Debutantenbal

Ze zijn nog ver onder de dertig en worden toch al opgemerkt door de serieuze literatuurcritici. Wat beweegt jonge vrouwen om avonden achter hun computer te zitten om zoiets achterhaalds te doen als een roman schrijven. Een rondetafelgesprek.

Op jullie leeftijd wist, kon en durfde ik niets. Waar halen jullie het zelfvertrouwen vandaan een literair boek te schrijven en te publiceren?

Alma Mathijsen: “Mijn moeder (Marita Mathijsen, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde – red.) heeft mij altijd erg gestimuleerd om verhalen te schrijven. Op de middelbare school al. Ik laat altijd alles aan haar lezen. Als zij het goed genoeg vindt, durf ik het ook aan anderen te laten lezen. Zonder mijn moeder had ik nooit durven schrijven.”

Anke Scheeren: “Ik laat mijn familie nooit lezen wat ik schrijf. Mijn ouders hebben er ook niet zoveel mee, ze hebben geen Nederlands gestudeerd. Maar ze vonden het wel leuk. Ik heb gewoon altijd verhalen geschreven, van jongs af aan. Toevallig bleek ik er ook goed in te zijn. Maar ik heb ook veel slechte dingen geschreven.”

Hannah Buenting: “Ik ben opgegroeid in een omgeving waarin het heel normaal was dat je schreef. Mijn vader geeft Nederlands als tweede taal en mijn moeder is eindredacteur van een vakblad. Veel vrienden van mij zijn met taal in de weer. Ik kwam als vanzelf bij Spunk terecht, en daar hoorde ik al snel dat het er mocht zijn wat ik schreef.”

Mathijsen: “Bij Spunk zijn ze voortdurend op zoek naar literair talent. Dus als je er eenmaal iemand kent, word je snel gevraagd.”

Scheeren: “Ik heb een langere weg bewandeld. Toen ik de voorronde van de schrijfwedstrijd Write Now had gewonnen, durfde ik pas te geloven dat ik misschien goed was. Op aanraden van de jury heb ik verhalen naar tijdschriften gestuurd, die werden gepubliceerd. En zo ging het verder.”


Mathijsen: “Ik was ook niet echt bezig met publiceren. Binnen spelen ontstond toen ik voor Spunk een column moest schrijven en er spontaan een absurd verhaal uitkwam waarin ik het met premier Balkenende deed. Ik had zoveel plezier gehad met schrijven daarvan, dat ik nog twaalf figuren bedacht met wie ik erotische avonturen beleefde. Pas toen anderen zeiden dat het goed was, durfde ik aan publiceren te denken.”

Jullie horen bij Generatie Y (geboren tussen 1980 en 1995). Die generatie is grenzeloos optimistisch, is opgegroeid met internet en dus vertrouwd met een constante stroom van informatie op elk moment van de dag. Jullie kunnen goed keuzes maken.

Buenting en Mathijsen in koor: “We kunnen juist niet kiezen!”

Mathijsen: “Ik vind het moeilijk om voor één ding te gaan. Ik koos voor de Rietveld Academie omdat je hier alles mag uitproberen. Ik publiceerde Binnen spelen op mijn 21ste. Daarbij had ik de Parool-column en schreef ik voor Spunk. Dag in dag uit zat ik thuis achter de computer terwijl mijn vriendinnen lekker aan het studeren waren, uitgingen en een ov-jaarkaart hadden. Het schrijversbestaan werd me te eenzaam, ik was te jong. Ik wilde meer, maar wist niet wat ik wilde, en kon. Nu weet ik dat ik wil schrijven.”

Buenting: “Ik vind schrijven niet eenzaam. Dat alleen thuis zitten vind ik juist fijn. Ik zie het als rust, een vakantie van mijn dagelijkse, jachtige bestaan.”

Scheeren: “Ik vind veel bevrediging in het zoeken naar mooie woorden en zinnen. Het proces van herschrijven vind ik heel fijn. Pielen met zinnetjes, volgorde, spelen met taal. Maar ik doe het omdat ik door het schrijven mijn ei kwijt kan.”


Jullie zijn als Generatie Y door je ouders erg verwend met aandacht en gestimuleerd om te doen wat jullie willen.

Buenting: “Dat klopt voor mij. Mijn ouders hebben me veel zelfvertrouwen gegeven. Ik twijfel niet aan mezelf. Niet dat ik denk dat ik alles weet. Maar van mijn ouders hoefde ik geen dokter te worden of een andere goedbetaalde baan te nemen omdat dat nu eenmaal zekerheid geeft.”

En jullie zijn de generatie zonder boodschap, zonder politiek engagement. Jullie kwamen nooit in opstand tegen jullie ouders, omdat zij jullie beste vrienden zijn.

Mathijsen: “Iemand zei tegen me: een boek is pas goed als je moeder het verschrikkelijk vindt. Daar kan ik me zo kwaad om maken. Waarom moet een boek shockerend zijn? Waarom moet ik in opstand komen, of me ergens tegen afzetten? Daar gaat het me helemaal niet om. Wat wij doen is iets aanraken, een sfeer schetsen, een gegeven beschrijven. Maar soms vind ik het jammer dat ik geen moraalridder ben.”

Buenting: “Dat zou leuk zijn, dan heb je tenminste een duidelijk verhaal.”

Mathijsen: “Mensen van onze leeftijd slaan zich liever voor hun kop dan dat ze zeggen: dit wil ik doen. Zelf kan ik niet goed tegen mensen die heel idealistisch zijn of een boodschap hebben. Het komt bij mij niet meer aan; ik heb het al zo vaak gehoord.”

Scheeren: “Het is geen bewuste keuze om geen boodschap in je romans te stoppen. Voor ons zit het geen boodschap hebben in ons leven verweven.”

Buenting: “Ik schrijf geen heel epos over de problematiek in het Midden-Oosten of over 9/11. Liever schrijf ik over een wereld die dichtbij ligt. Dat herken ik bij generatiegenoten; onze wereld is best klein. Maar of dat slecht is?”


Mathijsen: “Scenarioschrijfster Maria Goos vertelde mij eens dat ze het bijna jammer vindt dat ze de Tweede Wereldoorlog niet heeft meegemaakt. Het is dan tenminste duidelijk waar je over moet schrijven.”

Scheeren: “Ik heb niet de pretentie om iets te zeggen met mijn boek. Met mijn roman bekijk ik de wereld op een kleiner niveau. Het leven van een meisje.”

Buenting: “Dat bedoel ik met de wereld die dichtbij ligt.”

Mathijsen: “Zo gek is dat niet. Wat het dichtst bij je staat, kun je het best beschrijven. In nrc.next heb ik een verhaal geschreven over de dag dat mijn vader werd begraven. Dat is echt gebeurd, ik was toen negen. Het is een van de beste dingen die ik ooit heb geschreven, omdat het zo dicht bij me staat. Het was ook heel humoristisch, en dat vind ik erg belangrijk. Verdriet komt veel harder aan als je het met humor beschrijft. In dat verhaal van die begrafenis schrijf ik alleen maar over dat meisje van negen, dat met de knopjes van de limousine aan het spelen is. Dat maakt het extra snijdend. Laatst zag ik de film Simon weer. Het viel me op dat Simon steeds meer grapjes maakt als hij zieker wordt en euthanasie gaat laten plegen. Dat maakt die film mooi. Ik sta ook zo in het leven. Bij tegenslag ga ik niet lopen mopperen, van wat is mijn leven toch zwaar. Ik maak er dan grappen over.”

Scheeren: “Met mijn boek wil ik een sfeer neerzetten. De mooiste dagen gaat over miscommunicatie. Iets zeggen maar iets anders bedoelen, niet zeggen wat je werkelijk denkt of voelt. Ik kan het grappig of diep tragisch vinden en daardoor interessant om het op te schrijven.”


Buenting: “Ook mij gaat het om sfeer. Het rauwe, het grove spreekt mij aan. Ik houd van contrasten, van lelijkheid in mooie dingen. De mooiste liedjes eindigen met een dissonant. Maskers vallen af. Dat vind ik zelf het spannendst om te lezen. En eenzaamheid houdt mij bezig. Ik zie het overal, op straat, op een feestje, waar ik ook ben.”

Jullie boeken lezen als videoclips. De zinnen zijn kort, gesteld in de tegenwoordige tijd, met een heel directe stijl, en het zijn alle drie ik-boeken. Bovendien lijken de hoofdpersonen erg op jullie; het zijn hoogopgeleide Nederlandse vrouwen van voor in de twintig.

Buenting: “Wij zijn gewend om in de tegenwoordige tijd te schrijven. Dat is iets van nu. We hebben een gemeenschappelijke stijl: niet wollig, kort, duidelijk.”

Scheeren: “Een debuut ligt het dichtst bij je persoonlijkheid. In latere boeken ga je je fantasie meer gebruiken.”

Buenting: “Alles wat ik opschrijf, heb ik zelf meegemaakt. Het is natuurlijk wel in een blender gestopt en het heeft een andere kleur gekregen.”

Mathijsen: “Ik begin een boek altijd met iets wat echt is gebeurd. De verhalen in Binnen spelen zijn heel absurd, maar tegelijk ook realistisch. Balkenende is bijvoorbeeld heel herkenbaar. Dat is nodig. Als een verhaal niets herkenbaars heeft, kan de lezer er niets mee.”

Scheeren: “Als je een gesprek beschrijft, moet het een gesprek zijn dat normaal ook gevoerd wordt. Geen volzinnen die niemand ooit in een normale situatie zou zeggen.”

Mathijsen: “Als ik aan het schrijven ben, vallen alle details me ineens op. Ik ga naar feestjes om te observeren. Zie dan dat iemand een biertje uit de ijskast haalt en het wil geven aan een ander, maar dat die ander dat niet heeft gezien…”


Scheeren: “Het gaat om de dingen die misgaan.”

Mathijsen: “Ik vind het ook erg belangrijk om mijn hoofdpersonen te leren kennen. Daarom doe ik research. Zo heb ik veel over Balkenende, Karin Bloemen, Hans Teeuwen en al die anderen gelezen voor ik de verhalen over ze ging schrijven. Het moet waarheidsgetrouw zijn wat ik over ze schrijf, ook al zijn de verhalen zelf verzonnen.”

Scheeren: “Research doe je ook om in de stemming te komen.”

Mathijsen: “Ja. Door dat onderzoek vormt het verhaal zich in mijn hoofd.”

Buenting: “Imitators doen het ook zo. Ik zag eens een documentaire over het programma Koefnoen. Ze bereiden zich voor door veel te lezen en tv-fragmenten te zien over de persoon die ze gaan imiteren. Uiteindelijk kun je je voorstellen hoe het is om met die persoon koffie te drinken, te praten, en ook naar bed te gaan.”

Mathijsen: “Het gaat om de herkenbare waarheden die uitvergroot worden. Die moet je wel treffend neerzetten.”

In jullie boeken wordt seks beschreven als een heel gewone, dagelijkse bezigheid, of juist als iets hilarisch, zoals in ‘Binnen spelen’.

Buenting: “Daar denk ik totaal niet over na. Ik schrijf niet over seks opdat mijn boek beter verkoopt. In mijn boek kom je seks tegen, omdat ik het leven beschrijf, net als een kopje dat stukvalt of een vader die wegloopt.”

Scheeren: “Als je een relatie beschrijft, dan zit er ook seks in. Ik houd me niet bezig met de vraag wat lezers daarvan vinden. Pas toen mijn boek klaar was en bij de drukker lag, dacht ik: o jee, mijn moeder gaat het straks lezen. Maar toen was het al te laat.”


Mathijsen: “Atte Jongstra schreef over Binnen spelen dat dit een onvoorzichtig begin van mijn carrière was. Hij bedoelde daarmee dat ik niet stil had gestaan bij het effect dat deze seksverhalen op het publiek zouden hebben. Dat klopt. Ik koppel mijn verhalen helemaal los van mezelf. De hoofdperspoon heet wel Alma, maar dat is omdat het me zo leuk leek om die avonturen zelf mee te maken. Ergens hoop ik nog steeds dat dat gebeurt.”

Renske de Greef, die heel vrij over seks schrijft, vertelde ooit dat zij regelmatig mailtjes krijgt van Roy en Anita die een triootje met haar zouden willen.

Buenting: “Dat snap ik niet. We zijn nu zo langzamerhand toch wel gewend aan seks? Is het nu nog steeds zo bijzonder om als daar als jonge vrouw over te schrijven?”

Heleen van Royen is er anders miljonair mee geworden.

Buenting en Scheeren: “Ik heb nog nooit iets van haar gelezen.”

Mathijsen: “Als ik op dezelfde manier over seks zou schrijven als Heleen van Royen, dan zou ik zelfmoord plegen. In mijn verhalen wordt seks op een heel ongebruikelijke, originele en absurd humoristische manier beschreven.”

De emancipatie is voltooid. Jullie worden vast nooit beoordeeld op je vrouw-zijn.

Buenting: “Ik word wel degelijk beoordeeld op mijn imago als jong meisje. Het wordt altijd genoemd in de recensies. Misschien is het ook logisch. Het voordeel is dat je meer aandacht krijgt. Bladen plaatsen liever een foto van mij dan van een oudere man.”

Mathijsen: “Uitgevers vinden je leuk als je jong bent, vrouw en aantrekkelijk. Je krijgt sneller een kans.”

Buenting: “Jong zijn helpt. Absoluut. Men is in de kunstwereld tegenwoordig heel erg op zoek naar een nieuwe generatie. Of het nu om beeldende kunst, film of literatuur gaat.”


Scheeren: “In een recensie in de Volkskrant, die overigens heel prettig was, werd vermeld dat ik blond haar en blauwe ogen heb. Ik dacht toen: was dat nou nodig?”

Buenting: “Als het over Leon de Winter gaat, hebben ze het nooit over zijn uiterlijk.”

Juist wel. Leon de Winter werd in de jaren zeventig bekend als hippie die zwaar literaire boeken schreef. Nadat hij in de jaren tachtig ineens gel in zijn haar was gaan smeren en spannende thrillers ging schrijven, stonden de kranten daar bol van.

Buenting: “O ja?”

Mathijsen: “Dat wist ik niet.”

Scheeren: “Ik ook niet.”

Wie zijn jullie helden?

Buenting: “Simon Carmiggelt, Toon Tellegen, Nicole Krauss, Roald Dahl om hun observaties en absurde humor. Dat schrijnende dat in hun werk naar de oppervlakte komt. Bij Tellegen lijkt het zo lief, maar er zit een heel rauwe ondertoon in. Daarbij schrijft hij de mooiste zinnen van de wereld.”

Mathijsen: “Ik vind de Amerikaan David Sedaris ontzettend goed. Hij schrijft heel mooie zinnen en is erg geestig. Dat is zo’n verademing als je het vergelijkt met de Nederlandse literatuur. Daarin lijkt humor gewoon taboe te zijn. Grunberg is wel grappig, maar ook weer heel ironisch en met een bittere ondertoon. Verder ben ik beïnvloed door mijn moeder, dus ik vind Multatuli en Couperus erg goed.”

Scheeren: “Ik heb veel boeken van Grunberg gelezen. Hij is erg goed. Zijn humor staat mij aan, en de manier waarop hij tragiek laat spreken uit lullige details.”

Wat vinden jullie van Kluun en Saskia Noort? En van Dan Brown?


Alle drie: “Nooit gelezen.”

Mathijsen: “Ik vind thrillers saai. Er gebeurt zo weinig in.”

Scheeren: “In mijn puberteit heb ik de klassieken gelezen, dat moest ik van mezelf. Maar ik was er niet kapot van. Neem Anna Karenina: wat een langdradige en trage stijl.”

Die klassiekers worden niet meer gelezen. Jullie generatiegenoten lezen alleen maar Kluun en Noort en verder wat internetmagazines. Voor wie schrijven jullie dan nog?

Buenting: “Ik geloof gewoon niet dat jongeren niet lezen. Ik ken zo veel mensen die echt lezen, ook Hermans, Mulisch en Couperus. Gerrit Komrij klaagde bij het programma Pauw & Witteman dat de literatuur op sterven na dood is door de komst van bestsellerauteurs als Noort en Kluun. Zij zouden ervoor zorgen dat serieuze literatuur niet meer wordt gelezen. Het antwoord van Kluun vond ik ijzersterk: het lezerspubliek van bestsellerauteurs las vroeger nooit. Het zijn heel andere mensen dan literatuurlezers. Datzelfde heb je met internetlezers. Mensen die nooit lazen, lezen nu wel internetblogs. Maar dat heeft geen invloed op de verkoop van onze boeken.”

Hannah Buenting schreef voor het online jongerenmagazine Spunk en publiceerde in 2004 de verhalenbundel Hieper. Samen met collega’s Renske de Greef en Alma Mathijsen schreef ze het toneelstuk Aangeboden: mijn lichaam, dat door het Poldertheater is gespeeld. In 2008 verscheen haar romandebuut Honderd woorden voor grijs, door critici een ‘geslaagde sprong in het diepe’ genoemd. Ze werkt aan een tweede roman.

Alma Mathijsen studeert aan de Rietveld Academie. Ze schreef columns en artikelen voor Spunk en Het Parool. Sinds maart 2008 schrijft ze voor nrc.next. In 2006 verscheen de bundel Binnen spelen, waarin ze fantaseert over seksuele avonturen met dertien bekende Nederlanders. Binnenkort verschijnt haar romandebuut.


Anke Scheeren is promovendus ontwikkelingspsychologie aan de VU. Ze publiceerde verhalen in de literaire bladen Lava en Hollands Maandblad. In januari van dit jaar verscheen haar debuutroman, De mooiste dagen zijn het ergst, die in alle grote kranten werd besproken. NRC Handelsblad sprak van het ‘opvallendste debuut van 2009’.

Carine Damen