogen aanziet. “Mijn moeder koppelt vaak privézaken en werk. Als ik bijvoorbeeld mijn kamer niet heb opgeruimd, verbindt ze dat gelijk aan een factuur die ik vergeten ben.” Bovendien is moeder het ook niet eens met het salaris dat ze van haar ‘baas’ krijgt. “In de vakantie klaagde ze ineens dat ik haar te weinig betaal. Het is inderdaad minder dan het minimuminkomen, maar dat wilde ze zelf.”


Drie jaar geleden bedacht hij het concept voor zijn Eye-wear.nl. Een bijbaantje bij Albert Heijn zag hij niet zitten en in de optiekzaak van zijn vader mocht hij, eigenwijze tiener die hij was, niet aan de slag. “Mijn vader was bang dat ik het personeel zou gaan vertellen wat ze beter konden doen.” Dammes onderneming is nu marktleider in Nederland; vorig jaar bedroeg de totale omzet 200.000 euro. Als klap op de vuurpijl wist hij met brillenmerk Rodenstock een grote deal met autofabrikant Porsche binnen te halen. Gevolg: in juni opende hij, met een aantal andere partners, de eerste Porsche Design Shop van Nederland, in Heteren.

“Soms zit je achter Google, krijg je een ingeving en tik je gewoon wat in,” vertelt hij laconiek over de totstandkoming van Eye-wear.nl. Hij zag dat er aan de bestaande online-zonnebrillenwinkels een hoop mankeerde. “Of ze boden nepproducten aan, of de sites zagen er niet uit.” De eigenwillige tiener vond dat hij dat beter kon. Tijdens zijn zomervakantie in Zwitserland tikte hij op twee A4’tjes zijn concept uit en ging hij aan de slag. Met zijn gespaarde zakcentjes en de winst die hij uit een paar aandelen vooral TomTom had weten te cashen, financierde hij zijn eerste website. Het ging hem niet meteen voor de wind zijn leeftijd speelde hem parten. “De grote importeurs van de duurdere merken keken me aan met een blik van: wie denk jij wel niet dat je bent?” Hoewel Damme als zoon van een opticien een bekend gezicht op de beurzen was, geloofde aanvankelijk niemand in zijn concept. “Deze branche is heel conservatief; ze doen nog bijna niks met internet.” Dat het hem uiteindelijk toch gelukt is, heeft hij naar eigen zeggen niet aan de contacten, kennis of financiën van zijn ondernemende vader te danken. “Ik kan beter netwerken dan hij,” verklaart hij stellig. Papa’s lening van twintigduizend euro uit 2007 was bovendien een strikt zakelijke afspraak. “Ieder kwartaal los ik een gedeelte af.”


Damme heeft grote plannen: binnen vijf jaar wil hij met Eye-wear.nl Europees marktleider zijn. Zijn jonge leeftijd ziet hij niet als een probleem. “Uiteindelijk gaat het om je gezamenlijke passie voor het ondernemerschap.” Die passie werd op zijn middelbare school niet door iedereen begrepen. “Veel vrienden snapten niet waarom ik niet twee keer per week kansloos mee ging zuipen in de kroeg.” Dammes sociale Umfeld bestaat nu deels uit oudere vrienden, vooral ondernemers. Ambitieuze vrienden die net als hij hun dromen nastreven.

“Want een droom moet je blijven voeden,” zegt hij wijs. Volgens Damme belandt de droom van veel ondernemers gaandeweg in de kast ze passen hem aan, maken hem steeds kleiner. Dat past niet bij de jonge ondernemers van nu. “Ik ga bijvoorbeeld niet zelf in de winkel staan om brillen af te passen. Ik voeg meer toe op andere terreinen.” Groot denken en snel je doel willen bereiken, dat is volgens Damme de kracht van de jonge ondernemer. “Er zat bijvoorbeeld maar een half jaar tussen het idee voor de Porsche Design Shop en de realisatie.” Bovendien heeft een jongere volgens Damme niks te verliezen hoogstens zijn eer. “Jonge ondernemers hebben geen zware opleiding of kapitalen. Daarnaast zijn ze niet bang om naar hun zolderkamertje terug te keren als het misgaat.”

Naast zijn gemiddeld tachtigurige werkweek studeert Damme ook voltijds aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar hij met twee andere jonge ondernemers een appartement deelt. Zijn bedrijf maakt dat hij weleens colleges moet skippen en tentamens missen. Extra studiepunten wegens zijn ondernemerschap? “Nee. Het interesseert de universiteit geen klap.” Volgens Damme slaan de universiteiten de plank mis met hun goede bedoelingen het ondernemerschap onder studenten te bevorderen. “HOPE (Holland Program on Entrepreneurship red.) dat de universiteiten in Zuid-Holland met elkaar gesloten hebben, is één grote grap. Als student merk je niks van die miljoeneninvesteringen. Bovendien vind ik het belachelijk dat ik wel word uitgenodigd om te speechen op de Haagse Hogeschool, terwijl mijn eigen universiteit geen enkele belangstelling voor me heeft.” Ook stoort hij zich aan de wannabe’s op de universiteit studenten die bijvoorbeeld een uitvinding in de markt hebben gezet en dan tot ondernemer worden gekroond. “Jong ondernemerschap is meer dan een groepje studenten dat wat aankloot.” Volgens hem trekken de succesvolle en serieuze jongeren zich zodoende terug uit de studentenbusinessclubs en de netwerkorganisaties die de universiteit in het leven roept. Het stoort hem dat er geen platform is voor serieuze jonge ondernemers. “We zijn allemaal losse individuen die ineens opduiken als ze succesvol zijn, maar er ontbreekt iets structureels.”


Zou de universiteit dat uiteindelijk ook vinden? Twee weken later laat Damme weten dat hij is gevraagd om een gastcollege te geven in Rotterdam. Ook gaat hij meedenken over ondernemerschap in de academische wereld.

Naomi Gelderblom (16) uit Driebruggen (Zuid-Holland) was een ondernemer waar de media het afgelopen jaar bovenop doken. Na haar vmbo-examen werd ze eigenaar van de bakkerij waar ze al twee jaar als hulpkracht werkte. Een uitdaging die de scholiere wel zag zitten. “Het risico was laag, de winkel een huurpand en veel voorraad is voor een bakkerij niet nodig.”

Ook Gelderblom vroeg om handlichting bij de rechtbank. Voor het kapitaal ging ze naar de bank, die het haar aanvankelijk knap lastig maakte. “Ze zien je als risicogeval, wat ik hartstikke dom vind. Ik woon nog bij mijn ouders, heb nul privékosten. Waar kan het dan misgaan?” Toen ze anderhalf jaar later ook een buurtsuper overnam, werd de media-aandacht haar te veel. “Er waren dagen bij dat ik niet eens meer aan mijn normale werk toe kwam.” Dat iedereen alles van haar wilde weten, stoorde haar ook. “Mijn jaaromzet gaat niemand wat aan, dat is gewoon privé.”

De overname van de supermarkt vond de tiener een grote stap. Vooral omdat ze het gevoel had dat niet iedereen haar als bedrijfsleider accepteerde. “In het begin dacht ik dat iedereen een loopje met me probeerde te nemen vertegenwoordigers die me dingen wilden aansmeren, leveranciers die niet geloofden dat ik de eigenaar was.” Gelderblom kan zich nog goed herinneren dat er een keer een koekleverancier binnenkwam die aankondigde dat hij hier de koekjes zou gaan verkopen. “Toen zei ik: ‘Nou, dan is daar het gat van de deur.'” Gelderblom heeft moeten leren om van zich af te bijten. “Dat kan ook niet anders; je kunt niet soft zijn en een bedrijf leiden.” Toch merkt ze wel dat er op een meisje anders gereageerd wordt; bijvoorbeeld aan de onderhandelingstafel. “Daar behandelen ze je dan wel met meer respect.” Respect krijgt ze ook van haar personeel. “In heel veel gevallen ben ik net zo goed collega als baas. Ik kan bijvoorbeeld heel goed met een meisje van zestien opschieten; dan kletsen we over jongens en dat soort dingen.” Desondanks heeft Gelderblom in het begin wel duidelijk haar grenzen aangegeven. “Ik ben Naomi en het gebeurt zoals ik het wil. Klaar.”


Binnenkort wordt het gehele pand afgebroken en komt er een nieuw voor in de plaats. Dat plan lag er al en was voor Gelderblom destijds de doorslaggevende factor voor de overname. Haar bakkerij is inmiddels in de buurtsuper geïntegreerd, waardoor tijd ‘overbleef’ voor de overname van een andere bakkerij, in Waarder. “Als ondernemer ben je nooit uitgewerkt,” lacht ze. Ondanks haar werkweek van zeventig uur probeert ze wel tijd voor zichzelf vrij te houden. “Ik heb een poosje zes dagen per week gewerkt. Uiteindelijk kon je me opvegen.” Toch is ze voor die zware momenten enorm dankbaar. Volgens haar is juist die extra weerstand de grote kracht van de jonge ondernemer vooral in tijden ‘dat je op je bek gaat’. “Ik heb me bijvoorbeeld weleens door een verkoper om laten lullen om hoofdkussens te kopen. In het begin verkocht dat aardig, later niet meer. Toen vroeg ik me wel af hoe ik die dingen weer kwijt moest raken.”

Gelderblom heeft het ondernemerschap niet van een vreemde. Haar ouders hebben een slagerijketen en ook haar broer is ondernemer. Dat is te merken in huize Gelderblom: “Aan tafel bespreken we altijd eerst hoeveel iedereen verkocht heeft.” Gelderblom beseft dat ze door haar ondernemingsgezinde familie een streepje voor heeft op anderen. “Maar dat ondernemersgen heb je gewoon nodig. Je kunt niet naar school gaan om ondernemer te worden.”

Die opvatting is geheel naar Robbin Robijns oren. De zestienjarige eigenaar van RR Minicars BV uit het Drentse dorpje De Kiel verruilde vorig jaar de schoolbanken voor zijn onderneming. Hij kreeg toestemming van de leerplichtambtenaar en burgemeester en wethouders om de middelbare school te verlaten. In plaats van een diploma heeft hij een handlichting en een onderneming in autootjes waar je vanaf je zestiende in mag rijden, maximaal 45 kilometer per uur. De jaaromzet bedraagt zo’n 600.000 euro. Terwijl zijn moeder de showroom stofzuigt, waar zo’n zeventig brommobielen staan, vertelt Robijn over zijn leven. “Ik was altijd al ondernemend van geest. Vanaf mijn negende hou ik me bezig met handeltjes. Dan kocht ik bijvoorbeeld veertig à vijftig kippen op en maakte daar mooie setjes van om door te verkopen.” Ook internet struinde hij veelvuldig af, op zoek naar koopwaar. Dat de koop van een brommobiel tot zo’n welvarend bedrijf uit zou groeien, had hij nooit durven dromen. Zijn eerste minicar kocht hij voor tweeduizend euro van mensen een eindje verderop in de straat voor de grap. Dat geld had hij van zijn vorige handeltjes.


Door zijn ondernemingsdrang is Robijn nu nummer één in zijn branche. Hij verkoopt gemiddeld zo’n twintig brommobielen per maand en heeft twee monteurs en een autopoetser in dienst. Hij is leverancier van vijf merken. Bij zijn eerste deal, met het merk Ligier, heeft hij het niet eens over zijn leeftijd gehad. “Ze staan daar niet raar tegenover; voor hen betekent het ook gewoon publiciteit.” Ook over de verstandhouding met zijn oudere werknemers blijft hij nuchter. “Waarom is dat raar? Of ze nou een baas hebben die oud is en zegt wat ze moeten doen, of een jong iemand.”

Verstand van auto’s had hij niet dat kreeg hij door zelf te sleutelen. Je kunt je voorstellen dat je als vijftienjarige andere dingen aan je hoofd hebt, maar Robijn niet. Zijn leven bestaat uit twee dingen: zijn bedrijf en zijn paardensport. Robijn is ook internationaal springruiter. Al met al paste school dus eigenlijk niet meer in zijn leven. “Tijdens de les ging mijn telefoon soms wel vijftig keer over, altijd was het een klant.” Op het toilet regelde hij dan zijn zaakjes; ophangen of later terugbellen wilde hij niet. “Ik moet dag en nacht voor mijn klanten bereikbaar zijn. Het is mijn bedrijf.” Zijn onderneming kwam dan ook als dé perfecte smoes om de schoolbanken te verlaten. “Ik vond school al nooit leuk, maar ik kon moeilijk zeggen dat ik niet meer zou gaan. Tot vorig jaar dus.” Zijn klasgenoten wilden het niet geloven en waren jaloers. De school steunde hem nauwelijks in zijn plannen leraren zijn nooit komen kijken.

Op de vraag of hij een einzelgänger is, kijkt hij niet-begrijpend. O, of hij vaak op zichzelf is. “Nee, ik heb veel contact met klanten en importeurs, ga vaak naar beurzen. Ik ben niet eenzaam.” Maar met zo’n zware werkweek is er geen tijd voor vrienden. “Mijn hele leven bestaat uit minicars.” Jammer vindt hij dat niet. “Ik vind het juist leuk dat ik dit al op zo’n jonge leeftijd bereikt heb.” Andere jonge, succesvolle ondernemers kent Robijn niet, simpelweg omdat ze er volgens hem niet zijn. “Er zijn weinig kinderen die zo’n kans krijgen. Je moet ambitie hebben, een goed product vinden en iemand hebben die achter je staat.” En dat heeft Robijn: zijn ouders, beiden ook ondernemers, helpen hem waar ze maar kunnen. De prille zestienjarige blijft daar opvallend nuchter onder. Hij beaamt dat. “Het is normaal geworden, de euforie is weg.” Zijn kamer staat vol met luxe-artikelen een flatscreen-tv, gamecomputer, merkkleding. “Alles wat ik hebben wil.” Toch ontbreekt er nog één ding: zijn rijbewijs. En dan opeens, terwijl hij fantaseert over zijn toekomstige auto, is er een twinkeling in zijn ogen. “Het wordt een mooie luxe Mercedes, geen standaardauto en zeker weten geen oude bak.”

Door Simone Dekkers, foto's Sietske Raaijmakers