Amateurisme ondermijnt de Nederlandse film

De recente rel rond de Nederlandse inzending voor de Oscars illustreert wederom het knullige imago van de Nederlandse filmindustrie. Jammer, want de films zijn goed. Het zijn de amateuristische belangenbehartigers die het verpesten.

Op het Nederlands Film Festival komt vanaf volgende week woensdag de fine fleur van de Nederlandse filmindustrie weer samen. Naast de uitreiking van de Gouden Kalveren – de jaarlijkse incestueuze verenstekerij – zal in Utrecht ongetwijfeld veel worden gesproken over de recente Oscar-rel. Nadat eind augustus door Holland Film bekend werd gemaakt dat Wit licht-remake The Silent Army door een selectiecommissie was gekozen als inzending voor de Academy Awards, liet een deel van de Nederlandse filmwereld zijn ongenoegen blijken en dreigde zelfs met juridische stappen.

Producenten Nijenhuis & De Levita Film & TV, Fu Works Productions, Isabelle Films en Anton Smit stelden dat de film over Afrikaanse kindsoldaten niet voldoet aan de door de Academy of Motion Picture Arts and Sciences gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor een nominatie voor beste niet-Engelstalige film. Zo is een substantieel deel van de film, met Marco Borsato in de hoofdrol, Engels gesproken. Daarnaast heeft The Silent Army nooit een ‘general release’ gehad. De film was eind augustus gedurende zeven dagen – met Franse (!) ondertiteling – te zien in één filmhuis in Utrecht. Een ander bezwaar was dat de creatieve controle van de film niet in handen van een staatsburger of inwoner van het indienende land was. The Silent Army werd immers door de Franse regisseur, editor en filmcriticus Pierre Rissient vanuit het ruwe materiaal van de oorspronkelijke regisseur Jean van de Velde compleet opnieuw gemonteerd.

Ook werden vraagtekens geplaatst bij het feit dat managing director Rachel van Bommel van distributeur Independent Films in de selectiecommissie zat. Zij bracht immers Wit licht op de markt, en deze mogelijke belangenverstrengeling zou ook niet goed vallen bij de Academy, zo vreesden de producenten. Van Bommel reageerde furieus: “Voor mij bewijst dit voor de zoveelste keer hoe klein Nederland is en hoe groot de ego’s van sommigen in de filmindustrie zijn. Mensen gunnen elkaar het licht in de ogen niet.” Dat zij wél op The Silent Army stemde, vergat Van Bommel (voor het gemak?) te vermelden.


Natuurlijk handelden de vier producenten (ook) uit eigen belang. Zij zien liever een van hun eigen – door pers en publiek veel beter ontvangen – films De storm, Oorlogswinter of Bride Flight voorgedragen. Tegelijkertijd wilden zij Holland Film voor een nieuwe blunder behoeden. De belangenorganisatie van de Nederlandse film in het buitenland ging namelijk al vaker in de fout. Bijvoorbeeld met de voordracht van Paradise Now en Bluebird bij de Academy. Paradise Now van de sinds 1980 in Nederland woonachtige regisseur Hany Abu-Assad ontving weliswaar een Oscarnominatie voor beste niet-Engelstalige film, maar dan namens zijn vaderland Palestina. Bluebird werd door de Academy geweigerd omdat die film al op televisie te zien was geweest.

In eerste instantie bleef directeur Claudia Landsberger van Holland Film de inzending van The Silent Army verdedigen, terwijl zij van verschillende kanten werd gewezen op het gemakkelijk op internet te vinden reglement van de Academy. “Wanneer blijkt dat The Silent Army inderdaad niet aan meerdere van de voorwaarden voldoet, moet Holland Film maar eens goed worden doorgelicht,” zei regisseur Martin Koolhoven (Het schnitzelparadijs, Oorlogswinter) in een interview op de website van HP/De Tijd. Uiteindelijk zwichtte Holland Film; Landsberger liet vorige week weten dat de selectieprocedure opnieuw wordt gestart.

Nog een voorbeeld: in het jaarverslag over 2007 schreef Holland Film de titel van Koolhovens film ’n beetje verliefd als Liever verliefd. Zo veel amateurisme bij een belangrijke belangenorganisatie doet het toch al broze imago van de Nederlandse filmindustrie bij pers zowel als consument natuurlijk geen goed. Door dergelijke incidenten blijft de filmindustrie een klunzig imago aankleven.


Af en toe lees je in een recensie van een Nederlandse film dat de productie ‘on-Nederlands goed’ is. Het getuigt van een diep geworteld minderwaardigheidscomplex. Verblind door idolatrie kijken we naar wat Hollywood ons voorschotelt, daarbij vergetend dat in Los Angeles ook veel meer middelmatige dan ‘goede’ films geproduceerd worden. Doordat die middelmatige films over het algemeen hier de bioscoop niet halen, ontstaat een vertroebeld beeld. Ook in ons land worden jaarlijks voldoende films gemaakt die boven de artistieke middelmaat uitstijgen. Ook verschijnt ieder jaar minstens één Nederlandse film waarin artisticiteit en commercie perfect samenvallen. Zoals Alles is liefde in 2007 (1,3 miljoen bioscoopgangers) en vorig jaar Oorlogswinter (800.000). Dit jaar is de hoop gevestigd op De storm, die deze week in première gaat op het Film by the Seay Festival in Vlissingen.

Blijft waardering in eigen land vaak uit, in het buitenland is die er wel. Vorige week nog werd De laatste dagen van Emma Blank van Alex van Warmerdam uitgeroepen tot beste Europese film op Venice Days, het parallelprogramma van het filmfestival van Venetië. Die bekroning staat niet op zichzelf. Ieder jaar weer zijn er tientallen Nederlandse genomineerden en prijswinnaars tijdens belangrijke buitenlandse festivals. In de afgelopen 25 jaar werd zelfs drie keer een Nederlandse film bekroond met een Oscar voor beste niet-Engelstalige film: De aanslag (1986), Antonia (1995) en Karakter (1997). Daarnaast behoorden door de jaren heen films als Dorp aan de rivier, Turks fruit, Zus & zo en De tweeling tot de vijf genomineerden bij de belangrijkste filmprijs. Geen slechte score in een veld waarvoor jaarlijks vele tientallen landen een film inzenden.


In eigen land probeerde de overheid de filmindustrie de afgelopen tien jaar te ondersteunen met de instelling in 2000 van de zogenoemde film-cv. Particuliere investeerders werden hiermee in de gelegenheid gesteld om gebruik te maken van een fiscaal interessante regeling, waardoor Nederlandse filmmakers over grotere budgetten konden beschikken. Nadat bleek dat de regeling te vaak diende om fiscaal voordeel te genieten dan om goede films te produceren, werd ze in 2007 stopgezet. Toch had de regeling in de voorgaande jaren gezorgd dat de filmindustrie verder kon professionaliseren.

Aan de films ligt het allang niet meer, er wordt meer dan voldoende kwaliteit geleverd. Het beroerde imago is te danken aan het randgebeuren. En zolang incidenten plaatsvinden zoals rond de Oscarinzending, en filmmakers rollend over straat gaan, zal de zweem van amateurisme en knulligheid rond de Nederlandse film niet snel verdwijnen.

Jochem Geerdink