Zwemmen, eten, slapen

O, o, ik was er al bang voor en mijn vrees werd ten volle bewaarheid.

Maarten van der Weijden, die in 2008 olympisch kampioen werd op de tien kilometer openwaterzwemmen in Peking nadat zijn acute lymfatische leukemie was bezworen door een reeks zware chemokuren, heeft gemeend dat die ervaring zo bijzonder was dat hij er wel een boek over kon schrijven, en dat is een bar slecht boek geworden. Hij zal zich gespiegeld hebben aan Lance Armstrong, die eveneens van kanker herstelde, vervolgens een zegevierende comeback maakte in de wielrennerij en daar een boek over schreef. Al was het maar omdat werkelijk álle familieleden en vrienden met die onverbiddelijke bestseller van Armstrong kwamen aanzetten toen Van der Weijden als ‘een zielig vogeltje’ in het ziekenhuis lag, en het nog maar helemaal de vraag was of hij het er levend af zou brengen. Olympisch goud was wel zo’n beetje het laatste waar zijn artsen indertijd over speculeerden als ze met de patiënt over zijn vooruitzichten spraken.

Maar voor een boek is meer nodig dan het gegeven van een nipte overwinning op de dood en de daarop volgende verrijzenis van de held, want een bijzondere ervaring levert niet automatisch een bijzonder boek op. Daarvoor is het dienstig dat de schrijver kan schrijven, om maar iets te noemen, en die vaardigheid heeft Maarten van der Weijden nooit ontwikkeld, omdat hij het altijd veel te druk had met zwemmen.

In Beter schetst hij een hilarisch beeld van het trainingsprogramma dat hij volgde ter voorbereiding op de Olympische Spelen: zwemmen, eten en slapen. En vooral van dat slapen maakte hij veel werk, want dat diende te geschieden in een tentje waarin de luchtdruk kunstmatig werd geregeld: dat was beter voor zijn conditie. Elk vrij moment bracht hij plichtsgetrouw door in dat tentje, zelfs als hij niet sliep. Wat overigens zelden het geval was, want vijftien uur slaap per etmaal was de regel.


Kennelijk is dat de spirit als je in een bepaalde tak van sport de top wilt bereiken, en daar zijn ongetwijfeld moed, optimisme en doorzettingsvermogen voor nodig, allemaal voortreffelijke eigenschappen, maar als voorbereiding op het schrijverschap is het niet je dat. Lezen is er bijvoorbeeld niet bij; zelfs in het boek van Armstrong vordert hij traag, laat staan dat hij toekomt aan andere auteurs die aan de hand van hun eigen ervaringen een paar interessante, originele ideeën hebben geformuleerd over het thema van een levensbedreigende ziekte. Misschien kun je dat ook niet eisen van een hardwerkende topsporter, maar het gevolg is wel dat Van der Weijden voortdurend bezig is om het wiel opnieuw uit te vinden. En zo hobbelt hij moeizaam voort, op zijn zelfgeknutselde fiets met houten banden.

De pakkendste opmerking plaatst hij meteen in het begin, als hij memoreert wat hij tijdens een persconferentie antwoordde op de vraag ‘hoe hij zijn leukemie overwonnen had’. Van der Weijden: “Ik heb mijn leukemie niet zelf overwonnen. Ik ben gaan liggen en heb het ondergaan.”

Het zogenaamde ‘vechten tegen de ziekte’ is onzin, luidt zijn conclusie dan ook, en van de neiging om de patiënt de schuld te geven van zijn ongeluk (te wijten aan een ‘negatieve instelling’ of ‘opgekropte emoties’) moet hij ook niets hebben. Terecht, maar daar hebben schrijvers als Susan Sontag, Karin Spaink en Renate Rubinstein al eerder op gewezen. En vele malen beter.

Emma Brunt

Maarten van der Weijden:

Beter.

Ambo. €17,95.

Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

1 Taal is zeg maar echt mijn ding (1) – Paulien Cornelisse


2 Beter (-) – Maarten van der Weijden

3 Echte mannen eten geen kaas (2) – Maria Mosterd

4 Bindi (3) – Maria Mosterd

5 De grote recessie (-) – Casper van Ewijk & Coen Teulings

6 De Prooi (6) – Jeroen Smit

7 Was hij in de aanbieding? (5) – Yvonne Kroonenberg

8 Na de pauze(7) – Herman Finkers

9 Ik stond laatst voor een poppenkraam (4) – Lucie Mosterd

10 De gevallen engel (9) – John van den Heuvel & Bert Huisjes

import non fictie