De taal van Wilders

Geert Wilders onderscheidt zich van de andere Kamerleden door een heel eigen spraakgebruik. Lof komt daarin zelden voor, beledigingen des te meer, en een ronkende retoriek. Van Afschaffen tot (spuug)Zat: een ABC van de taal van Wilders.

Een van de eerste teksten die Geert Wilders als politiek entrepreneur publiceerde, in maart 2005, kort na zijn vertrek bij de VVD, is zijn ‘Onafhankelijkheidsverklaring’, een soort beginselprogramma van de ‘Groep Wilders’. Als Wilders vandaag zo’n manifest zou publiceren, zou het heel anders van toon zijn. Wilders heeft zich dan weliswaar al van de VVD en de ‘oude politiek’ afgekeerd, maar hij heeft jarenlang voor prominente VVD’ers speeches geschreven, en hun taal plakt nog een beetje in zijn mond.

Hij gaat zijn beweging ‘vormgeven’, lezen we, er is sprake van ‘problematiek’ die ‘centraal gesteld’ moet worden, wij ‘dienen’ ons ‘allereerst te realiseren dat’, er wordt ‘licht op groen gezet’, we treffen vertrouwd Haags jargon aan als ‘een opt-out’, het ‘basisstelsel’, ‘resocialisatie’, ‘facilitering’ en ‘gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming’. Wilders neemt zelfs afstand ‘onverantwoord populisme’. Kom daar nog eens om!

Niet dat het een tamme Haagse tekst is; hij staat bol van de radicale voorstellen, maar het is duidelijk dat Wilders zijn toon nog niet helemaal gevonden heeft. De paragraaf over immigratie en integratie bevat opmerkelijk genoeg nog het minste gooi- en smijtwerk. Misschien beseft Wilders dat hier de echte springstof van zijn gedachtegoed ligt en wikt hij zijn woorden, misschien is het omdat hij in dit onderwerp het beste is ingevoerd en dus ook meer besmet met het bijbehorende beleidsjargon.

Het gehele artikel staat in de HP/De Tijd van deze week.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Jan Kuitenbrouwer