Maarten van der Weijden

Maarten van der Weijden (Alkmaar, 1981) is olympisch kampioen open water zwemmen op de tien kilometer. Ondanks verscheen zijn boek Beter, waarin hij het verhaal vertelt van zijn ziekte, leukemie, en zijn genezing. door Renate van der Zee, foto Jos Lammers

Zoekende. Ik ben vorig jaar gestopt met zwemmen en daarna heb ik me gestort op het schrijven van mijn boek. Dat boek ligt nu in de winkels en ik heb voor het eerst in lange tijd geen duidelijk doel.

De mensen in mijn nabije omgeving. Vanwege mijn sport heb ik heel weinig tijd voor hen gehad, maar ze hebben altijd geaccepteerd dat ik een droom had.

Aan mensen die mij als een held zien omdat ik kanker zou hebben overwonnen. Toen ik hoorde dat ik leukemie had, ben ik gaan liggen en heb ik het ondergaan. Ik heb zelf aan mijn herstel geen bijdrage geleverd, dat hebben de artsen en de verpleegkundigen gedaan. Het is een vergissing te denken dat je kanker kunt overwinnen. Ik heb gewoon mazzel gehad.

Ik lijk op mijn vader. Het exacte, rationele denkvermogen heb ik van hem. Van mijn moeder heb ik het zachtere meegekregen. Kunnen ouwehoeren over niets. Gezellig zijn.

De dagdroom die ik van mijn zevende tot mijn 27ste koesterde, is waarheid geworden.

Nee. Nooit.

Nee. Maar ik heb wel twee keer in mijn leven meegemaakt, de eerste keer toen ik de diagnose leukemie te horen kreeg en de tweede keer toen ik olympisch goud won, dat het was alsof mijn lichaam zich afsloot en ik naar een film keek. Dat was heel onwerkelijk.

Voor mijn vriendin wel. Voor de rest maakt het me weinig uit.

Door het zwemmen is geluk voor mij altijd gekoppeld geweest aan prestatie, aan een doel. Ik kom er nu achter dat doelloos geluk net zo mooi is.

Ik schaam me ervoor dat ik gezichten en namen zo slecht onthoud. Als ik iemand ontmoet, sta ik nooit stil bij de kleur van zijn ogen of de vorm van zijn gezicht. Dat krijg ik echt niet mee.


Ja. Die houding bezorgt mij het meeste levensgeluk.

Toen ik mijn relatie verbrak in voorbereiding op de Olympische Spelen. Ik wist dat dat de enige weg was. Een relatie en zwemmen, dat werkte toen niet. Gelukkig is het later weer goed gekomen.

Als ik overtuigd ben van de noodzaak kan ik behoorlijk moedig zijn. Ik kan geen dingen bedenken die ik dan niet zou doen.

Van mijn vader. Hij heeft me geleerd het leven realistisch te bekijken. Met name in het ziekenhuis en de sport geloven mensen het liefst in sprookjes. Dat je door positief denken iets kunt afdwingen. Maar volgens mij helpt alleen realistisch denken. Gewoon bedenken hoe de wedstrijd gaat verlopen en de juiste strategie kiezen.

Als ik iets lekkers in huis heb, maakt niet uit wat, chips, koekjes, nootjes, dan gaat het onmiddellijk op. Je hebt aan mij een slechte met een schaal nootjes op tafel.

Zorgzaamheid en menslievendheid. En het feit dat ze de wereld anders ziet en me daar in mee neemt.

Eerlijkheid, duidelijkheid en oprechtheid.

Als ik een doel heb, ga ik er helemaal voor. Als ik geen doel heb, ben ik lui. Die extremen hebben me veel opgeleverd, maar voor mij als persoon mag het wel wat minder.

Leuke dingen doen met mijn vriendin. Van samen het huis schoonmaken tot lekker naar de Efteling.

Mijn vriendin Daisy.

Tijdens het EK in 2006 won ik zilver op de tien kilometer en was ik op de 25 kilometer de grote kanshebber voor goud. Maar halverwege de race zag ik een Russische zwemmer ervandoor gaan. Ik ging achter hem aan, maar miste een boei. Toen moest ik tweehonderd meter terug. Ik werd achtste, terwijl ik de sterkste was.

Ik vind het treurig als ik tegenstanders zie die jarenlang trainen en op de dag dat het er echt om gaat net van mij verliezen. Dat vind ik vreselijk voor hen.


Nee. Daar ben ik te realistisch voor.

In een rustig dorpje.

Niet. Je moet elke dag je stinkende best doen. Maar dan nog kun je het niet helemaal vermijden.

Aan structuur. Vastigheid geeft mij een goed gevoel.

Vergroot je kans, werk hard.

Volgende week: Ewout Irrgang

import zlfportret