Tineke Ceelen

Tineke Ceelen (Lith, 1963) is directeur van de Stichting Vluchteling. Onlangs verscheen haar boek Hier en daar een crisis – achter de schermen van de internationale hulpverlening. door Renate van der Zee, foto Jos Lammers

Tevreden, want mijn boek is eindelijk uit. Dat boek, dat was een ideetje van Jeroen Pauw. Hij zei: schrijf je verhaal op, kaft erom, nietje erdoor, klaar is Kees. Maar zo makkelijk was het nou ook weer niet. Sommige verhalen rakelden veel ellende op.

Mijn helden zijn kleine kinderen, bejaarden en fragiele vrouwen, vluchtelingen die met de moed der wanhoop moeten overleven en het ook nog kunnen opbrengen om anderen een helpende hand toe te steken.

Ik erger me groen en geel aan automobilisten die met een slakkengang op de linkerrijbaan blijven rijden als ik eraan kom. Ga dan met de fiets!

Ja. Ik ben net zo koppig. Als mijn vader en ik ergens aan beginnen, moet het af, ook als we halverwege bedenken dat het erg ingewikkeld wordt.

Een wereldreis naar landen waar ik normaal gesproken nooit kom. Want de landen waar ik wél kom, daar kun je beter niet naartoe gaan.

Het Afrikaanse verkeer. Het leven in Afrika voltrekt zich in slowmotion. Maar zodra een Afrikaan achter het stuur kruipt, verandert hij in een roekeloze snelheidsduivel.

Nee. Toen ik klein was, moest ik naar de kerk. Maar mijn ouders hielden dat kerkbezoek zelf niet vol. Dus dat was snel over.

Je bedoelt lampen die aan- en uitgaan of een stoel die door de kamer loopt? Nee, hoor.

Nu in ieder geval niet, want ik heb een blauw oog van hier tot Tokio. Uitgegleden over een tekening van mijn dochter die op de trap lag.

Het valt me op dat zelfs vluchtelingen toch nog gelukkig kunnen zijn. Een paar wieltjes onder een plastic fles en je hebt een speelgoedauto, en het kind straalt. Geluk hoeft niet duur te zijn.

Ik heb niets om me voor te schamen. Behalve dat blauwe oog misschien. Staat zo sullig.


Monogamie moet in ieder geval het uitgangspunt zijn, maar ik heb er best begrip voor dat na een jarenlange relatie het gras bij een ander eventjes groener lijkt.

Als ik huil, dan is dat meestal uit woede of frustratie. Bijvoorbeeld toen mijn dochter met haar Wii speelde en per ongeluk twee brandende kaarsen door de kamer sloeg en overal, werkelijk overal kaarsvet op zat.

In mijn vak spreek je niet van moed. Ik mijn vak spreek je van de bittere noodzaak om weloverwogen risico’s te nemen.

Van mijn ouders. Van mijn vader leerde ik nooit op te geven en geen half werk te leveren. En van mijn moeder is de onsterfelijke uitspraak: voor elk praktisch probleem bestaat een praktische oplossing.

Ik wil nogal eens voor mijn beurt praten. Dwars door een vergadering heen toeteren omdat ik vind dat ik iets te zeggen heb.

Als je zoals ik een paar keer per jaar naar geweld, ellende en verdriet reist, dan prijs je jezelf voortdurend gelukkig dat je hier woont.

Zelfstandigheid, humor, creativiteit en eigenzinnigheid. Dat maakt mensen interessant.

Dezelfde.

Ik heb diabetes, dus ik zou zeggen: repareer die alvleesklier even. Ik zit vast aan een insulinepomp en dat is heel onhandig op reis. Je moet hem regelmatig bedienen, en hij piept.

Mijn eerste serieuze vriendje. Ik zie hem nog regelmatig.

Van mijn dochtertje. Als die een paar dagen niet thuis is, vind ik het leven niet meer leuk.

Ik heb een aantal jaren in Tibet en Kameroen gewoond, maar het is me nooit gelukt de lokale talen te leren. Ik weet nog dat mijn ouders op bezoek kwamen in Tibet en ik op mijn paasbest mijn vader heb voorgesteld als mijn varken. Toen dacht ik: nu kap ik ermee.


Het is juist mijn werk om het leed van anderen te verzachten.

Nederland is geweldig, maar dat waren Kameroen en Tibet ook. Ik voel me makkelijk ergens thuis.

De kolonie bezonnebrilde heren die mij zomaar arresteerden in Darfoer. Ze hebben me bedreigd en in doodsangst laten zitten. Ik hoop ze nooit meer te zien.

Je verstand gebruiken, je ogen open houden en er maar het beste van hopen.

Hou op met zeuren en doe wat.

import zelfportret