De last van het vet

Elke week op de website: één artikel uit HP/De Tijd. Dit keer: Beatrijs Ritsema: Doordat voedsel zo goedkoop is, lijkt het waardeloos; dat werkt zwelgen en verspilling in de hand.

Zondagavond 19.45 uur, station Bovenkarspel; we staan te wachten op de trein naar Hoorn. In het wachthokje vijf tieners: drie meisjes, twee spichtige en een wat forsere, onderhouden zich met twee dikke jongens. Het gaat er gezellig aan toe in dit gezelschap van hooguit zestienjarigen. Van enige gêne over hun teveel aan lichaamsgewicht is bij de jongens niets te merken – ze sloven zich uit tegenover de meisjes zoals jongens dat vaker doen. Even later betreden twee keuvelende dames het perron. Allebei minstens twintig kilo te dik. Ook de dames, van wie het gezicht er jonger uitziet dan het lichaam, praten en lachen alsof er niets aan de hand is. En er ís natuurlijk ook niets aan de hand, want deze willekeurige steekproef van negen burgers op een perron vormt een volmaakte afspiegeling van de  Nederlandse bevolking, van wie ruim veertig procent overgewicht met zich meetorst. Dikte is geen uitzondering meer, het is bijna de statistische norm.

Toch word ik door medelijden en woede overvallen. Medelijden, omdat het onwaarschijnlijk is dat deze mensen ooit van hun leven van hun overgewicht af zullen komen, en woede op de maatschappij in het algemeen, die zodanig giftige omstandigheden heeft gecreëerd en laat voortwoekeren dat mensen zich blijven volproppen. Deze woede verhoudt zich slecht met het liberale idee dat mensen persoonlijke verantwoordelijkheid dragen voor hun lichaam. Aan de andere kant is het wel heel kil om mijnwerkers met stoflongen voor te houden dat ze dan maar een ander baantje hadden moeten zoeken. De obesitas-epidemie is misschien wel heel vergelijkbaar met stoflongen. Het is geen kwestie van domheid of morele zwakte, maar van een giftige omgeving.

De beste illustratie hiervan zijn de cijfers. In arme landen, zoals Nigeria of Sierra Leone, zijn mensen driekwart van hun inkomen kwijt aan voedsel om in leven te blijven. In Nederland anno 1950 was dat vijftig procent, in 1970 dertig procent, en nu in 2009 ligt dat iets boven de tien procent. Gewoon dagelijks voedsel, brood, groente, aardappels, suiker, rijst, kaas, vlees en vis is onvoorstelbaar goedkoop. Zo goedkoop dat het geen waarde meer heeft. Hoeveel een mens ook aanschaft aan levensmiddelen, hij merkt het nauwelijks in zijn portemonnee. Het is niet nodig om van tevoren zorgvuldig af te wegen wat er nu weer eens in de supermarkt aangeschaft zal worden, omdat alle voedingssoorten binnen ieders financiële bereik liggen, met als verborgen angel dat het caloriegewijs weelderigste voedsel (bestaande uit suiker of vet of allebei) het goedkoopst is.

Vlees is ook problematisch. Voor de eiwitten die een mens van 65 kilo dagelijks nodig heeft, volstaat 75 gram vlees (of vis of kaas of andere bronnen van eiwit), maar de gemiddelde vlees- en zuivelconsumptie ligt dichter bij de twee ons per dag. Ook vlees, zelfs in biologische, gelukkige-dieren-vorm, is disproportioneel goedkoop.

Hoe ethisch is een maatschappij die ruim baan geeft aan luxe waarmee burgers zichzelf langzaam opknopen? Ja, ik weet het, het staat iedereen vrij zijn eigen consumptiepatroon te kiezen, de overheid hoort geen zedenmeester te spelen en bovendien is er ook nog zoiets als het mondiale kapitalisme met zijn eigen wetten van vraag en aanbod, waar de landelijke politiek nauwelijks invloed op heeft. En toch denk ik dat voedsel in de westerse landen te goedkoop is. Voedsel is iets anders dan potloden, computers of wasmachines die voor meer mensen bereikbaar worden naarmate ze goedkoper kunnen worden geproduceerd. Voedsel is een menselijke basisbehoefte en te belangrijk om in het totale financiële plaatje de plaats van een fooi in te nemen. De goedkoopte ervan werkt verspilling in de hand, zwelgen, decadentie, en dan heb ik het nog niet eens over het beslag op landbouwgronden voor veevoer en uitputting van de visstand in de oceanen. Doordat voedsel zo goedkoop is, lijkt het ook waardeloos, zoals slobberwijn waarvan het niet erg is als er een glas omvalt. Flessen genoeg en dronken word je toch wel.

Een maatschappij waarin burgers gemiddeld dertig procent van hun inkomen aan voedsel moeten besteden, lijkt me beschaafder, rechtvaardiger, ethischer en ongetwijfeld beter voor de volksgezondheid dan de huidige situatie. Voor gevaarlijke beroepen gelden tegenwoordig tal van veiligheidsverordeningen, dus overheid, kom maar op met die vettax, suikertax en verdrievoudig de vleesprijzen. Burgers zullen er wel bij varen.

Beatrijs Ritsema