Jong, sexy en operadiva

‘The opera ain’t over ‘till the fat lady sings,’ zeggen ze in Amerika. Maar tegenwoordig gaat dat niet meer op. Want de nieuwe lichting sopranen is superslank, beeldschoon en poseert met de allure van een Hollywoodster voor het cd-boekje. En de diva’s kunnen ook nog eens acteren. door Renate van der Zee

De beroemde Amerikaanse sopraan Deborah Voigt viel zestig kilo af nadat ze een maagband had laten plaatsen. In interviews vertelde ze dat ze dat had gedaan omdat ze pijn in haar knieën kreeg en al buiten adem raakte als ze alleen maar de straat overstak. Maar wie een beetje was ingevoerd in de operawereld wist wel beter. Voigt was in 2004 door het Londense Royal Opera House Covent Garden uit de productie van Ariadne auf Naxos geschrapt omdat ze met geen mogelijkheid in haar kostuum paste, een zwart cocktailjurkje met spaghettibandjes. En dat terwijl Ariadne nou juist Voigts handelsmerk was, de rol waarmee ze groot was geworden. Ze moet zich hebben gerealiseerd dat ze, als ze verder wilde met haar carrière, echt iets aan haar gewicht moest doen.

Wat Deborah Voigt overkwam, zou tot voor kort ondenkbaar zijn geweest. Beroemde sopranen werden, al waren ze tonnetjerond, zonder enig probleem gecast als aan tuberculose stervende demi-mondaines, fragiele Japanse kindvrouwtjes of zeventienjarige bruidjes uit de Schotse hooglanden. Ook als ze een kop groter waren dan de tenor vormde dat geen enkel obstakel. Tijdens het liefdesduet werd de tenor dan strategisch op een rotsblok geplaatst of voorzien van hooggehakte laarzen. En het publiek accepteerde het allemaal – als er maar goed werd gezongen, want het ging tenslotte om de muziek. De operawereld vormde een van de laatste bastions waar het uiterlijk nog ondergeschikt was aan de kunst. Je kunt zelfs zeggen dat de fat lady werd gecultiveerd. In Nederland gebeurde dat door de volslanke sopranen Caroline Kaart en Cristina Deutekom. Daarnaast werd ons beeld van de klassieke operadiva generaties lang bepaald door de creatie van Kuifje-tekenaar Hergé: Bianca Castafiore. Maar in die beeldvorming lijkt een definitieve kentering te zijn gekomen.


Het wordt wel het Netrebko-effect genoemd, naar de jonge Russische sopraan Anna Netrebko. Die deed in 2005 tijdens de Salzburger Festspiele het theater op zijn grondvesten trillen door de manier waarop ze Violetta zong in een spraakmakende Traviata-productie. Netrebko bleek niet alleen een uitstekende zangeres, maar ook nog eens beeldschoon, superslank en in het bezit van een indrukwekkende theatrale uitstraling. “Audrey Hepburn met een stem,” jubelden de critici. En dat lijkt de nieuwe standaard te worden voor operazangeressen. “Many of our singers could double as fashion models,” staat bijvoorbeeld te lezen op de website van de San Francisco Opera. “Opera is ready for its close-up,” kenschetste het Amerikaanse blad Vanity Fair de situatie. En portretteerde vervolgens Anna Netrebko als glamourbabe, samen met haar opvallend knappe collega-zangeressen Maija Kovalevska en Danielle de Niese. Vanity Fair had er net zo makkelijk een uitklapbare cover van kunnen maken, want er is tegenwoordig een heel leger bloedmooie, jonge, talentvolle sopranen voorhanden. Neem bijvoorbeeld de Duitse Annette Dasch, de Britse Kate Royal en Katherine Jenkins of de Russische Marina Poplavskaya, die onlangs nog werd bejubeld om haar rol van Violetta bij de Nederlandse Opera. Poplavskaya zong niet alleen geweldig, ze zette ook haar lange blonde haar voor honderd procent in.

Deze operazangeressen zijn echte babes en daar doen ze hun voordeel mee. De hoogblonde, sexy Jenkins, die met haar uitnodigende decolleté en volle lippen aan alle eisen voldoet waaraan een Hollywoodster dient te beantwoorden, is bijvoorbeeld de eerste Britse klassieke musicus die in één jaar tijd twee albums op nummer één had staan. Dat ook klassieke musici sexappeal bezitten en daar zonder gne gebruik van maken, is geen nieuwe ontwikkeling – denk aan Janine Jansen en Lang Lang – maar de laatste tijd beginnen ook operazangeressen hun partij daarin steeds luider mee te zingen.


Maar wat is er dan waar van het aloude adagium dat extra lichaamsgewicht zo gunstig zou zijn voor het stemgeluid? Over Maria Callas is wel gezegd dat haar stem, nadat ze bijna dertig kilo was afgevallen, nooit meer helemaal dezelfde is geworden. Gewicht zou een mooier geluid garanderen, en daar bestaan verschillende theorieën over. Een grote hoeveelheid vet rond het strottenhoofd zou bijvoorbeeld de resonantiecapaciteit verbeteren, waardoor een indrukwekkender geluid zou ontstaan. Een andere theorie wil dat een krachtig middenrif en een grote lichaams-massa om dat te ondersteunen een groter volume zouden bewerkstelligen. Maar alle theorieën ten spijt komen de nieuwe sopranen met hun maatje 36 net zo moeiteloos over het orkest heen als hun voluptueuze collega’s.

“Die Stimme soll in Fett gebettet sein, werd vroeger altijd gezegd,” zegt Annett Andriesen, operazangeres, docente en directeur van het Internationaal Vocalisten Concours. “Maar je ziet tegenwoordig Twiggy’s op het toneel waar geweldig veel geluid uit komt. Ik denk dus dat dat hele verhaal gewoon een excuus is om na de voorstelling lekker te eten. Ik vind het een goede ontwikkeling dat nu van operazangeressen wordt verwacht dat ze er beter op letten hoe ze zich presenteren. Laten we eerlijk zijn, het is toch veel geloofwaardiger om de rol van Mimi, die immers aan tuberculose lijdt, door een slanke sopraan te laten zingen? Het toneelbeeld wordt realistischer, en dat is alleen maar goed. En dat zeg ik geheel onbevooroordeeld, want ik ben zelf niet een van de slanksten.”

De opkomst van de babe-sopraan heeft alles te maken met hoe verwend het moderne publiek is geraakt. In de bioscoop en op de televisie zijn alleen maar prachtige actrices te zien, in tijdschriften en reclames worden alle fysieke onregelmatigheden rigoureus gefotoshopt. Wie wil er dan in het theater nog een gezette vrouw van middelbare leeftijd de partij van een jong meisje zien zingen? Bovendien wordt het Nederlandse publiek tegenwoordig steeds meer geconfronteerd met opera. Allerlei initiatieven bieden nieuwe mogelijkheden om opera te beleven, zoals het Kameroperafestival in Zwolle en de Operadagen in Rotterdam. Filmhuizen en bioscopen vertonen met veel succes operaregistraties, zelfs live via de satelliet vanuit de Metropolitian Opera in New York.


Die strengere eisen die tegenwoordig worden gesteld, gelden trouwens niet alleen voor de sopraan, maar ook voor de tenor – zij het in iets mindere mate. Het moderne publiek accepteert geen onderdeurtje met een bierbuik meer als amoureuze held, al zingt hij de sterren van de hemel, maar eist Rolando Villazón. Luciano Pavarotti, die zijn leven lang worstelde met zijn gewicht, is overleden, en het lijkt alsof daarmee ook het type tenor waar hij voor stond ter ziele is gegaan. De moderne tenor zorgt dat hij er goed uitziet.

Die ontwikkeling heeft niet alleen te maken met een verwender publiek. maar ook met de toegenomen macht van de regisseur. Vroeger had de prima donna het voor het zeggen en moest de regisseur buigen voor haar nukken. Maar tegenwoordig is de regisseur de baas, zozeer dat soms zelfs de dirigent onder diens juk zucht. “Vroeger was opera zingen met een kostuum aan. Maar tegenwoordig wordt het als een volwassen theatervorm beschouwd,” zegt muziekcriticus Aad van der Ven. “Je ziet nu dat veel theaterregisseurs en ook filmregisseurs zich gaan toeleggen op operaregie. En die willen een geloofwaardig beeld neerzetten op toneel. Het visuele aspect is veel belangrijker geworden. De tijd dat opera een zingende verkleedpartij was, ligt definitief achter ons, en ik vind dat een vruchtbare ontwikkeling.”

Het gevolg is dat van operazangers tegenwoordig ook veel meer wordt geëist als het gaat om acteren. Ooit zong de wereldberoemde Australische sopraan Joan Sutherland onbeweeglijk als een zoutpilaar de waanzinaria uit Lucia di Lammermoor – ook weer gesecondeerd door een tenor die een kop kleiner was. Niemand durfde er kritiek op te hebben, al was iedereen het erover eens dat ze haar bijnaam La Stupenda niet te danken had aan haar podiumpersoonlijkheid. Tegenwoordig besteden conservatoria veel meer aandacht aan podiumvorming en neemt een zichzelf respecterende operazanger mime- of schermlessen, zodat hij weet hoe hij zich soepel over het toneel moet bewegen. Een Siegfried die als een houten klaas staat te zingen, is een zeldzaamheid geworden.


Maar hoezeer de nieuwe diva’s ook hun voordeel doen met hun uiterlijk en acteertalent, wat blijft is dat ze hoe dan ook goed moeten kunnen zingen. En wat dat betreft doen de nieuwe diva’s niet onder voor oude ‘giganten’. “Je krijgt een partij heus niet alleen omdat je er mooi uitziet,” zegt operazangeres Tania Kross, die zich voor haar eerste cd door Erwin Olaf liet portretteren en daarom het predikaat ‘hoezepoes’ kreeg opgeplakt. “En het is echt niet zo dat alleen de Netrebko’s en Villazóns aan de bak komen. Kijk maar naar de beroemde Britse bariton Bryn Terfel. Toen hij begon, had hij nog het meeste weg van een grote zweterige os. Maar hij is gewoon heel erg goed, en daar dankt hij zijn succes aan. Geloof me: als je niet kunt zingen, dan kom je er niet.”

Niet iedereen juicht de toegenomen aandacht voor uiterlijk vertoon op het operatoneel toe. Michael de Roo, directeur van het Kameroperafestival Zwolle, vreest dat het weleens de voorbode van een diepe crisis binnen de opera zou kunnen zijn. “Al die pracht en praal, al die overdaad op het toneel: op een gegeven moment zijn de grenzen bereikt. Dan is ‘nog meer’ gewoon niet meer mogelijk. En wat doet het publiek dan? Komt het dan nog opdraven? Ik denk dat het hoog tijd is om de focus weer te richten op de componist.”

import cultuur