De overheid is te gulzig

Het kabinet begon met grootse dromen over een maakbare samenleving. Maar het jeugdbeleid, de inburgering, de krachtwijken en talloze andere dossiers zijn aan het mislukken.

Eerst gaan we de lezer flink bang maken met een verhaal over ‘megacrises’ in de 21ste eeuw. Huivert u even lekker mee? “Onze hedendaagse maatschappij wordt met steeds grotere en complexere dreigingen geconfronteerd. Het gaat niet alleen om de dreiging van grootschalig geweld (zoals confrontaties in en tussen fragiele staten, terrorisme), maar ook om nieuwe risico’s en crises (ICT, voedselproductie, nieuwe virussen). In vergelijking met de klassieke rampen lijkt er telkens weer sprake te zijn van een overtreffende trap in onzekerheid enerzijds en urgentie tot overheidsingrijpen anderzijds.”

Zo opent het nieuwste nummer van het magazine Nationale veiligheid en crisisbeheersing van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Vervolgens pakt een keur van experts 72 pagina’s lang uit met alle mogelijke rampen die ons kunnen treffen – en natuurlijk de plannen die de overheid moet maken om die te voorkomen. De boodschap is duidelijk: de wereld is nog nooit zo eng geweest. En wie de opsomming van echte en denkbare rampen (tsunami’s, kredietcrisis, aanslag op de Olympische Spelen) leest, is bijna geneigd het te geloven. Bijna, want bij nuchtere beschouwing blijkt het hele verhaal nogal te rammelen. Er zou een halve jaargang van HP/De Tijd voor nodig zijn om alle denkfouten in het magazine te weerleggen, maar de kern ervan is kort samen te vatten: het is het eeuwige misverstand dat het huidige tijdperk uniek is en dat de onzekerheden en problemen nooit eerder zo groot zijn geweest. De oorzaak van die hardnekkige denkfout is dat de geschiedenis terugblikkend altijd overzichtelijk lijkt, met heldere historische trends. Na de riddertijd kreeg je de Renaissance en daarna de Barok. Die overzichtelijkheid is bedrieglijk: de ridders zelf wisten helemaal niet dat ze in de Middeleeuwen leefden en Leonardo da Vinci wist niet dat hij een typische renaissanceschilder was. Zij waren net zo onzeker over de toekomst als wij, alleen beseffen we dat nu niet meer.


Een veelgehoorde variant van die denkfout duikt ook weer op in het blad van Binnenlandse Zaken. Het is de gedachte dat de dreiging tijdens de Koude Oorlog overzichtelijk was (alleen de Russen) maar nu van alle kanten kan komen en dus ‘een overtreffende trap in onzekerheid’ met zich meebrengt. Kennelijk zijn de experts van Binnenlandse Zaken vergeten dat het Warschaupact twintig jaar geleden honderden divisies en duizenden kernkoppen kon inzetten tegen het Westen – een gevaar dat oneindig veel groter was dan Al-Qaida nu. De wereld heeft in 1948 (Berlijn), 1956 (Suez, Hongarije) en 1962 (Cuba) op de rand van een wereldoorlog en dus van totale vernietiging gestaan. De stelling van Binnenlandse Zaken dat politici nu met ‘steeds grotere en complexere dreigingen’ worden geconfronteerd, is aantoonbare onzin.

Dat geldt ook voor andere paniekzaaierij in het blad. De beurscrises, epidemieën en natuurrampen waar we nu mee te maken hebben, zijn níet erger dan vroeger. De Spaanse griep eiste in 1918-1919 meer slachtoffers dan de hele Eerste Wereldoorlog. Wie dan stelt dat de Mexicaanse griep een nieuwe en ongekende ‘megacrisis’ is, geeft blijk van een verontrustend gebrek aan historisch besef.

Het magazine is geen eenmalige miskleun; het is typerend voor het risicodenken waar overheid en politiek nu van doordrenkt zijn. De Britse socioloog Frank Furedi noemt het ‘the politics of fear’, de politiek van de angst. Politici en ambtenaren zien niet alleen overal risico’s, ze hebben zich ook voorgenomen om die uit te bannen. Of het nu om terrorisme, milieu of opvoeding gaat, ze willen alle risico’s in kaart brengen en voorkomen. Onze overheidsdienaren geloven in feite weer volop in de maakbare samenleving, een maatschappij die ze tot in de kleinste uithoeken kunnen beheersen. Alleen, al die controlemaatregelen – dossiers, databanken, betuttelende regels – roepen op hun beurt weer verzet en wantrouwen op tegen de overheid, zo stelt Furedi. De kritiek op dat risicodenken zwelt aan, ook in Nederland.


De Amsterdamse hoogleraar beleids- en bestuurswetenschap Willem Trommel spreekt van een ‘gulzig bestuur’, een overheid die zich met alles wil bezighouden. In het vakblad voor ambtenaren en politici Binnenlands Bestuur beschuldigt hij de staat ervan een hollebolle gijs te worden: “In plaats van sociale rechten, zoals die werden verschaft door de verzorgingsstaat, komt er in toenemende mate stringent voorzorgsbeleid, dat allerlei interventies tot diep in het persoonlijke leven vereist. New welfare heet dat en het berust op het idee van de maakbare mens.”

Voorbeelden daarvan zijn het Elektronisch Kinddossier en de verplichte huisbezoeken in probleemwijken. Het probleem is nu dat hollebolle gijs te veel hooi op zijn vork heeft genomen. Dit kabinet begon met gedetailleerde plannen om de samenleving tot in de kleinste uithoekjes te gaan controleren en regelen, maar loopt nu tegen zijn eigen onvermogen aan. Alleen al de afgelopen weken liep het op vier beleidsterreinen vast. Een landelijke databank waar alle mensen met problematische schulden verplicht in moeten, gaat voorlopig niet door. Vier directeuren van Eindhovense woningcorporaties verklaarden het ‘krachtwijkenbeleid’ in een open brief failliet. De grote gemeentes zeiden openlijk dat ze het voorgeschreven aantal van zestigduizend inburgeraars ‘never nooit’ gaan halen. En minister André Rouvoet gaf zelf toe dat zijn eigen jeugdbeleid ‘ingrijpend’ anders moet. De verzorgingsstaat is te ver doorgeschoten en is een te grote rol gaan spelen bij het voorkomen en bestrijden van risico’s bij de opvoeding.

Al eerder liepen het Elektronisch Patiëntendossier, de slimme elektriciteits-meter en de kilometerheffing averij op – stuk voor stuk systemen die de burger ‘voor zijn eigen bestwil’ tot in details in de gaten houden.


Zelfs uit de Sociaal-Economische Raad – toch niet de meest revolutionaire club in Nederland – komt nu harde kritiek op het risicodenken van de overheid. In het laatste nummer van het SERmagazine kraakt Marjolein van Asselt, hoogleraar risk governance in Maastricht, een paar harde noten over ‘de mythe van veiligheid’. Minister Jacqueline Cramer zei een tijdje geleden over kernreactoren: “Ik sta voor absolute veiligheid.” Camiel Eurlings deed vergelijkbare beloftes over tunnels in de A73. Dat is vragen om problemen, want niemand kan absolute veiligheid beloven. “Politici beloven graag zekerheid en veiligheid,” stelt Van Asselt. “Daarom doen ze die beloftes, tegen beter weten in.” Politici denken dat ze gezag verliezen als ze tegen kiezers zeggen dat ze ook niet een-twee-drie een oplossing hebben. Maar het is juist omgekeerd, denkt Van Asselt. Politici moeten leren om onzekerheid te accepteren. “Zekerheid beloven die je niet waar kunt maken, leidt tot een negatieve spiraal. Het vertrouwen raakt dan steeds meer uitgehold.”

Bart de Koning