Dries Roelvink

Dries Roelvink (Amsterdam, 1959) is zanger. In februari komt zijn autobiografie Toverballen uit.

Als voor een wedstrijd voetballen, een gezonde spanning. De afgelopen tijd heb ik flink wat meegemaakt en toch ben ik relaxed. Ik heb Harry Mulisch, toch de maestro, laatst een stukje uit mijn autobiografie laten lezen. Hij zei: “Niets meer aan doen.” Daar word ik blij van.

Ben Cramer, Tom Jones. Engelbert Humperdinck en een klein beetje Rex Gildo.

Minister Ter Horst, die pleit voor een blaastest voor voetgangers. Moeten we soms in het café blijven slapen? En parkeren in Amsterdam. Dat is veel te duur.

Ernstig ziek worden, dat er iets gebeurt met mijn kinderen en de dood. Ik heb een doodsangst, ben bang voor de eeuwige slaap. Daar kan ik soms echt somber van worden. Dan ga ik gauw iets leuks doen.

Ja, in eerste instantie ben ik in zijn voetsporen getreden. Hij was enige tijd betaald voetballer. Daarna ben ik echter meer de kant van mijn moeder opgegaan. Zij was zangeres en heeft nog opgetreden met Johnny Jordaan, Tante Leen en Willy Alberti. Zij heeft in 1956 een gouden plaat gekregen. Daar heeft ze mij veel mee gepest: “Waarom ik wel en jij niet?”

Een mooie theatertoer met een groot orkest.

Regelmatig, maar ik ga niet naar de kerk. Wij zijn thuis niet gelovig opgevoed. Op moeilijke maar ook gelukkige momenten sla ik de handen desondanks ineen. Dan kijk ik naar boven en vraag om een goede afloop voor het een of ander of zeg: bedankt. Aan wie of wat ik dat vraag? Daar heb ik geen duidelijk beeld bij.

Het is net alsof ik met een glazen bol ben geboren; ik zie soms dingen aankomen.

Dat kan ik niet beoordelen, ik doe er wel alles aan om er gezond uit te zien.


Het klinkt als een cliché, maar gezond zijn en genieten van de mensen die ik graag om me heen heb. Het meeste geluk haal ik uit mijn werk.

Nee, niet zolang ik de ware nog niet heb gevonden.

Enkele dagen geleden, bij het bekijken van de videoband van de tachtigste verjaardag van mijn vader. Hij is vorig jaar overleden, kort daarna mijn moeder. Ik had een feest voor hem gegeven. Zijn grote held Lee Towers kwam als verrassing optreden. Daar was hij zó gelukkig mee. Ik had trouwens een enveloppe voor Leen met vijfduizend euro. Die wilde hij niet aannemen. Heel ongebruikelijk in ons vak.

Voor geen meter. Behalve op mijn gabber Sjoerd Tuininga, de oud-bokskampioen. Wij sporten samen en zijn wel van het gesoigneerd rondparaderen. Sjoerd kan alleen niet zingen.

Mijn kinderen Peggy, Davey en Donny. Daar komt niemand tussen.

Ik ben tevreden met mijzelf. Ik had het vroeger alleen zakelijk anders moeten regelen.

Ben Cramer. Als jochie draaide ik zijn platen. Hij was voor mij de inspiratie om te gaan zingen. Bij een talentenjacht werd ik naar zijn kleedkamer geroepen. Bleek ik met een concerttape te zingen die van hem gestolen was. Wist ik niet. Daarna ben ik bij hem thuis geweest en we zijn nu ruim twintig jaar vrienden. Hij helpt mij met mijn zangtechniek. Ben is mijn muzikale mentor.

Ik hou van alle vrouwen en heb een gat in mijn hand.

Ik ben voor alles bang. Noem maar op: insecten, kermisattracties. Mijn zoons staan mij uit te lachen in het pretpark, ik durf nergens in. Vroeger rende ik de hele camping over als er een wesp in mijn glas zat.


Tijdens mijn show in het Amsterdamse Concertgebouw. Ik heb ook opgetreden in Carré, maar dit was het meest bijzonder. Hazes heeft daar gestaan, Lee Towers en ik nu dus ook.

Loyaliteit en onvoorwaardelijke vriendschap, in voor- en tegenspoed.

Ik waardeer elke vrouw die met mij kan leven. Dat is voldoende.

Tijdens het hardlopen en in de sportschool. Het verstand even op nul en knallen.

Mijn Engelstalige cd in 1996 heeft 600.000 gulden gekost en dat hele project is compleet mislukt. Ik raakte die plaat aan de straatstenen niet kwijt. Daarna was ik even het spoor bijster, ging geforceerd de publiciteit zoeken. Dat ben ik nu nog steeds aan het repareren. Gelukkig heb ik in Jan Vis een goede manager gevonden.

Het verplicht luisteren naar mijn muziekhits. Haha!

Ik ben nu op een leeftijd dat ik juist iedereen met wie ik discussie heb gehad wel terug wil zien.

Mijn mobiele telefoon; ik word echt ongelukkig als ik zonder mijn Nokia op pad ga.

Voor een echte Amsterdammer is er maar één plek: hartje Amsterdam.

Geloof in je dromen.

Zelfportret: een wekelijkse serie vragen, gebaseerd op de beroemde questionnaire van Marcel Proust. Volgende week: Barry Atsma.

Bas Paternotte, foto Jos Lammers