Toch een mán geworden

Paul Schnabel (1948) is directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Hij groeide op in Breda.

Tot zijn achtste leefde Paul Schnabel in Bergen op Zoom, maar daar heeft hij alleen nog onscherpe herinneringen aan. De rest van zijn jeugd bracht hij door in Breda, waar het vier kinderen tellende gezin woonde op een flat, vier hoog zonder lift, het type etagebouw dat in die tijd overal verrees.

Hun nog jonge Heuvelkwartier grensde aan een ouderwetse achterbuurt met heftige sociale problemen, het Westeinde. De armoe was er van generatie op generatie doorgegeven, en uitzichtloos omdat veel gezinnen een sliert kinderen kregen. Moeders uit Westeinde kwamen in het Heuvelkwartier om afgedankte kleren vragen. Vaders waren nogal eens aan de drank. Op het schoolplein was aan de kinderen uit Westeinde het gebrek aan hygiëne en sanitair te ruiken.

Vanuit het Heuvelkwartier was je zó in het Mastbos, een eeuwenoud stadsbos met loof- en dennenbomen, heidevelden en vennen. Paul Schnabel was daar vaak te vinden. Hij had er een geheime kuil, waar hij schatten in verborg, en voelde zich thuis in de sfeer van het bos. Met zijn vader, die graag wandelde, ging hij bossen in de verre omgeving af.

Zijn vader was werktuigbouwkundige en werkte zijn hele leven lang bij Shell, aanvankelijk als technicus en gaandeweg steeds meer als manager. Paul Schnabel had totaal geen technische belangstelling of vaardigheid, was zelfs notoir onhandig, kon amper een veter strikken. Dat stelde zijn vader teleur, maar een jongere broer bleek wél in vaders voetsporen te treden.

Schnabel sr. was van oorsprong een Hagenees. Een kleine man, snel en hard in zijn oordeel, cynisch en wereldwijs, echt een grotestadskind in zijn wantrouwen ten opzichte van andermans bedoelingen. Dat kreeg hij ook van huis uit mee. Grootvader Schnabel was een kwart eeuw lang de particuliere chauffeur van Hendrik Colijn en woonde met zijn gezin achter de grote villa aan de Stadhouderslaan. Hoewel de Colijns geen society-types waren, kreeg hun chauffeur door zijn werk wel een scherp beeld van de bovenlaag van de samenleving. “Mijn vader groeide op in die wereld zonder er deel van uit te maken. Colijn zelf werd zeer gerespecteerd, maar mijn vader had geen illusies over hoger geplaatsten en wilde zelf ook nooit persoonlijk van hen afhankelijk zijn,” zegt Paul Schnabel. “Hij hield juist grote afstand van hen.”


Paul Schnabels moeder was op Java geboren, en ook haar moeder kwam uit een typisch Nederlands-Indische familie. Haar vader was een Duitse onderofficier van het KNIL, dat ook buitenlanders opnam. Na diens pensionering kwam het gezin in Den Haag terecht. Daar leerden Paul Schnabels ouders elkaar na de oorlog kennen.

Hij omschrijft zijn moeder als een ernstige, heel intelligente vrouw met een grote belangstelling en een uitstekend geheugen, dat haar, inmiddels 92, nog steeds niet in de steek laat. Een ontwikkelde vrouw die de onderwijzersopleiding had gedaan en graag dikke romans las waarin ze weg kon dromen; er lagen vroeger altijd stapels Engelse pockets in huis. Ze had, zoals indertijd wel meer Indische mensen, niets met Indië maar des te meer met Europa. De sfeer in hun milieu was wereldser, losser en moderner dan in Nederland. Een Indisch trekje was wel dat ze beleefdheid belangrijk vond, net als een zorgvuldig gebruik van de Nederlandse taal. En uiteraard moest je elke dag in bad.

De kinderen Schnabel werden door hun moeder katholiek opgevoed. Vader was onkerkelijk, maar bekende zich rond 1960 tot het katholicisme. Dat had te maken met hun pastoor, een menselijke, warme man die regelmatig bij de Schnabels op bezoek kwam. Ook sprak de mystieke sfeer van de oude liturgie hem aan. Zoon Paul voelde zich zeer thuis in de kerk. Hij probeerde zelfs zijn protestantse vriendjes te bekeren, uiteraard zonder succes, zoals hij grinnikend vertelt.

Op het gymnasium ontpopte hij zich al snel als organisator. Hij werd klassevertegenwoordiger, redacteur van het schoolblad en regisseur van het schoolcabaret. Ook werd hij in de Bredase jeugdgemeenteraad fractievoorzitter van de KVP-jongeren.


Daarnaast ontwikkelde hij een sterke culturele interesse. Die erfde hij niet van zijn ouders. Wel had hij een inspirerende oom, die schilderde, bijzondere muziek in huis had en zijn neefje meenam naar musea. Op de fraterschool en bij een tante maakte hij kennis met de klassieke muziek. Op zijn veertiende ging hij voor het eerst en in zijn eentje naar een concert van Het Brabants Orkest. Een flinke bijdrage aan zijn culturele vorming leverde ook het gymnasium, waar bijzondere persoonlijkheden doceerden, eerder geleerden dan leraren, een intellectuele elite met een hoge sociale status.

Als kind al kon hij heel snel lezen en gemakkelijk kennis tot zich nemen. En hij las ook heel veel. Hij schat dat hij de hele Nederlandse literatuurgeschiedenis van voor tot achter heeft doorgeploegd. Zijn ouders hadden de bibliotheek laten weten dat hij alles mocht lezen, ook boeken die als strikt voor volwassenen waren gecodeerd. Ze lieten hem veel vrijheid omdat ze taxeerden dat het met hem wel goed zou komen.

Zo las hij Louis Couperus en Gerard van het Reve. In hun boeken herkende hij wat hij in zichzelf ontdekte: zijn seksuele voorkeur voor geslachtsgenoten. Dat was een moeilijke ontdekking, want hij kon er met niemand over praten en kende ook niemand die ‘het’ ook was. Het grote taboe maakte hem bang dat anderen hem dóór zouden krijgen, en daardoor werd hij gesloten, ontoegankelijk, arrogant ook zodat mensen niet te dichtbij zouden komen. Hij werd vervelend, vindt hij zelf achteraf.

Toen hij het op zijn 21ste als eerste aan zijn vader vertelde, was diens bon-dige reactie: “Dat heb ik altijd al gedacht.” Paul Schnabel: “Hij had geprobeerd een mán van me te maken. Toen het anders uitpakte, heeft hij er nooit een probleem van gemaakt. Toch denk ik dat ik het altijd bij hem heb willen goedmaken. Kijk pap, toch een mán geworden. Volgens mij lukte dat pas echt toen ik acht jaar geleden commissaris werd van Shell Nederland, de wereld waar hij uit voort was gekomen. Dat was, denk ik, het moment dat hij echt trots op me was. En daar gaat het toch om in het leven van een oudste zoon.”

Matt Dings