Filmen met ballen

Jack Wouterse speelde in 1991 zijn eerste filmrolletje. Achttien jaar later staat de teller (inclusief televisie) op 87. Reden voor het Nederlands Film Festival hem als eregast te huldigen. We blikken met hem terug op een veelzijdig oeuvre. ‘Het is vaak cowboytje spelen voor gevorderden.’ door Erik Spaans

“Mijn eerste filmrolletje. Ik speelde een getatoëerde man. Destijds had ik mijn eigen circus nog, en ik dacht wat bij te klussen door af en toe een rolletje voor film of tv te doen. Ik zag het als een makkelijke manier om geld te verdienen. Ik was nooit eerder op een filmset geweest en wist niet wat me overkwam. Om acht uur ’s ochtends was ik er helemaal klaar voor. Maar toen ik om vier uur ’s middags dan eindelijk mijn scène mocht doen, was ik bij wijze van spreken al kapot. Er waren technische problemen en ander gedoe, dus alles liep vertraging op. Ik dacht op dat moment: film is he-le-maal niks voor mij. Is later allemaal nog goed gekomen.”

“Mijn eerste échte rol. Ik speelde een slager die seks wil en zich niet kan inhouden. Bij wijze van test hadden we een scène opgenomen waaraan geen woord te pas kwam. Allemaal lichaamstaal. Ik ben clown geweest, dus dat lag me wel, en ik denk dat Alex dat mimische wel interessant vond. Ik was soms wel bang dat ik op m’n bek zou gaan, omdat ik weinig techniek had. Ik kende het jargon van zo’n filmset ook helemaal niet. Dan werd er geroepen dat ik even een ‘witje’ moest laten vallen en dan dacht ik: waar hébben ze het over. Maar zolang ik niet te veel na hoefde te denken, ging het eigenlijk allemaal wel goed.”

“Een oorlogsfilm naar een bestaand verhaal waarin ik een Duitser speel, compleet met uniform en laarzen. Er was een voorstelling waarbij allerlei mensen uit het verzet als eregast aanwezig waren. Die stonden me raar aan te kijken toen ik ze een hand kwam geven. Ze zagen die enge Duitser uit die film weer voor zich. Op dat moment realiseerde ik opeens hoezeer zo’n film de plaats van de werkelijkheid in kan nemen. Jammer dat De bunker commercieel niks heeft gedaan. Ik denk dat Soeteman na afloop voor zichzelf besloten heeft dat hij zich beter kan beperken tot het schrijven van scenario’s.”


“Een tamelijk extreme film. Ik ben niet zo preuts of zo, maar plassende meisjes… daar heb ik niks mee. Die Kerkhof was toen erg in. Ik begreep niet zo wat hij nu precies wilde. Hoe ik er terecht kwam? Door castingdirector Hans Kemna. Die zegt soms: dat móét je doen. Daar luister ik in de regel wel naar, ja.”

“Van Paul Ruven heb ik het echte filmen geleerd. Als hij me vraagt, dan moet het al heel raar lopen wil ik nee zeggen. Laatst nog belde hij op met de vraag of ik mee wilde doen. Maar ik kon die dag gewoon niet. Belt hij een paar dagen later weer met een andere rol: Jack, je móét meedoen. Geld is er meestal niet. Als betaling kreeg ik een kilo biefstuk en veertig krasloten. Voor En route hadden we vijf dagen uitgetrokken, maar ik was één dag ziek, en dus moest het er in vier dagen op staan. Paul hanteert een razend tempo. In de eerste scène spring ik bij Marieke Heebink in de auto en scheuren we weg over de trambaan. Dat was nogal link. Ik zag van alle kanten trams en auto’s op ons afkomen, terwijl Paul maar schreeuwde dat we dóór moesten rijden. Het stoplicht sprong op rood en Paul schreeuwt: rijden! Na tien minuten zat die take erop. Zegt Marieke tegen me: ‘Ik geloof dat ik m’n handen niet meer van het stuur los krijg.’ Die was helemaal verkrampt. Dat is acteren in de werkelijkheid. Filmen met ballen. Heerlijk! Theo van Gogh werkte ook zo.”

“De repetities – met Ariane Schluter – gingen prima. Maar tijdens de opnames begon Verhage opeens dingen te forceren. Dan belde hij op om allerlei ‘moeilijkheden’ te bespreken. Dat deed hij – bleek achteraf – om me onzeker te maken. Hij had in z’n hoofd gehaald dat hij me moest afbreken om me opnieuw op te bouwen. Zoiets. Maar zo’n aanpak werkt dus niet bij mij; ik moet vertrouwen krijgen om goed te kunnen presteren. En dat zie je terug aan die film. Jammer, want het was een heel mooi verhaal.”


“Mijn eerste kinderfilm. Heerlijke film waar kinderen in de zaal echt bij zaten te juichen. Ik speel de wraakzuchtige witte koning en wil oorlog voeren tegen de zwarte partij. Ik heb ‘m later ook eens nagesynchroniseerd in het Duits gezien. Heel leerzaam. Meestal vind ik het maar niks als ik mezelf met een andere stem hoor, maar nu dacht ik: verrek, die man doet het beter. Hij had de stem van de koning iets vetter aangezet. Dat zou ik ook doen als ik die rol nú zou spelen. Hoe ver durf je te gaan. Daar draait het natuurlijk vaak om bij acteren. Het is elke keer weer een kwestie van afbakenen. Afspraken maken met de regisseur. Wat is mijn speelruimte. Hoever kan ik gaan binnen die ruimte.”

“Ik had in De noorderlingen heel prettig met Alex gewerkt. Maar daarna vroeg hij me voor een toneelstuk, en dat ging faliekant mis. Ik klapte volledig dicht en raakte al mijn zelfvertrouwen kwijt. En zelfvertrouwen is zo’n beetje het belangrijkste dat je hebt als acteur. Ik kón niks meer. Ik heb Alex heel hoog zitten, dus dat maakte het nóg erger. Het was de grootste professionele crisis die ik ooit heb meegemaakt. Ik dacht: ik schei ermee uit en word vrachtwagenchauffeur. Hans Kemna heeft me uit dat dal gesleurd. Die kwam steeds aanzetten met nieuwe opdrachten en opdrachtjes en hield me aan het werk. In de aanloop naar De jurk liet Alex weten dat hij me er toch graag bij wilde hebben. Dat streelde me wel, ja. Dat heeft bijgedragen aan het gevoel dat ik weer terug was.”

“Een keiharde film waarin ik een kooivechter speel. Lekker hoor: een beetje tekeergaan in je blote bast. Hij ging in première op het festival van Rotterdam, in een zaal met zo’n duizend man. In de eerste vijf minuten liep een derde van het publiek weg. Het bloed spatte van het doek. Ik dacht: mijn god, wat heb ik gedaan. Dat knokken zag er zó heavy uit, zó levensecht. Het moest allemaal snel opgenomen worden, want er was weinig geld. Maar de voorbereiding was pittig. Ik heb maandenlang hard getraind met de broers Marco, Ronald en Willem de Beukelaar. Ik zie dat vechten als een vorm van dansen. Het is een choreografie die heel nauw luistert. Héérlijk om te doen. Maar het moest allemaal heel secuur worden voorbereid. Ik moest die gevechten kunnen dromen, en dat kón ik ook. Ik heb er een hartelijke relatie met de De Beukelaars aan overgehouden. We waren met z’n allen jochies die cowboytje mochten spelen. Zo voelt filmmaken wel vaker: cowboytje spelen voor gevorderden. Temmink is overigens nog een cultfilm geworden met een schare fanatieke bewonderaars.”


“Ik had al eens met Theo gewerkt voor de tv-serie In het belang van de staat. Daar zou ik voor één draaidag komen, maar vroeg hij steeds of ik ook de volgende dag ook wilde komen. Uiteindelijk zijn dat negen draaidagen geworden. Verzon hij gewoon weer wat nieuwe scènes. Het klikte enorm. Hij was – net als ik – een jochie dat graag film wil maken. Hij belde ook weleens ’s avonds om een uur of elf uur met het verzoek of je de volgende ochtend een rolletje wilde spelen. Met Theo had ik aan een paar woorden genoeg. We spraken elkaars filmtaal. Ook in De pijnbank. De dialogen waren geweldig, en ik kreeg heel mooie recensies voor mijn rol. We hadden overigens maar drie dagen, dus die film is er echt op gerámd. Er waren momenten dat ik er letterlijk groen uitzag. Ik hoor Theo nog zeggen: ‘Jack, je ziet groen!'”

“Met Carice van Houten. Die zat nog op school en kon het geld wel gebruiken. En ja, dat speelde meteen heel lekker. Carice kan de spijker in één keer op z’n kop slaan. Het verbaast me niet dat ze het sindsdien zo goed heeft gedaan. Er zat sowieso veel jong talent in die film: Roeland Fernhout, Michiel Huisman. Die zijn toch ook aardig terechtgekomen.”

“Eén van mijn beste filmrollen. We zaten met z’n allen drie weken in een huisje in de Ardennen en waren dus helemaal van de wereld. Die hele film is in een straal van een kilometer rond dat huisje gefilmd. Door die afzondering ontstond een soort familiegevoel, en dat zie je terug in die film. Sommige acteurs hebben er moeite mee om na zo’n intense periode ineens weer in hun uppie te zijn. Maar daar heb ik dus nooit last van gehad. Ik vind dat tijdelijke juist wel iets moois hebben. Dat had ik ook al in mijn circusjaren. Dan zag je bij het vertrek nog wat zaagsel op de grond liggen. Een vluchtig bewijs dat je er geweest was. En dan weer dóór. Op naar het volgende avontuur.”


“Een epos over de Amerikaanse soldaten die Europa hebben bevrijd. Een tv-serie van tien delen, waarin ik een piepklein rolletje speel. Het budget was 120 miljoen dollar, en alles aan die productie was groot. De catering was bijvoorbeeld opgesplitst in aparte afdelingen met hier vis, daar vegetarisch en daar vlees. Voor mijn scènes hadden ze in de studio een hele boerderij gebouwd. De regisseur wilde mijn scènes verschuiven en me nog een week langer houden, maar ik werd in Nederland in een toneelstuk verwacht. Nou, dat wilde er bij hem niet in. Dat konden ze dan toch wel even afkopen? Ik moest echt mijn uiterste best doen hem uit te leggen dat ik niet zomaar onder de verplichting van een theaterstuk uit kon – of wilde. Toen werden er vier camera’s neergezet en werd alles in één keer opgenomen. Het kón dus wel. Tom Hanks was producent. Daar heb ik na afloop nog een aardig briefje van gekregen.”

“In Engeland hebben ze Shakespeare, en wij hebben Annie M.G. Schmidt. Als er een boek van haar verfilmd wordt, doe ik grááág mee. Minoes is een mooi staaltje vakmanschap. Carice heeft die hoofdrol geweldig gespeeld, maar laten we de regisseur ook niet vergeten. Als je een goed voorbeeld wilt hebben van een gereedschapsman die z’n zaakjes prima voor elkaar heeft, dan is het Vincent Bal wel. Over mijn eigen rol ben ik niet helemaal tevreden. Net als bij Lang leve de koningin durfde ik niet genoeg te overdrijven. Komt misschien ook wel omdat het een klein rolletje was. Dan durf je toch minder dan bij een grote rol. Het blijft soms toch een beetje gnant, dat acteren.”

“Ontzettend leuke klus. Greenaway is een geweldige man, een genie. We lijken volstrekt niet op elkaar, maar we werken prima samen. Het liep tijdens de opnamen nooit helemaal volgens plan. Stonden er voor een dag tien dingen op de callsheet en dan deed hij er maar één. Daar liet hij zich dan helemaal door opslokken. Wat hij niet gefilmd had, kwam simpelweg niet in de film. Greenaway maakt het zichzelf weleens moeilijk.”


“Lekker met kinderen werken. Zo’n brutaal jochie van vier dat roept: Hé Jack, wat is mijn tekst ook alweer? Ik speel vader Stamper. Een groot kind eigenlijk. Hij ziet er alleen vier keer zo groot uit als z’n kinderen. Het is overigens nog niet zo makkelijk om een rol in zo’n kinderfilm in korte tijd goed neer te zetten. Kijk, als je Hamlet of King Lear speelt, kun je maanden aan de voorbereiding spenderen en krijg je allerlei handvatten aangereikt om je in zo’n rol te verdiepen. Bij een kleine rol in een kinderfilm heb je nauwelijks houvast en moet het er in twee takes op staan.”

“Ik speel een ruwe bolster met een blanke pit en mag lekker dwars door bloemenstallen heen denderen. Heerlijk om te doen. Tim Oliehoek heeft een Amerikaanse aanpak. Hij moet misschien nog een paar dingen leren, maar hij heeft veel talent en ziet dingen die anderen niet zien. Zo nu en dan komen er jongetjes van een jaar of zes naar me toe die zeggen dat Vet hard de mooiste film is die ze ooit gezien hebben.”

“Ik zou eigenlijk een grote rol gaan spelen, maar dat is afgeketst. Uiteindelijk heb ik toch meegedaan, maar dan in een klein rolletje. Van de opnamen herinner ik me vooral die kinderen. Die trokken wekenlang met elkaar op en er was een soort zomerkampgevoel ontstaan. Al die kinderen waren verliefd op elkaar. Heel mooi.”

“Over de fantasieën van een meisje op Texel. En over een stel Georgiërs op Texel die aan het einde van de oorlog in opstand komen tegen de Duitsers. Ik speel iemand die in het verzet zit. Allemaal harstikke filmisch en poëtisch. Ineke Smits is iemand die grote dingen aandurft en er ondertussen in slaagt dat op een kleine, intieme manier te vertellen. Nee, ik heb niet meegedaan bij de opnamen in Georgië. Ik ben niet zo’n buitenlandganger.”

import cinema