Deens design

Denemarken houdt ons de spiegel voor, want het is net Nederland, maar ook weer net niet

Er zijn afgezien van Israël niet veel buitenlanden waar Geert Wilders een potje kan breken. De PVV-leider is ongewenst vreemdeling in Groot-Brittannië en heeft een ongunstige pers in de rest van Europa. Maar in het progressieve Denemarken is onze Geert sinds de cartoonrellen van drie jaar terug meer dan welkom en wordt hij met zijn blonde kapsel gevierd als held van het vrije woord. Opmerkelijk, want de Denen staan niet als militant bekend en hebben geen indrukwekkende verzetstraditie. Weliswaar wisten de Deense joden tijdens de nazi-bezetting aan vernietiging te ontsnappen (zij konden uitwijken naar Zweden), maar in 1940 capituleerde het land zonder slag of stoot. Dan hebben wij in Nederland nog vijf dagen Grebbeberg en het verzet van het meisje met het rode haar.

Vorige maand was ik voor het eerst in Denemarken, uitgenodigd door vrienden die aan zee een zomerhuis hadden gehuurd. Hoewel het land verre van spectaculair is (‘saai’ hoor je vaak zeggen), heeft het een eigen schoonheid vanwege de bijzondere lichtval, de verstilde kusten en de vergezichten over het water. Het zet je aan het denken. Voor Fransen schijnt alles boven Parijs ‘het Noorden’ te zijn, en als je in Denemarken bent, begin je dat te begrijpen. Wat is het leven hier kalm, wat zijn de mensen oppassend, wat is het hier schoon. Het land houdt ons de spiegel voor, want Denemarken is net Nederland, maar ook weer net niet. Bij ons is het (veel) drukker, minder netjes, en de overheid houdt ons ook nog eens voor dat wij een te kort lontje hebben. In Denemarken heb ik lont noch kruitvat gezien.


Daar kan niemand bezwaar tegen hebben, en het is geen wonder dat de Denen een gelukkig volk zijn, met een hoge eigendunk, een prettig soort zelfrelativering (‘in Denmark everything is cosy’, verontschuldigde zich een meisje dat ons naar een donker eetcafé verwees), en een groot vertrouwen in de overheid. Het is ook het minst corrupte land ter wereld, en dat kun je aan de mensen zien. Ze zijn open, informeel en wars van uiterlijk vertoon. Tegelijk houden ze van mooie dingen: elke winkel verkoopt design en ons glashotel op Copenhagen Island ademde een en al transparantie. Je waande je aan het IJ, en met al dat water leek de Deense hoofdstad ook op die van ons. Er was een hippie-enclave, er waren yuppies op bakfietsen, en het Raadhuis hield het midden tussen het paleis op de Dam en de eurs van Berlage. Er was alleen geen grachtengordel. Ondanks pretpark Tivoli kon Kopenhagen qua levendigheid niet echt tippen aan Amsterdam en het was er twee keer zo duur. Dat gold ook voor de provincie. In Haderslev, in het zuiden van Jutland, en Odense, de thuisstad van sprookjesschrijver Hans Christian Andersen, had je bij een koffie al het gevoel dat je heel solidair meebetaalde aan de geborgenheid van het Deense kinderparadijs. Als buitenlander kijk je dan toch anders tegen nul procent corruptie aan.

Denemarken kent een hoge mate van sociale protectie, hoewel je niet kunt zeggen dat het zich van de buitenwereld afschermt.

In 1992 zeiden de Denen ‘nej’ tegen de euro, maar bij Sleeswijk (tot 1864 Deens gebied) steek je zo de grens over. Het is gewoon Schengenland. Ongemerkt rijd je dan ook een land binnen waarin alles duurder is. Het gelukkigste volk ter wereld heeft weinig moeite met hoge belastingen, ook niet op nieuwe auto’s, want je ziet veel Japannertjes van tien jaar oud, en als de slooppremie van de Duitse regering hier van kracht was geweest, zou het Deense wagenpark voor de helft zijn opgeruimd. Ik kreeg medelijden met de Denen, want na alle bolides op de Duitse autowegen leek het ten noorden van Flensburg wel de voormalige DDR. Dat miskent echter dat de Denen (die erg groen zijn) hun eigen levenssfeer zeer effectief beschermen en bijvoorbeeld ook de verkoop van zomerhuizen aan buitenlanders hebben weten te verbieden. Zij houden het lekker onder elkaar, gezellig in de eigen niche.


Hoe ze dat klaarspelen, en toch voor ruimdenkend en kosmopolitisch doorgaan, is me een raadsel. In Denemarken zag ik heel veel blond en amper migranten. Ze moeten er zijn, want Kopenhagen staat erom bekend en het naburige Malmö (een half uurtje verder over de Sont) is voor een derde gekleurd. De weinige kleurlingen die je zag, maakten een welopgevoede indruk, alsof ze net zo gedisciplineerd zijn als de Denen zelf. Ik vermoed een optelsom van noordelijke koppigheid en protestantse rechtlijnigheid, die een sterke eigen identiteit in stand houden. En Denen zijn berekenend, met een helder oog voor kosten en baten. Nederland is (mede vanwege een koloniaal verleden) pluriformer en minder consequent. Daarom denk ik dat een restrictief immigratiebeleid naar Deens design voor ons geen voorbeeld kan zijn.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import dirk janvan baar