Zwervers in de HEL

Ola Mafaalani, sinds begin dit jaar artistiek leider van het Noord Nederlands Toneel, brengt de klassieker La Divina Commedia op de planken. Maar dan wel als een spannende, eigentijdse roadmovie. Met de Amerikaanse trapeze-artiest Dreya Weber als moderne Beatrice, die het paradijs verbeeldt.

Een krachtige, indringende, theatrale stijl met veel vaart, kabaal, muziek, dans en rauwe zwierigheid. Politiek toneel dat bol staat van ouderwets engagement. Wie hiervan huivert, mijde de toneelstukken van artistiek leider Ola Mafaalani. Sinds begin dit jaar leidt de geboren Syrische het Noord Nederlands Toneel, het nieuwe huisgezelschap van de Stadsschouwburg Groningen. Na een eigentijdse Medea brengt ze daar nu een dito Dante op de planken. Het is een van de handelsmerken van Mafaalani, (40, gitzwart haar, gitzwarte ogen, ontegenzeggelijk een schoonheid): ze gebruikt de klassieken als raamwerk om een verhaal van nu te vertellen. Op die wijze bracht ze eerder als gastregisseur bij Toneelgroep Amsterdam stukken als De koopman van Venetië en Romeo en Julia van Shakespeare en een bewerking van Wim Wenders’ film De hemel boven Berlijn. En nu is er La Divina Commedia, afgekort LDC. De fictieve reis die Dante Alighieri (1265-1321) maakte door het hiernamaals (van de hel via het vagevuur naar het paradijs) is omgetoverd tot een spannende roadmovie. De Dante van Mafaalani is een vluchteling die terechtkomt in Nederland. Een zwerftocht volgt, doorspekt van tranen, boottochten, dorst, landkaarten, vergunningen, bossen, honger. En veel stoeptegels. Uiteindelijk is er de engel Beatrice die zich het lot van Dante aantrekt en hem letterlijk en figuurlijk optilt – tegen alle wetten van de zwaartekracht in.

“Tijdens het regisseren van De hemel boven Berlijn, bij Toneelgroep Amsterdam, lag LDC op mijn nachtkastje. In beide stukken komen namelijk veel engelen voor – en ik houd van engelen, ik gebruik ze graag op het toneel. Ik las ’s avonds in LDC, voor ik ging slapen. Puur voor de cadans, het ritme, ter inspiratie. Opeens hoorde ik mezelf tegen mijn dramaturge Dirkje Houtman zeggen: ‘LDC wordt de volgende die we gaan doen.’ ‘O nee!’ zei zij. Want ze weet wat voor enorme lap tekst het is. Ik heb het idee een tijdje laten liggen, totdat ik trapeze-artiest Dreya Weber tegenkwam. Ik vroeg haar of ze niet bang was daar boven in de lucht. Ze had het over de zwaartekracht, hoe fascinerend het is die te overwinnen. Dat is vrijwel onmogelijk. Dante was óók bezig het onmogelijke te doen. Hij was verbannen uit zijn stad, en schreef vervolgens het epos LDC. Als je de politieke of alledaagse situatie niet kunt veranderen of eraan kunt ontsnappen, dan doe je maar iets dat nog groter is. Anders win je het niet. Dat begrijp ik, dat begrijp ik heel goed. Zo ontstond het concept dat Dreya het Paradijs of de Hemel uitbeeldt.


“Dreya heeft met Merijn de Jong, die Dante speelt, een pas de deux in de lucht die adembenemend is. Het bijzondere is: Dreya zou degene zijn die Merijn vasthoudt tijdens hun act in de lucht, terwijl zij zelf vastgeketend zit. Maar zij heeft verzonnen dat hij háár vasthoudt op tien meter hoogte. Ik vond dat de omgekeerde wereld, zij is degene met de ervaring, zij moet de safety maken, als hij loslaat is zij dood. Zij zei: ‘Zo werkt het daarboven niet. Een fout van wie dan ook betekent vallen. Juist hem de verantwoording geven, is mijn safety.’ Het moment dat Merijn Dreya met één arm op tien meter hoogte vasthoudt, vind ik nog steeds het allerengste. Zij in een embryohouding, zijn hele arm om haar heen. Ik heb vaak ‘stop!’ geroepen uit angst, maar ze lachten me dan samen uit: ‘Oké, nu weten we dat het aankomt. Mogen we nou doorwerken?’ Ik wilde eigenlijk iets kleins in de lucht, maar dat is het grote ding geworden. Omdat Merijn zo verdomd goed is in de lucht. Een natuurtalent.”

“Als je iets onmogelijks wilt doen, zoals Dante of Dreya, kan dat alleen maar als je heel jong begint en je je hele leven daarop focust. Ik ben zelf ook iemand die altijd hetzelfde wil zeggen. Totdat het niet meer gezegd hoeft te worden. Ik probeer theater te maken waarin de moordenaars, de zelfmoordenaars, de wellustigen – ja, dat zijn allemaal termen uit LDC, ik zit daar nu zo in – in mijn theater een verblijfplaats vinden onder ons. Mijn hoofdfiguren zijn altijd mensen die door de maatschappij verstoten zijn. Bij Dante zijn dat de zwervers en de vluchtelingen. Bij Medea waren dat moeders die hun kinderen vermoorden. Zo’n vrouw wordt gezien als een waanzinnige, een beest. Daar wil niemand iets van weten. De omgeving niet, de buren niet, de familie vaak niet eens. Maar ik wil daar nieuwsgierigheid naar creëren, omdat je de signalen pas op kunt pikken als je ze herkent. Dán hoor je het als iemand zegt: ik ga naar de hemel met mijn kinderen. Dan kun je doorvragen: hoe stel je je dat voor?


“Ja, ik wil een oplossing aandragen. Nee, nee, nee, dat is niet te idealistisch! Juist niet. Er hoeft maar één iemand te zijn die zegt: ‘Wat vind je ervan als de kinderen een tijdje naar je zus gaan? Zodat jij even bij kunt komen?’ Dat wil iedere moeder, daar kun je van uitgaan. Het moment van waanzin is zo sterk. Maar het is maar één moment!”

Twee jaar was Ola Mafaalani toen ze vanuit het Syrische Damascus naar Duitsland verhuisde omdat haar vader daar uroloog werd. Ze viel op door haar zwarte haren en ogen, iedereen wilde haar altijd aanraken. “Terwijl ik het liefst als iedereen wilde zijn. Later was dat wel leuk. Alle jongens wilden met mij, omdat ik anders was.” Ze was ‘het zwarte schaap’ van de familie, ze brak iedere regel die er was. Luid was ze, en altijd erg aanwezig – ook op school. Na school zou ze medicijnen gaan studeren, alle toelatingsexamens haalde ze, toen ze zich opeens realiseerde: ‘Ik wíl dit helemaal niet – mijn leven lang met zieke mensen! Ik moet er niet aan denken!’ In haar laatste schooljaar maakte ze een afscheidsvoorstelling. “Het was bedoeld als wraak op de leraren. Voor al die bullshit die ze maar bij jou neerleggen op school, waaraan jij je moet conformeren. Met een eigenwijsheid! Geen verstand van zaken, dacht ik jaar in, jaar uit!” De voorstelling werd een groot succes. “Ik dacht: ik heb mijn taal gevonden. En ben theater gaan studeren. Oók omdat een vriendje tegen me zei: ‘Jij moet theater doen, want jij overdrijft altijd zo. Jij bent altijd zo theatráál.'”

Na twee jaar theaterwetenschappen in Duitsland – een regie-opleiding leek haar te hoog gegrepen – switchte ze naar Amsterdam. Want daar mocht ze vrij gebruik maken van de theaterzaal van de universiteit. “In Duitsland kostte me dat klauwen met geld.” Een paradijs voor Mafaalani, die erop los experimenteerde met stukken. Daarna ging het steil opwaarts met de carrière van de Syrische. Na voorstellingen in de kleine zalen en het winnen van de Erik Vos Prijs voor aanstormend regisseurstalent, vond ze definitief de weg naar haar grote liefde: de Grote Zaal. “Ik ben gek op de Grote Zaal. Als je een schouwburg binnen komt, is het alsof je een kerk binnen komt. Dat heeft een geschiedenis, een allure! Ik heb daar ontzag en respect voor. Maar ik screw er wel graag mee. Ik geef het publiek graag een rol. Bij het stuk Ajax bijvoorbeeld heb ik adventure seats (stoelen op het podium – red.) verkocht; de toeschouwers werden daarin heel vies. Later in het stuk werden zij de jury die het einde van het verhaal bepaalt. Dat zijn dingen die je meer in een kleine zaal verwacht. Ik doe dat vanuit het idee: laat de schouwburg van nú zijn!”


De samenwerking met haar partner Ko van den Bosch, die de meeste teksten voor haar schrijft, is essentieel voor haar. “Kijk, ik ben nogal zwáár. Ik kan mensen heel goed aan het huilen brengen. Maar theater moet ook vitaliteit en lucht hebben. Anders is er geen actie mogelijk. Ko’s aandeel is daarin heel groot. Ik zeg kei-moralistisch wat ik wil zeggen, hij zorgt dat het op een luchtige, niet-moralistische manier wordt verwoord. Verzint gekke constructies, zodat bezoekers ook een vermakelijke avond hebben. Het moet ook fun zijn. Ondenkbaar voor mij om zonder hem te werken. Ik haal er ook acteurs bij die heel autonoom werken, zodat het vitaliteit krijgt. En ja, ook privé ben ik degene die het zwaarst op de hand is. Ik ben degene die de relatie ondervraagt. Maar dat doen geloof ik de meeste vrouwen.”

Voor LDC verdiepte ze zich anderhalf jaar in de situatie van zwervers en vluchtelingen. Al die research, is ze daarin uniek als regisseur? “Dat weet ik niet. Met regie is het net als met seks: je weet niet hoe een ander het doet.

“Dante zegt heel vaak: ‘Ik was een mens, ooit.’ Dat zijn heel bijzondere processen: wanneer vóélt een mens zich nog mens – en wanneer is hij ontmenselijkt? Veel van de vluchtelingen die we spraken, voelden niet meer dat zij als mens gezien werden. Het ‘geval’ dat mij het meest pakte, was dat van een man die vanuit Marokko naar Marseille was gevlucht. Daar zag hij een documentaire over Johan Cruijff; vervolgens dacht hij: dat volk is sympathiek, ik ga naar Nederland! Maar de man heeft geen papieren. Nederland gelooft niet dat hij uit Marokko komt. Marokko heeft geen gegevens van hem – hij is vroeg wees geworden – dus hij kan niet naar Marokko uitgezet worden. Hij wordt regelmatig opgepakt omdat hij illegaal is. Dan zit hij drie maanden in een cel – waar hij dan niet uit mag – en vervolgens krijgt hij een treinticket naar een of andere bestemming: zoek het maar uit! Tot hij weer wordt opgepakt en in de cel gegooid, waarna er weer wordt gezegd: we weten ons geen raad met jou, ga maar weer in de illegaliteit. Bizar. Dat lijkt mij nou echt de hel. Dat is ook letterlijk wat er in de hel van Dante gebeurt: er is geen ontwikkeling meer, alleen nog maar eeuwige herhaling.”


“Zelf heb ik geen enkele landidentiteit. Ik voel me niet Syrisch, niet Duits, en ook niet Nederlands. Mensen snappen daar vaak niets van, Ko ook niet. Maar ik héb dat gewoon niet. Waar mijn kind is, ben ik thuis. En waar mijn vrienden zijn. Er is geen enkel land dat ik zou verdedigen in een oorlog. Ik kan er niet eens tegen dat ik in Italië als toerist word gezien, als ik daar ben om me te verdiepen in Dante. Ik ben voor de chaostheorie. Kijk, ons economisch systeem maakt slachtoffers elders in de wereld. Daarna zeg je tegen mensen die die landen ontvluchten: ‘Maar jij mag er hier niet in.’ Dat is gewoon onjuist. Misschien zou het niet onrechtvaardig zijn als de economische crisis goed doorbreekt. Dan kunnen we andere dan materiële waarden opbouwen. Ja, ik ben tegen materialisme. Reclamemakers zijn de grootste boeven voor mij. Die plegen een grote brainwash, door jou te vertellen hoe je gelukkig wordt. Ze zitten in de psyche van de mens te wroeten. En wij – idioten – ervaren het als vrije keus. Ongelofelijk hoe manipulatie werkt, en hoe je er zelf ook in trapt. Daarom is er ook geen ruimte voor zwervers, anders kan je die jurk en schoenen niet kopen. Je bent toch niet gek: je gaat toch niet aan een vreemde jouw geld afstaan? Dit is de tijd van het grootste egocentrisme sinds de mens bestaat.”

“Een engel kent geen materialisme, daarom gebruik ik ook zo vaak en graag engelen in mijn werk. En engel staat daarboven. Als je een engel invoert gaat het ook ineens over de hele planeet, niet alleen maar over Amsterdam of Nederland. En hij staat voor totale amoraliteit: hij helpt net zo goed het slechte personage als de goede. Nee, zo’n engel heeft geen enkele link met een godsbeeld. God bestaat helemaal niet, wat een onzin: God! Al die generaties die dat hebben aangehangen. Het is gewoon literatuur: de Bijbel of de Koran. Het wordt zo overgewaardeerd. Ik bedoel: Plato’s werk is ook heel goed geschreven, heel slim. Dat ga je toch ook niet aanhangen? Al is het gemis aan religie ook wel jammer. Dat er alleen nog maar materialisme is, geen plek om samen naartoe te gaan, te zingen. Voor mij is het theater de plek waar mensen zich nu verzamelen om naar het verhaal van een ander mens te luisteren.”


“Ja, ik vind het fijn nu een eigen thea- tergezelschap te leiden. Meer en meer ging mijn theater over het gehéél. Ik geloof in de totaalervaring voor het publiek: het eerste contact als je binnenkomt, hoe je wordt benaderd aan de telefoon, hoe de affiches eruitzien: ik wil overal bij betrokken zijn. Ik wil het theater van de stad, de hele samenleving laten zijn.” Bij Medea organiseerde ze een parallelvoorstelling op de Grote Markt in Groningen. “Merijn de Jong, die Jason speelde, stapte tijdens de voorstelling op zijn fietsje naar de Grote Markt, om daar de andere kant van het verhaal te vertellen. De oppas deed buiten een monoloog naar de hemel. Hij kon vragen of daar nog pijn was. Dat was nogal ontroerend. Het is voor mij geen detail dat je een deel van de voorstelling in de buitenwereld speelt. Dat is heel spannend. Kijk, binnen in de schouwburg ben ik God, daar mag ik het helemaal beslissen. Maar daarbuiten moet je van goe- den huize komen om passanten te doen stoppen. Het geheel was nogal ontroerend, want de monoloog van de oppas was ook in de schouwburg terug te horen.

“Mijn overtuiging is dat in elk mens het verhaal van de mensheid zit. Daar bouw ik bij het Noord Nederlands Toneel de komende jaren alles omheen. Wij willen een transparant huis zijn, waar je gewoon in- en uitloopt. Dat van iedereen is. We gaan een nieuwe dialoog aan met mensen. Twee keer per maand houden we nu op zondag clubavonden waarin we belangrijke verhalen van Groningers als een soort Hamlet benaderen. Noraly Beyer verzorgt dat. Daaromheen hebben we theatrale acts. We laten de bezoekers zelf de hoofdrol zijn.”


‘La Divina Commedia’ is tot en met 2 oktober te zien in de Stadsschouwburg Groningen. Daarna tournee door het land.

Hilde Postma, foto's Elsbeth Tijssen