Goede Gerrit en zijn Jansje

Pieter Geyl leefde van 1887 tot 1966, was hoogleraar geschiedenis in Utrecht en tijdens zijn leven een beroemd man. Nu leeft hij alleen nog in de herinnering voort als de bedenker van de spreuk dat geschiedenis een discussie zonder eind is. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij geïnterneerd in Sint-Michielsgestel, waar hij een openhartige autobiografie schreef over zijn leven tot 1940. De historici Wim Berkelaar, Leen Dorsman en Pieter van Hees hebben de tekst onder het stof van Geyls archief vandaan gehaald en voorbeeldig uitgegeven.

Van deze Geyl verscheen eerder de correspondentie die hij jarenlang heeft gevoerd met zijn Utrechtse collega Carel Gerretson (1884-1958). Gerretson had naam gemaakt als dichter (onder het pseudoniem Geerten Gossaert publiceerde hij zijn beroemde Experimenten), was historicus, essayist en zat voor de CHU in de Eerste Kamer. De Groningse historicus Ernst Kossmann stelde al vast dat Gerretson in de correspondentie de echte ‘openbaring’ was, in zijn ‘losse stijl, zijn invallen, zijn soms heel geestige grappen, zijn spot en zelfspot, zijn brede eruditie en de verrassende diepzinnigheden die hij soms lanceert’. Alhoewel de uitstekend leesbare autobiografie van Geyl de vermakelijke confidenties van een egomaan bevatten, is Gerretson ook van dit boek de eigenlijke hoofdpersoon.

Gerretson werd door Geyl ‘Gerrit’ genoemd, en in de zeldzame periodes waarin zij niet gebrouilleerd waren zelfs ‘goede Gerrit’. Gerretson wacht nog steeds op zijn eerste biograaf, maar die vindt in dit boek van Geyl een goudmijn. Gerretson was weliswaar professor en senator, maar achter die vooraanstaande maatschappelijke posities ging een moeilijk leven vol geldzorgen schuil. Hij wikkelde jarenlang het faillissement van het familiebedrijf af, raakte van zijn eerste vrouw af (een generaalsdochter) en vluchtte rusteloos van artikel in artikel en van essay in essay terwijl hij eigenlijk zijn geschiedenis van de Shell had moeten voltooien en een geschiedenis van Nederland onder Willem I had moeten schrijven.

Geyls autobiografie onthult de naam van de heldin die Gerretson in zijn ‘gescheiden staat’ door het leven sleepte: Jansje P. Blad (1895-1966), zijn huishoudster. Haar vader had een pianowinkel aan het Janskerkhof in Utrecht en Gerretson huurde de woning boven de winkel (onnavolgbaar beschreven in De Utrechtse herinneringen van A. Alberts). Zij was, volgens Geyl, ‘welig en opgewekt’, en bewaakte Gerretsons studeerkamer angstvallig voor indringers. Zij zorgde niet alleen voor zijn kamers en zijn wasgoed, maar ook voor zijn papieren en zijn afspraken met collega’s, studenten en uitgevers, zag erop toe dat hij zich schoor, zijn nagels schoonmaakte (“Wat kostte dat een moeite, en hoeveel meer had ze er nog voor moeten zorgen!”), en zij deelde ‘met grote ijver en animo’ met Gerrit het bed.


In 1939 zorgde Gerretson ervoor dat zij haar verloving met J. B. Voltman in een huwelijk omzette. Om haar een toekomst te geven, zei Gerretson, en Geyl geloofde hem. “Hij was van wat hij aan haar dankte, echt doordrongen, en sprak altijd niet alleen met dat scheve lachje over de warmte van haar temperament, maar met achting voor haar karakter, met ernst bijvoorbeeld een keer over haar geloof.”

Gerretson vervuilde, zijn kamers veranderden in een varkensstal, totdat hij hertrouwde met zijn secretaresse bij de Rijks Geschiedkundige Publicatiën in Den Haag. Alleen al om de fantastische anekdotes over de grote Gerretson is de autobiografie van Geyl de historische onthulling van 2009.

Pieter Geyl: Ik die zo weinig in mijn verleden leef. Autobiografie, 1887-1940. Wereldbibliotheek. €34,90. Ook verkrijgbaar via ako.nl.

Bart Jan Spruyt