Lesje in realisme

Voordat het doek valt nog snel even naar het Scheringa Museum in Spanbroek. Want van kunst kopen had de bankier duidelijk méér verstand.

Dirk Scheringa heeft Spanbroek op de kaart gezet. Ik pakte die kaart erbij en dat stemde me niet vrolijk. Diep weggepropt in de neus van de kop van Noord-Holland, daar zat Spanbroek. De neusharen in het profiel werden gevormd door het ten zuidoosten gelegen Hoorn. Exotischer kon ik het voor mezelf niet maken.

Zonder de Woekeraar van Wognum zou slechts de plaatselijke bevolking ooit van Spanbroek hebben gehoord. Maar ome Dirk, de bankier met de geitewollen sokken en het dito stemgeluid, kocht er twaalf jaar geleden een voormalige huishoudschool. Hij stouwde het vol met schilderijen uit zijn eigen collectie en zette een bordje met ‘Frisia Museum’ bij de deur. Vele koopsompolissen later werd dat vervangen door een plakkaat met ‘Scheringa Museum voor Realisme’, want dat leek hem toch beter voor de naamsbekendheid. Zíjn naamsbekendheid. Sindsdien weet iedereen dat Dirk Scheringa in Spanbroek kunst exposeert. Sterker: weet iedereen dat er zoiets bestaat als Spanbroek, een naam die onbedoeld associaties oproept met in strakke paardrijkledij gestoken derrières van blozende boerendochters.

Ik moest erheen, vond ik van mezelf, voordat Spanbroek zou worden meegesleurd in de val van de West-Friese financier. Dus vond ik mezelf op zaterdagmiddag terug voor het station van Hoorn, vanwaar streekbus 137 richting Hoogwoud zou vertrekken. Interessante gedachte: als Scheringa zijn museum in Hoogwoud had gevestigd, zou ik tot het eindpunt moeten blijven zitten. En had Hoogwoud de exposure gekregen die Spanbroek nu ten deel is gevallen. Hoogwoud, daar kon ik me al evenmin iets bij voorstellen. Rare naam ook, voor een plaats boven de boomgrens.

Zoevend over de A7 passeerden we het hoofdkantoor van de DSB Bank, het Bommelstein van de bankroete bankier. Hoe vaak zou daar de laatste tijd de noodkreet ‘Verzin een list!’ hebben geklonken? De bus pakte de dichtstbijzijnde afslag, nam het viaduct over diezelfde A7 en begon aan de andere kant van de snelweg aan een rit in tegengestelde richting, dwars door de straten van Wognum.


Bij het uitdunnen der huizen passeerden we een bordje met de naam Wadway. Kijkend naar het zwiepende geboomte ter linker- en rechterzijde van de weg stelde ik me zo voor dat je dat ‘way’ zou moeten uitspreken als ‘waai’. En toen was daar al het bordje Spanbroek. Ineens, onaangekondigd. Als een mokerslag.

Ik stapte bij de eerste de beste halte uit, en toen het groene voertuig aan de einder was verdwenen, was ik alleen met een vijftal schapen. Ze stonden in een kooi en schurkten wat onbestemd tegen elkaar aan, in hun jasjes van zuiver scheerwol. Schapen zijn de lievelingsdieren van Dirk Scheringa, had ik weleens ergens gelezen. Niet ongeloofwaardig, maar dat zou dan vooral de makke variant moeten zijn, schatte ik.

Spanbroek bleek een zogeheten lintdorp. Aan weerszijden van de weg bevond zich één rij huizen en boerderijen, zich uitstrekkend tot aan de volgende leefgemeenschap, het dorp Opmeer. Zo heet de vrouw van Scheringa’s voormalige partner Louis van Gaal, schoot me te binnen. Truus Opmeer. Toeval, ongetwijfeld.

Mezelf een weg boksend door een straffe oktoberbries – tegenwind in het dorp van Dirk, hoe toepasselijk – passeerde ik de Bonifatiuskerk, die blijkens een wapperend banier precies honderd jaar bestond. Pal naast het jubilerende huis Gods was men bezig de drankvoorraad aan te vullen van de lokale discotheek, optimistisch Club Vol geheten. Er werden zo te zien een hoop dorstige kelen verwacht, bij het aangekondigde optreden van Nasty Nelis & Filthy Dutch. Een stukje verderop, recht tegenover een boerderij met de toepas- selijke naam Rustoord, genoot de bevolking van Zorgcentrum Zandhove van haar dagelijkse bakje frambozenvla. Of vanillevla, daar wil ik vanaf wezen – je gaat bij je eerste bezoek aan zo’n dorp niet meteen bij de plaatselijke oudjes het eten uit de mond kijken.


Enige minuten later stond ik op de stoep van het Scheringa Museum voor Realisme. Een lelijk gebouw met een gedateerd mozaïek aan de gevel. Maar dat kon ik de bankier niet aanrekenen, want die heeft zelf al lang aangegeven ongelukkig te zijn met de huidige, ook nog eens veel te krappe behuizing. Vandaar de al deels gerealiseerde plannen om in het aangrenzende Opmeer een gloednieuw museum te bouwen, een majestueus bouwwerk in ‘een compositie van negen volumes’ die zijn ‘gegroepeerd rondom een binnenhof’, met ‘een monumentale entree in de vorm van een reusachtig magisch oog’ over ‘een brug die net boven het water lijkt te zweven’. Jammer alleen dat de nijvere bouwers een dag eerder hadden besloten het werk neer te leggen, omdat ome Dirk nagelaten had ze te betalen.

Voorafgaand aan het geplande museumbezoek besloot ik de kas van Dirk nog eens extra te spekken door iets te onder-nemen in de consumptieve sfeer. De keu-ze viel daarbij op een broodje kaas. Een no-nonsense-broodje, geheel in de geest van de grote roerganger. Dus geen trendy flatgebouw van geroosterde sneetjes met dusdanig veel fancy flauwekul dat de kaas in kwestie volledig uit het zicht verdwijnt, maar een goudeerlijk bruin brood-je met vezels en granen en een oer-Hollandse plak boerenkaas daartussen. Een broodje als een paar geitewollen sokken. Eveneens verkrijgbaar in de tot Museumcafé omgetoverde aula: Sunderklaaskrentenbrood van bakker Bes. “Ingrediënten: krenten, krenten en naggers krenten.”

De kaas wegspoelend met een glaasje ambachtelijk geperst sinaasappelsap bladerde ik de folder van het Scheringa Museum voor Realisme door. Mijn blik werd vrijwel meteen getroffen door een afbeelding van het schilderij Naked Portrait in a Red Chair van Lucian Freud, de kleinzoon van Sigmund. Een dergelijke afbeelding van een naakte vrouw, die dusdanig zit dat je recht kijkt in wat de sergeants van dienst vroeger altijd omschreven als ‘het koeienoog’, zou in Amsterdam tegenwoordig niet meer vertoond mogen worden. Mooi dat in Spanbroek wat dat betreft de tijd heeft stilgestaan.


De wisselende expositie in het Scheringa Museum voor Realisme was er ditmaal een van Jan van Tongeren, ‘componist van kleurvlakken’ en ‘de man die het stilleven in de beeldende kunst van de twintigste eeuw een nieuwe dimensie gaf’. Hij, Jan van Tongeren, was het die ‘een brug wist te slaan tussen realisme en abstractie’. Zoiets wat Dirk Scheringa in de eeuw ná hem deed, tot die brug onder zijn eigen gewicht bezweek toen hij er met veel te volle geldzakken overheen probeerde te sprinten.

Tevreden nagenietend van deze ter plekke verzonnen beeldspraak posteerde ik me voor het eerste schilderij van de tentoonstelling: Stilleven met groene kool uit 1934. Verbazingwekkend realistisch geschilderd, je zou er zó in willen happen. Tenminste, als je van groene kool houdt. Ook Stilleven met uitgebloeide zonnebloem (1940), waarbij ik de vergelijking met Scheringa té zeer voor de hand vond liggen om ook maar in overweging te nemen, beviel me zeer. Stilleven met kruik (1942) – inderdaad, zo’n ding dat net zolang te water gaat tot-ie barst – mocht zich ook al in mijn warme belangstelling verheugen, maar het meest getroffen werd ik toch wel door Stilleven met vijzel uit 1943. Niet vanwege enige gelijkenis met Dirk Scheringa, maar gewoon omdat ik het een ongelooflijk mooi en griezelig nauwkeurig geschilderd werkstuk vond, met als meest in het oog springende detail een lege fles onder een dikke laag stof. Ik noteerde dat ik op Stilleven met vijzel moet gaan bieden, mocht Dirk de hele zooi straks op Marktplaats.nl zetten.

In de jaren zestig ging Jan van Tongeren zijn stillevens een beetje afraffelen, was de conclusie die ik moest trekken na een bezoek aan de volgende zaal. De doeken werden vanaf dat moment minder gedetailleerd, somberder van kleur ook. Alsof hij er eigenlijk geen zin meer in had. Stilleven met strijkijzer (1962) was voor Van Tongerens doen zelfs een wanproduct te noemen – en Stillevencompositie met stoel (1976) het type illustratie dat je nog weleens aan de wand van een bistro ziet hangen, zo’n toko waar een broodje kaas verwordt tot een driedimensionaal stilleven met radijsjes, rucola, pijnboompitten, sjalotten, komkommer, olijven, stertomaatjes, kwarteleitjes, walnoten, kappertjes, selderij en alfafa.


Ook verderop in de expositieruimte stillevens, stillevens en naggers stillevens. Duidelijk was daar waarneembaar hoe Jan van Tongeren zich in de jaren tachtig herstelde en met Stilleven met drie citroenen en twee paprika’s (1984) weer zijn oude niveau wist te halen. Helaas viel kort daarna het doek. Van onder dat doek waagde hij nog één poging, in 1987. “Uit het feit dat hij het werk gesigneerd heeft,” meldde een schrijven onder het gewraakte schilderij, “is af te lezen dat de schilder het werk als voltooid zag. Echter, blijkens de onscherpe contouren was zijn gezichtsvermogen te zeer verslechterd om de voor hem gebruikelijke standaard te bereiken. Daarom kan het stilleven toch als onvoltooid beschouwd worden.”

Mijmerend over de tragische teloorgang van een groot componist van kleurvlakken en tegen mezelf grappend dat Stilleven met omgevallen bank (2009) nog in de collectie ontbrak, beende ik door de andere zalen van het Scheringa Museum voor Realisme. Langs de jurkencollectie van Fong Leng en de meesterwerken van de magisch realisten Carel Willink (favoriet: Dubbel vrouwenportret) en Pyke Koch (favoriet: Hollandsche Maagd II) ging het, waarna ik langer dan wenselijk bleef plakken bij de zeer zinnenprikkelende sculptuur M.T. met pistool van Thom Puckey. Gelukkig, zo verzuchtte ik, denkend aan de verzekeraar van DSB, had hij meer verstand van kunst kopen. En met een hoofd vol stillevens stapte ik weer de frisse buitenlucht in.

In het lintdorp was nog altijd slechts een bescheiden activiteit merkbaar. Aan de overkant van de straat waren bouwvakkers druk bezig met het nieuwe onderkomen van kinderdagverblijf Kiddyworld. Het ging me te ver om ze te vragen of hun vorige project soms de onvoltooide van Dirk Scheringa was. Want natrappen uit leedvermaak, da’s niet chic. Bovendien: zonder Dirk zou ik nooit van mijn leven in Spanbroek zijn geweest.


Daar moest ik realist in zijn.

Michiel Blijboom, foto's Herman Wouters