Heimwee naar de dienstplicht

Exerceren, kaartlezen, bivak en kou lijden in een puptentje. Het is de vrijetijdsbesteding van de re-enactment-groep Dienstplicht Koude Oorlog. Ze spelen het leven na van dienstplichtigen in de jaren zeventig – zelfs de horloges zijn authentiek. ‘Het is de lol van mannen onder elkaar.’

Aan de poort van militair oefencomplex Crailo, in de bossen bij Bussum, staat een groepje militairen. Strak in uniform, helm op het hoofd, geweer over de schouder. Het is vandaag open dag voor belangstellenden en ze zien erop toe dat alles gladjes verloopt. Alleen: het legergroen van de soldaten is een beetje verschoten, de kisten die ze dragen zijn bruin in plaats van het bij Defensie gangbare zwart, en de geweren zijn modellen van twintig jaar geleden. We lijken met een tijdmachine teruggeflitst naar 1975. Welkom bij de werkgroep Dienstplicht Koude Oorlog (DKO), onderdeel van de Vereniging Historische Militaria, waarbij ook andere zogeheten living history-groepen zijn aangesloten.

Een marechaussee – ook al gehuld in old school battledress – komt voorrijden en gebaart ons in zijn Landrover te stappen. Over een onverharde weg rijden we naar het kamp van de Nederlanders. We komen langs de gebouwen van het oefencomplex – gehavende huizen met geblakerde en afgebrokkelde muren. Voor een van de huisjes staan twee kolossale tanks in de zon te schitteren.

Bij een grote legertent houdt de marechaussee halt. Korporaal Ron de Bie heet me welkom. Voor de tent staan twee oude legermotoren. Naast de tent twee groene DAF-trucks. “Hoho,” zegt De Bie. “Dat zijn niet zomaar trucks, dat zijn 328’s. Ze zijn gebouwd tussen ’54 en ’59. Ze hebben zeswielaandrijving, ze zijn dus echt voor het terrein bedacht.” De Bie gaat nog even door over de technische ins en outs van de Dikke Daf, zoals hij liefkozend werd genoemd. Het komt erop neer dat je als hobbyist nooit uitgesleuteld raakt, want hij zit zo ingenieus in elkaar (‘met maar liefst tien tandwielbakken’) dat er altijd wel wat stuk is.


Belangrijker nog is de nostalgische waarde van de DAF 328. “Duizenden dienstplichtigen hebben er hun rijbewijs mee gehaald. Zonder stuurbekrachtiging en met dubbel klutsen natuurlijk. Alle bezoekers op leeftijd komen hier vandaag even kijken, dat geef ik je op een briefje.”

Zoals veel van de DKO-leden is De Bie, die jarenlang als monteur bij Defensie werkte, autogek. Of liever gezegd, liefhebber van militaire voertuigen. Alle voertuigen rond de tenten zijn privé-eigendom van de leden. “Ik ben een bescheiden verzamelaar, maar moet je eens bij onze voorzitter komen. Wat die thuis allemaal heeft staan. Maar die woont dan ook in een oude garage.”

Het hobbypeloton van DKO heeft zijn kamp opgeslagen in en rond een barak. Onder de bomen staat een rij puptentjes, die iedere ex-dienstplichtige zich nog van oefeningen zal herinneren. Als soldaat droeg je een half tentje op je rug. Je slapie had de andere helft bij zich. Als je de twee helften aan elkaar knoopte, had je een tent. Een uitvinding van de Amerikanen in de Tweede Wereldoorlog, en blijkbaar zo goed bedacht dat Nederlandse soldaten er nog decennialang mee hebben rondgelopen.

Op de weg langs de jarenzeventig- enclave van DKO lopen nog meer militairen. Want dit is Bussum Bridgehead, het grote jaarlijkse re-enactment-festijn. Op het terrein hebben ook ‘Amerikaanse’ GI’s anno 1944, ‘Britse’ paratroopers en Tommies een weekend lang hun kamp opgeslagen. Plus welgeteld één Nederlandse soldaat uit de meidagen van 1940. Duitsers worden niet waargenomen.

Een dag meelopen met de mannen van DKO ging niet zonder slag of stoot. Eerst dienden we een kennismakingsgesprek met het bestuur te voeren. Vanwaar die koudwatervrees? “Voor buitenstaanders is soms moeilijk te begrijpen waar wij mee bezig zijn,” zegt voorzitter en pelotonscommandant Cor van Dijk (48). “We worden vaak voor Rambo’s versleten, en dat zijn we nou net niet. We schieten niet met scherp, we doen geen huiszuiveringen, we simuleren geen boobytraps. Voor je het weet, word je als semi-militaire organisatie gezien. Daarom onderhouden we ook goede contacten met Defensie en met musea. En we opereren heel open. Als we een weekend op een fort verblijven, melden we dat van tevoren. En bij oefeningen in bossen lopen we over de openbare paden.”


DKO bootst een peloton dienstplichtigen na in de jaren zeventig. Ná 1973 om precies te zijn. Van Dijk: “Dat is een bewuste keus. De vrijheid is in die periode veel groter. De kadaverdiscipline is dan afgeschaft. Er is vrije haardracht – we hebben zelfs een lid met een baard – en de groetplicht is afgeschaft.”

Wel geldt de militaire hiërarchie. Van Dijk: “Bij oefeningen speelt ieder zo goed mogelijk zijn rol. We zijn een militaire eenheid. En dat werkt het beste met militaire aansturing. Als ik als pelotonscommandant iets roep, doen ze het dus ook. We voeren geen toneelstukje op. We spelen niet dat we militairen zijn, we zíjn het op dat moment ook.”

Van de leden wordt verlangd dat ze tijdens oefendagen en publieksevenementen in gevechtspak lopen. Het olijfgroene in visgraatstof uit de jaren zestig, of het latere met het Nederlandse vlaggetje op de rechterschouder. Maar dat hoef je de clubleden niet uit te leggen. Alles klopt tot in detail. Tot aan de horloges toe. Ze zijn trots op hun uitmonstering. Het camouflagepak waarin de landmacht nu rondloopt, vinden ze maar niks: “Een bloemetjespak.”

De outfits en tenten zijn allemaal privébezit. De DKO’ers halen hun spullen bij dumpzaken. Daar is nog best veel te krijgen. Hoewel, niet in alle maten. De militair van toen was kleiner en dunner. Desnoods worden connecties bij de Landmacht ingeschakeld.

Kees Mastenbroek heeft niet alleen een legergroen pakje aan, hij draagt ook een dito schort. In de ochtendzon zit de kok van de eenheid aardappels te schillen. Dit weekend heeft hij een barak tot veldkeuken omgebouwd. In de ruimte is Mastenbroeks verzameling uitgestald: authentieke gasbranders, grote legerpannen, gamellen en landmachtbestek. In een hoek staan veldrantsoenen van de firma Struik. Welke dienstplichtige heeft niet zo’n blik met een esbitblokje opgewarmd?


Hoe is dat nou om voor twintig man aardappels te schillen? “Hartstikke leuk,” zegt Mastenbroek (43). “Als kok ga ik mijn eigen weg. Ik heb vroeger een leuke diensttijd gehad. Hier doe je die een beetje over. Je ontmoet mensen met dezelfde interesses. De één gaat naar de camping. Wij doen dit. Lekker een beetje ouwehoeren. Een biertje erbij. Ik was in dienst kok bij de pantserinfanterie. We hadden het heerlijk. En bij deze groep heb ik soms momenten dat ik denk: hé, het zou zo weer 1983 kunnen zijn.

“Nee, buitenstaanders snappen het niet. Dat is ook niet zo gek. Vanmorgen ging om half zeven de wekker. Toen had ik ook naast mijn vriendin kunnen blijven liggen. We zullen niet snel een ledenstop hoeven in te voeren, want alles gebeurt hier wel strak tussen de lijnen. Ik heb daar weleens moeite mee, maar het hoort erbij. Er zijn bij ons regels, en als je daar niet tegen kan, moet je geen lid worden.”

“Het is something completely different,” zegt vaandrig Richard Haarsma (39), plaatsvervangend commandant van de groep. “Normaal heb je je werk en je gezin. Hier doe je een spel, en dat ontspant.” Vaandrig Richard is een van de oprichters van DKO. Het is belangrijk dat de herinnering aan een periode levend wordt gehouden, vindt hij. Bijvoorbeeld door demonstraties in het Legermuseum in Delft of het Luchtvaartmuseum in Soesterberg. “Het is net alsof iedereen de Koude Oorlog alweer vergeten is. Terwijl tienduizenden jongens toen in dienst hebben gezeten. De landmacht was in die jaren een gigantische oefen- fabriek. Dat gevoel willen we overbrengen. De leuke en de minder leuke kanten. Dat het ook best vervelend is om de hele dag met een FAL (semi-automatisch geweer, red.) op je rug te lopen. Zo’n ding wordt zwaar!”


En inderdaad, herkenbaar is het. “Met zo’n wagen zijn we helemaal naar La Courtine gereden,” zegt een zestiger die een van de Dikke Dafs bewondert. “Kijk, daar heeft papa ook mee geschoten,” zegt een veertiger tegen zijn zoons, wijzend op de FAL van een van de manschappen. Over de uitvoering van de exercitie door de DKO’ers is hij minder enthousiast. “Een zootje.”

Bezoeker Peter de Vries uit Amersfoort blijft wat langer hangen. “Nu ik dit zo zie, is het allemaal wel weer erg leuk. Ik ben van de lichting 71.5 en ik zat bij het 101 Tankbataljon in Soesterberg. We hadden gisteren toevallig een reünie, voor het eerst sinds bijna veertig jaar. Leuk om iedereen weer te zien, de meesten zonder haar, dat wel. En het gekke was: van de beroeps uit onze tijd is iedereen dood. Blijkbaar is het toch niet zo’n gezond vak.”

‘Alarm!’ klinkt het rond het middaguur. De mannen zetten hun helm op en pakken hun wapen. Her en der springen soldaten in schuttersputjes of gaan in dekking. Al snel wordt er geschoten. Met losse flodders, maar toch. Een van de jongeren uit de groep heeft zich tussen twee gebouwtjes verschanst. De hulzen uit zijn geweer vliegen tegen de muur. De geur van kruit vult de lucht.

Als het alarm voorbij is, verzamelen de schutters zich bij sergeant Hendrik van den Eijnde. Hij neemt de patroonhouders in. Iedere soldaat moet de slede van zijn wapen naar achteren halen, om te zien of er geen kogel meer in de kamer zit. Daarna mogen drie ‘vrijwilligers’ de wapens poetsen. “Kun je de M1 (karabijn – red.) van sergeant Mastenbroek ook even meepakken?” vraagt Van den Eijnde aan korporaal Groen. Die stribbelt even tegen, maar hangt het wapen dan toch over zijn schouder.


De geweren zijn onklaar gemaakt. Niettemin gelden strenge regels voor de vuurwapens. Een nieuw lid van de club moet eerst een vergunning halen op het politiebureau. De politie onderzoekt dan je antecedenten. Als de vergunning rond is, moet het wapen thuis in een kluis worden bewaard. Het standaardwapen bij de DKO is de FAL. De officieren hebben een pistool en de kok dus een karabijn. Korporaal Groen haalt geroutineerd zijn FAL uit elkaar en zet de onderdelen in de olie. Twee tienermeisjes kijken gebiologeerd toe.

Hoe reageert de omgeving op de aparte hobby van de DKO-mannen? “Ga je weer soldaatje spelen,” roepen de collega’s van korporaal Hans Slabbekoorn (33) als hij vertelt dat hij weer een activiteit heeft. Slabbekoorn stoort zich er niet aan. “Uiteindelijk is dat het wel natuurlijk, soldaatje spelen. Je moet een bepaalde tic hebben. Over deze hobby wordt soms wel erg gewichtig gedaan, dat het puur gaat om historisch besef en zo. Maar je moet reëel zijn. Het is toch vooral een leuk weekend weg. Het is fijn om buiten te zijn en iets te doen wat je interesseert. Als projectvoorbereider heb ik een drukke baan. Hier zijn we allemaal weer een beetje kind.”

Gelukkig voor het hobbypeloton melden zich ook jongere leden aan. Dat helpt om de boel een beetje geloofwaardig te houden. Omdat de jongeren geen militaire achtergrond hebben, krijgen ze een jaar opleiding. Na drie evenementen en tien oefendagen mogen ze zich volwaardig DKO’er noemen. Jelle van Oort is 21. “Ik zit er al bijna vijf jaar bij,” vertelt hij. “Ik ben er via mijn vader bij gekomen.” Op de biologische boerderij waar hij werkt, loopt hij niet met zijn hobby te koop. “Ik vertel er heel weinig over. Ze snappen het waarschijnlijk toch niet.” Zelf doet hij het vooral voor de gezelligheid, zegt hij. “Het is de lol van mannen onder elkaar. En het is natuurlijk hartstikke leuk om soldaatje te spelen en terug in de tijd te gaan.”


“Is er geen zuur bij?” roept een van de mannen als kok Mastenbroek de lunch serveert. “Nee, gek! Dat hoort bij zuurkool,” reageert die laconiek. De vrolijke regimentskok maakte vandaag andijvie-stamppot met worst. De warme hap wordt – geheel in stijl – uit een mess-tin gegeten. Het is zaak alles tot de laatste kruimel op te eten, want na de stamppot gaan er vla en yoghurt in het etensblik. Van rangen en standen is nu weinig te merken. Het is de sfeer van jongens onder elkaar, met grappen en kwinkslagen. Over worst onder andere.

Dan is het tijd voor appèl. Nadat luitenant Van Dijk zich door de beide pelotonscommandanten op de hoogte heeft laten stellen van de laatste bijzonderheden (“Het alarm van vanochtend was loos alarm, vanmiddag sturen we een patrouille uit om de omgeving te verkennen”) is het tijd voor een heuse bevordering. Soldaat Van Oort wordt naar voren geroepen. “Je hebt nu een paar jaar meegedraaid en je goed ontwikkeld,” zegt Van Dijk. “Zoals je weet, zijn er nog een paar kleine puntjes die aandacht verdienen. Maar de tijd is rijp om je te bevorderen tot soldaat der eerste klasse.” Van Dijk bevestigt de nieuwe strepen op de schouders van Van Oort. Die glundert van oor tot oor. De nieuwe strepen worden volgens traditie ingewijd. “We zijn nu te velde, dus is er geen alcohol,” zegt sergeant-majoor Teun Mul. Hij giet daarom een beker melk over de verse strepen van soldaat Van Oort. De aangetreden mannen applaudisseren.

Het blijft vreemd om dit toneelstukje gade te slaan, maar het is een toneelstukje dat verbroedert. Luitenant Cor van Dijk: “Misschien is het ook wel het contrast met de huidige maatschappij dat mensen trekt. De samenleving wordt steeds individualistischer. Onze leden komen spontaan bij elkaar over de vloer. En als iemand een keer vervelend is, is het een klootzak, maar wel onze klootzak.”


Om vijf uur ’s middags is het tijd om het kamp op te breken: Operatie Stofwolk. De mannen pakken hun tentjes en slaapzakken in. Dan gaan ze de poort uit, terug de burgermaatschappij in. Het jongensboek gaat weer even dicht. |

tekst en foto's Eric Böhm