Recht op krijsen

‘Jonge managers missen moraal,” bleek vorige week uit een onderzoek van KPMG. Jonge managers (dat wil zeggen mannen) vinden moraal, ethiek, verantwoordelijkheidsgevoel en respect irrelevante thema’s. Het onderwijs besteedt te weinig aandacht aan ethiek, stellen hun werkgevers. Laat tien bankmanagers een spel doen met de woorden ‘betalen, euro, financieel, salaris, winst, geld en cheque’ en tien anderen met ‘hechten, liefde, samen, vrede, vriend, empathie en affectie’. Laat ze vervolgens een klacht afhandelen, en de eerste groep zoekt de fout bij de klant, de tweede bij de bank zelf.

Priming heet dat in de psychologie, en zo zijn we de laatste twintig jaar collectief geprimed op waarden als markt, rendement, efficiency, zelfredzaamheid, eigenbelang. Daar hoorde je de profeten van het marktdenken nooit over, dat zagen ze in hun ijver even over het hoofd: dat bij de markt ook een marktmentaliteit hoort. Gatherers worden weer hunters.

Het antwoord: meer handhaving, meer controle. Just do it! roepen de billboards ons toe langs de weg naar het werk, waar we vergaderen over protocollen en gedragscodes. Haast elke week wordt wel ergens een nieuwe ‘gedragscode’ aangekondigd.

“Misschien moeten wij ons weer realiseren dat er ook een soort controle is die niet bestaat uit meer toezicht op banken en verzekeraars, meer regels voor de samenleving,” schreef de Leidse student Arne Munch vorige week in de Volkskrant over de moderne managementcultuur. “Het is misschien wel de moeilijkste vorm van controle: zelfbeheersing.”

Het hoge woord is eruit. Zelfbeheersing!

Toch heeft deze aankomende manager een punt. Sla de catalogi van Postbus 51 en Sire erop na, de meeste misstanden waar deze samenleving mee worstelt zijn erop terug te voeren. Het Korte Lontje, het Comazuipen, Bemoeizieke Sportouders, Onbewust Asociaal gedrag: zelfbeheersing. (Dat wil zeggen: gebrek aan.) Het Grote Graaien, de Bonuscultuur: zelfbeheersing. Een nationale cursus ‘impulscontrole’ (psychotaal voor zelfbeheersing) zou misschien effectiever zijn dan al die codes, campagnes en protocollen. Just don’t do it.

Wij wonen vrij dicht bij een lagere school. Een paar keer per dag spelen de kinderen buiten, en het geluid dat ze daarbij produceren is indrukwekkend. Gelukkig heb ik een werkplek buitenshuis waar het stil is, maar sinds kort is een deel van dat gebouw in gebruik genomen voor naschoolse opvang. Ik kan nu alleen nog kiezen wanneer ik krijsende kinderen wil horen, in of buiten schooltijd.


De laatste tijd doen zich geregeld conflicten voor tussen basisscholen, crèches en dergelijke en de omwonenden die last hebben van het lawaai. De Tweede Kamer vroeg milieuminister Jacqueline Cramer om maatregelen en vorige week was het zo ver: scholen, kinderdagverblijven et cetera worden vrijgesteld van de bestaande normen voor geluidsoverlast. Krijsende kinderen zíjn geen geluidsoverlast, dus eigenlijk. In de media brandde direct een felle discussie los, die tot vandaag voortduurt. De klagers en de zaakwaarnemers van het krijsende kind, ouders, schoolhoofden, maken elkaar over en weer voor egocentrisch en onverdraagzaam uit.

Waar ligt het nu aan, heb ik me vaak afgevraagd: schreeuwen kinderen harder of piepen burgers eerder dan vroeger? Of ik zelf schreeuwde als schoolkind, en zo ja hoe hard, kan ik me niet meer herinneren. Ik zie mij- zelf nog over het schoolplein rennen, ik zie de juf, andere kinderen, de speeltoestellen, maar er zit geen geluid bij.

Omdat het aantal kinderen op die buitenschoolse opvang bij mijn werkplek de komende jaren flink gaat toenemen, oriënteerde ik me op alternatieven. Op een bedrijventerreintje stond een kantoor leeg. De beheerster leidde me rond, een vriendelijke vrouw op leeftijd. Er stond ook nog een veel grotere ruimte leeg. “Die willen ze graag huren voor de buitenschoolse opvang,” zei ze, “maar die herrie, daar voel ik niet voor. Ik ben m’n hele leven onderwijzeres geweest, bijna vijftig jaar lang, maar zoals die kinderen tegenwoordig kríjsen, het is om gek van te worden.”

“Deden kinderen dat vroeger niet?”


“Jawel,” zei ze, “maar het mocht niet van ons.”

“En jufs en meesters van nu?”

“Die vinden dat dat moet kunnen. Dat die kinderen zich ongeremd moeten kunnen uiten. Ik ken er, die dragen oordopjes! Wij zeiden: je mag spelen, je mag praten, je mag roepen, maar niet kríjsen. Kinderen moeten zich toch ook leren beheersen?”

“Ja. Enfin, dat is te zeggen…”

Blijkbaar dus niet.

import kuitenbrouwer