Uit het leven van Ton Diks

19. Waarin Don Diks, redacteur speciale projecten van het landelijke dagblad De Tribune, zijn uitje in Antwerpen afbreekt, huiswaarts keert en een onheilspellend sms’je ontvangt.

Na een onrustige nacht wilde de dag niet meer op gang komen. Don had tot half tien uitgeslapen, licht ontbeten in de ontbijtzaal van het Koning Boudewijn Hotel, en was daarna naar het Museum voor Schone Kunsten gewandeld, alwaar hij een tentoonstelling bezocht van pas afgestudeerde Vlaamse beeldhouwers. Don had wel iets met beeldhouwers, met werken met je blote handen en wroeten in steen, hout of aarde. Zelfs had hij ooit in Badhoevedorp, in het patronaat, een cursusje ‘werken met steen en hout’ willen volgen, maar reeds op de eerste avond dreef hij een beitel in het onderste deel van zijn rechterduim, waaruit het bloed werkelijk gutste. Sindsdien had hij zijn handvaardigheden verlegd naar de keuken, het huishouden en de tuin; Don vond het heerlijk om de vaat te wassen, te stofzuigen, en om te schoffelen. Maar het getoonde werk van de jonge beeldhouwers viel tegen het deed hem denken aan verroest huisraad dat schots en scheef stond en zijn maag knorde onophoudelijk.

Tegen lunchtijd besloot hij een broodje kaas te verorberen in het museumrestaurant, en daar knapte hij behoorlijk van op. Hij keek naar buiten, naar het krioelende verkeer, en vroeg zich af wat hij de rest van de dag zou gaan doen. In gedachten streepte hij de bekende bezienswaardigheden een voor een af, en kwam toen tot de slotsom dat hij het uitstapje net zo goed kon afbreken en huiswaarts kon keren. Misschien zou hij onderweg nog ergens stoppen en een motel in duiken of zo. Hij liep terug naar het hotel, checkte uit, en merkte tot zijn opluchting dat het woord ‘pay-tv’ op de rekening ontbrak, zoals de hotelmedewerker had beloofd, en dat de kosten daarvan onder de post ‘roomservice’ genoteerd stonden. De financiële directie, thuis, zijnde Eefke die de onhebbelijke gewoonte had ontwik-keld alle rekeningen op te vragen en te controleren, zou geen argwaan koesteren, hooguit de wenkbrauwen fronsen.


enmaal onderweg in zijn oude Volvo 440 luisterde Don op de radio naar een gesprek met een reclameman van ongeveer zijn leeftijd, die een zogeheten late roeping had gekregen. De man had vrouw, kroost en loopbaan verlaten voor de Heer, zoals hij steeds zei, en nu leefde hij als franciscaner monnik in een klooster, vlak bij Antwerpen. De nieuwe liefde kende een lange, warrige ontstaansgeschiedenis, maar zodra het gesprek over het dagelijks leven in het klooster ging, spitste Don zijn oren. Natuurlijk zag de man op tegen het karige leven, van maaltijden die uit niet meer bestonden dan water en brood, tegen de onthouding die van de kloosterlingen werd verlangd. Maar, bekende de reclamemonnik, hij had de maatschappelijke en commerciële aandacht voor de lust altijd al overdreven gevonden. “Bovendien is er een vol en rijk gevoel voor in de plaats gekomen,” vertelde hij, “dat het niveau van de drift overstijgt.”

Don wilde meer weten van dat gevoel, want misschien was het ook wel wat voor hem. In elk geval klonk het alsof het zijn leven een stuk rustiger en overzichtelijker zou maken. Maar de vragensteller vroeg er niet naar.

Gaandeweg het gesprek bekroop Don een gevoel van jaloezie. De man had tenminste iets gevonden waarmee een verschroeiende leegte, zoals hij het uitdrukte, was opgevuld. Met dat verhaal had hij ook zijn vertrek aan zijn vrouw en zijn gezin kunnen verkopen, zonder dat het tot geruzie en verwijten was gekomen. Zijn vrouw was zelfs blij voor hem geweest en ze had hem bij zijn intrek in het klooster nog geholpen. De kinderen waren volwassen en mochten regelmatig langskomen als ze wilden.


Net toen hij een beetje nijdig aan de knop van de radio draaide om een andere zender op te zetten, pruttelde zijn mobiele telefoon. Hij duwde zijn linkerknie omhoog, tegen de onderkant van het stuur, en hield zijn Volvo zo min of meer op koers. Met zijn vrije rechterhand opende hij het berichtje, dat was ondertekend met Zuut, de troetelnaam van collega Kick Zuthe, en las: BULLDOZER GAAT WEG. Het duurde even voordat het belletje rinkelde, maar toen het zover was, moest Don uit alle macht de handen weer aan het stuur houden. Bulldozer was de bijnaam van hoofdredacteur Dieter Corstjens, en die ging weg. Dat kon niet anders zijn, dacht Don meteen, dan het resultaat van het gesprek met uitgever Jurriaan van Billo, naar aanleiding van Dons optreden bij Vlegel & Van den Klink, waarbij Don tot op het bot getergd een glas rode wijn in het gezicht van de extreem-rechtse politicus Peer Tamstra had gegooid. Hij móest niet weg, maar hij ging, deduceerde Don, dus waarschijnlijk was er ruzie ontstaan doordat Corstjens weigerde excuses te maken of een rectificatie te plaatsen. Waarna hij zijn ontslag had aangeboden Don zag Corstjens ertoe in staat, want dat was geen man met een ruggegraat van rubber.

Jemig, wat erg. Corstjens had toch ook studerende kinderen, en nog niet zo lang geleden een huis gekocht, toen de markt het kookpunt had bereikt. En Marja, zijn vrouw, werkte niet. Dus hoe ging hij dat doen? Of was er een zak met geld aangeboden? Corstjens zou het bloedgeld noemen, en het niet willen aannemen.

Maar, dacht Don, werd er nu van hem verwacht dat hij loyaal moest zijn en eveneens zou opstappen?


Eefke zag hem aankomen. “Hang jij nu maar niet de held uit,” zou ze ongetwijfeld reageren, “want daar ligt het kerkhof vol mee.” Anderzijds zou het een geweldige uitkomst zijn: Don was solidair met de hoofdredacteur en maakte daarmee diepe indruk op de collega’s, op Lousewies. En dan was hij meteen verlost van de krant, de dagelijkse sleur. Hij zou een uitkering aanvragen en de tijd benutten om het er eens goed van nemen.

“Was het maar waar,” riep hij uit. “Kon het potdomme nou maar eens zo lopen…”

Het besef dat Eefke onmiddellijk zou tegenstribbelen bij het geringste vermoeden dat haar man het voorbeeld van zijn baas zou volgen, deed al zijn opwinding vergruizen. Ze zou hem voorhouden dat die uitkering eindig was, dat hij te jong was voor een regeling voor vervroegde uittreding, en te oud om ergens anders te worden aangenomen. Te oud, en te weinig getalenteerd, maar dat zou Eefke pas zeggen als ze aan de sherry zat of als ze met een vriendin had gesproken. Het ergerlijke aan dit soort praatjes van Eefke was altijd dat er niets tegen in te brengen viel. Ze confronteerde hem eenvoudig met de feiten. Ze zouden het huis moeten opeten, want de uitkering en het salaris van Eef waren ontoereikend om de hypotheek te betalen, wellicht zou Don Junior zijn kamer in Leiden moeten opzeggen…

“Ik kan geen kant op,” zei Don zacht in zichzelf, en hij trapte stevig op het gaspedaal van zijn auto en haalde links en rechts in, wat hem op een hevig geclaxonneer kwam te staan van de vrachtwagenchauffeur die pal achter hem reed. Don stak zijn middelvinger op naar de slechts in een hempje gestoken dikke man in zijn achteruitkijkspiegeltje, type zeekoe, en maakte dat hij weg kwam.


Volgende week: waarin de carrière van Don Diks een onverwachte, en zeker niet verkeerde, wending lijkt te nemen.

Frans van Deijl