‘Ik los alles op’

Met zijn 450 winkels draait hij een omzet van zo’n 1,1 miljard euro in Europa, zijn vermogen wordt op 200 miljoen geschat. Keukenkoning Ben Mandemakers (1956) stuitert bijna van enthousiasme als hij over zijn bedrijf praat. ‘Ik zoek altijd het gezeur op.’ door Sara van Gorp, foto Jos Lammers

De momenten waar ik het meest van geniet, zijn de zondagen dat ik met mijn vrouw door het lege kantoorpand loop. Dan heb ik dat trotse moment: “Tsjakka, het is gelukt!” Ik ben dan blij omdat ik het bedrijf in de afgelopen dertig jaar zelf heb opgebouwd, mijn twee oudste zoons werken er en mijn jongste komt er misschien ook wel bij. Dan denk ik: dit is van onze familie, dit is ons geluk. Dan kijk ik hoe goed de planten erbij staan, hoe mooi het restaurant is, hoeveel mensen daar gezellig gaan eten. Ja, dan ben ik heel trots, dan geniet ik.

Ik kon goed naar de mavo, maar ik wilde iets met mijn handen doen, timmerman worden. Maar tijdens mijn eerste sollicitatie, toen ik de ladders op moest, merkte ik dat ik hoogtevrees had. Ik ging aan de slag in een meubelfabriek, maar ik ben geen echt technische vakman. Klanten helpen in de doe-het-zelfzaak die erbij zat, dát vond ik leuk! Ze begonnen een zaak in Breda, elke ochtend vroeg vertrok ik vanuit Kaatsheuvel op m’n brommertje, om elf uur ’s avonds kwam ik weer thuis. Mijn eerste baas en mijn vader hebben me gevormd met dat harde werken; niet zeuren en gáán. Op m’n 21ste begon ik in de schuur van mijn vader met een keukenshowroom. Die eerste tien jaar ben ik altijd met geld bezig geweest, omdat ik het niet had. Ik begon met vijfduizend gulden, had niet eens geld voor een kacheltje. Altijd moest ik vechten om de rekeningen te kunnen betalen, en na tien jaar ging ik geld verdienen. Inmiddels lever ik meer dan 45.000 keukens per jaar in Nederland, en met de keukens in België, Duitsland, Polen en Tsjechië erbij zijn het er 65.000 per jaar. En de afgelopen vijf jaar heb ik ook nog een meubelketen opgebouwd; dat kan allemaal nog veel beter, professioneler, daar werk ik voor.


Al dertig jaar lang werk ik zo’n tachtig uur per week, maar ik heb een goed timemanagement. Elke ochtend ben ik om zes uur op de zaak, drie avonden in de week werk ik door, en op zaterdag en zondag ga ik vaak langs de winkels. Maar als ik thuis ben, ben ik er ook helemaal. Dan ga ik niet liggen slapen op de bank, wat veel anderen doen omdat ze moe zijn; ik ben niet moe. Na een uur of vijf, zes slaap ben ik weer topfit. Elke ochtend zwem ik thuis, twee keer in de week fitness erbij en minimaal drie avonden in de week geen wijn, anders ben je niet fris.

Ik ben altijd kritisch, op mezelf, op anderen. Als ik in een van m’n 450 winkels kom en ik zie een gastvrouw daar stokstijf staan en ze smilet niet, dan kan ik moeilijk doen. Ik ga direct naar zo iemand toe. Dan zeg ik: “Ik ben Ben Mandemakers en ik zie dat jij je baantje niet leuk vindt. Daar gaan we verandering in brengen, ik neem contact op met jouw directeur en jij gaat het echt anders doen. Want dit gaat niet goed, dit bevordert mijn klandizie niet.” Mensen reageren dan geschokt. Ik wil niet dat ze bang voor me zijn, maar wel dat ze weten wat ik bedoel. Ik laat mensen nadenken; ze moeten gaan beseffen: Dit moet ik morgen anders doen, anders pas ik niet bij De Mandemakers Groep.

Ik kijk over heel veel schouders mee, een controlfreak ben ik. Van de vijfduizend man personeel die ik heb, spreek ik zo’n 250 man geregeld. En dertig man rapporteren aan mij, alle directeuren, alle managementteamleden. Met hen spar ik. Als iemand geen weerwoord durft te geven, past-ie niet bij mij. Maar als ik een visie heb en iemand ziet het anders, moet-ie van heel goeden huize komen om me te overtuigen, anders buig ik niet om. Ik mag het hier allemaal beslissen, en dat is wel een fijn gevoel. Ik ben ook een beslisser, twijfelen doe ik niet. Ik doe liever iets fout dan dat ik te lang nadenk. Dat is véél efficiënter. Als ik echt een probleem heb, een bedrijf gekocht dat qua resultaten ellende oplevert bijvoorbeeld, dan heb ik er twee dagen last van. Ik slaap er zelfs een uur minder om, maar daarna heb ik het opgelost. Negatieve stress, daar doe ik niet aan. Ik los alles op, dat weet ik zeker.


Als het allemaal georganiseerd is zoals ik het wil, dan word ik onrustig. Concepten bedenken, daar hou ik van. Nieuwe dingen op de markt zetten, hopen dat het aanslaat. Ik zoek altijd het gezeur op, het moet lastig zijn. Als ik een bedrijf koop dat lastig is, dat vind ik leuk. Dat is een uitdaging, dan moet ik anders denken en schakelen. In deze tijd hoor je iedereen over de crisis, maar dat woord wordt hier niet gebruikt, dat is allemaal negatieve energie. Sommige mensen zitten tegen de muur te huilen, maar dat accepteer ik hier niet. Ik hoef het niet moeilijk te hebben, wij groeien nog steeds. Ik hou van groei. Een absoluut hoogtepunt was de bouw van het kantoorpand aan de overkant. Het was een gigantisch grote investering, vijftien miljoen gulden. Twaalf jaar geleden was dat, ik had toen een stuk of tien winkels. Ik bouwde dat kantoor en het magazijn, maar dat was voor de helft te groot. Maar ik zei: “Maakt niet uit, ik wil groeien!” Het was een risico; toch vond ik het niet eng. Ik heb altijd vertrouwen in mezelf. Iedereen dacht toen wel: wat gaat die Ben Mandemakers nou weer doen, die is gek geworden. Maar na vier jaar zat m’n kantoor vol, het vijfde jaar heb ik op het magazijn nog een kantoorverdieping moeten bouwen en magazijnruimte erbij moeten huren.

Achttien jaar geleden begon ik met het sponsoren van RKC Waalwijk; eigenlijk kon ik het toen nog niet betalen. Per keer dat ik op die shirtjes stond, kostte het me 12.000 gulden, dat was voor mij verschrikkelijk veel geld. Maar ik heb het toch gedaan, uit liefde voor het voetbal en om te proberen landelijke bekendheid te krijgen. Dan was zo’n wedstrijd op tv en zag ik de naam Mandemakers Keukens op die borden staan, naast de Rabobank, daar had ik niet van kunnen dromen. Dat ik dat als Ben Mandemakers bereikt had, dat vond ik helemaal geweldig. En sinds tien jaar heet het stadion het Mandemakers Stadion, dat is mooi. Inmiddels heb ik het qua naamsbekendheid helemaal niet meer nodig, maar ik sponsor ze nog steeds.


Natuurlijk wil ik weleens wat rustiger aan doen, of eens zelf lekker mijn gras maaien. Toen ik m’n nieuwe huis bouwde, kocht ik een tractor. Daarmee ging ik voortaan mijn weilanden zelf doen, want dat is ontspanning. Nou, die tractor is er gekomen, maar Ben Mandemakers heeft er nooit op gezeten. Of nou ja, één keer. Na mijn vijftigste ben ik wel meer gaan denken hoe het verder moet. Voor die tijd had ik het idee dat ik tweehonderd werd. En sinds drie jaar denk ik: Hé, ik heb de meeste boterhammen op! Nou moet er eens een tijdstip komen dat ik meer ga genieten van vrij zijn, maar dat lukt niet altijd. Een dezer dagen wordt mijn eerste kleinkind geboren, en daarvoor wil ik om de paar weken een vrijdagmiddag vrij zijn. Ik ga dat wel doen vanaf januari, dat meen ik echt.

import succes