Vallende ster

Zonder een jaarlijkse miljardeninjectie moet de NASA zijn bemande ruimtevaartprogramma grotendeels opgeven. Is er nog toekomst voor het ruimteagentschap dat vroeger zorgde dat je als kind astronaut wilde worden?

Niet naar de maan. Niet naar Mars. De komende acht jaar geen opvolger voor de Space Shuttle, die volgend jaar met pensioen gaat. En voor vluchten naar het internationale ruimtestation ISS noodgedwongen meeliften met de Russen, die hun zaken wél op orde hebben. De gemiddelde NASA-wetenschapper vraagt zich dezer dagen af waar hij of zij het nog voor doet. Het vorige week aan president Barack Obama overhandigde Augustine-rapport maakt korte metten met juist die projecten die het Amerikaanse ruimteagentschap zo interessant maken. Met de huidige begroting van bijna negentien miljard dollar per jaar, zo berekende een commissie onder leiding van voormalig Lockheed Martin-directeur Norman Augustine, kan NASA amper aan zijn operationele verplichtingen voldoen. Budgetten voor nieuw onderzoek, met name als het gaat om bemande ruimtevluchten, zijn er al helemaal niet. Ondertussen wordt het Amerikaanse ruimteagentschap links en rechts ingehaald door andere landen. Rusland en India hebben zowel de ambitie als het budget om hun eigen mensen naar de maan te sturen. China is op koers om dat doel al in 2020 te bereiken. En ook het bedrijfsleven laat zich niet onbetuigd: zo denkt het Amerikaanse ruimtetransportbedrijf SpaceX halverwege het volgende decennium een pendeldienst naar het ISS te kunnen onderhouden voor twintig miljoen dollar per astronaut – dertig miljoen minder dan wat de Russen in rekening brengen. De ontwikkelingen zijn een vernedering voor het Amerikaanse ruimteprogramma, dat zijn jarenlange wetenschappelijke voorsprong zienderogen ziet slinken. Is er eigenlijk nog wel toekomst voor de NASA?

Eén ding is zeker: zonder een substantiële budgetverhoging verliest het agentschap de komende jaren nog veel meer terrein. Hoewel het budget hoger is dan dat van alle andere landen met een bemand ruimtevaartprogramma bij elkaar, kampt de NASA al jaren met geldgebrek. Dat komt niet in de laatste plaats door de omvang en de gevarieerdheid van het Amerikaanse ruimteonderzoek. De NASA richt zich op tal van disciplines, van luchtvaarttechnologie binnen de aardse atmosfeer tot planetair onderzoek. Het agentschap telt maar liefst 23 verschillende centra voor onderzoek, testen, constructie, lanceringen en toeristische activiteiten.


Om het programma voor bemande ruimtevluchten in stand te houden, heeft de NASA minimaal drie miljard dollar per jaar extra nodig. Komt dat geld er niet, dan zullen de Amerikanen het internationale ruimtestation ISS – een internationaal samenwerkingsverband waaraan ook Nederland heeft meebetaald – waarschijnlijk al in 2015 moeten verlaten. Ook de ontwikkeling van de draagraket Ares V, die sterk genoeg moet zijn om het vrachtmateriaal voor een missie naar Mars te kunnen vervoeren, zou in gevaar kunnen komen.

En zelfs met extra middelen zal de NASA volgens het Augustine-rapport moeten kiezen: eerst naar de maan, liever naar Mars, of iets daartussenin? In een getuigenis voor het Congres pleitte commissielid Edward Crawley voor dat laatste. Het zogeheten ‘flexibele pad’ voorziet in bemande vluchten naar hemellichamen die relatief dicht bij de aarde staan, zoals de maan, de manen van Mars en de rode planeet zelf. Het gaat dan om verkenningsmissies, waarbij de astronauten vanuit de capsule het oppervlak observeren, maar er niet op landen. Het personenvervoer wordt in dit scenario uitbesteed aan de commerciële ruimtevaart, zodat de NASA de handen vrij heeft om zich te concentreren op de meer problematische technologieën, zoals de ontwikkeling van draagraketten voor het vrachtvervoer. Bijkomend voordeel is dat er op die manier meer tijd is voor het creëren van draagvlak voor een bemande Marsvlucht die wél tot een landing leidt, volgens Crawley toch ‘het uiteindelijke doel’.

Het is een optie waar niet alle deskun-digen zich in kunnen vinden. “Het klinkt niet echt aantrekkelijk om zo’n eind te vliegen en dan vervolgens niet te landen,” zegt John Logsdon, directeur van het Space Policy Institute aan George Washington University. “Ik vraag me af hoe je dat aan het publiek kunt verkopen.” Logsdon, een voormalig adviseur van de Democratische presidentskandidaat John Kerry, zet daarnaast vraagtekens bij het plan om het passagiersvervoer uit te besteden. “Moeten de Verenigde Staten dit overlaten aan een commerciële dienstverlener zonder staat van dienst? Ik denk dat het in ons nationale belang is om die capaciteit zelf te behouden.”


Het gebrek aan consensus legt een probleem bloot dat dieper gaat dan slinkende budgetten. Hoewel de NASA meer dan zesduizend patenten op zijn naam heeft staan en aan de basis stond van vele uitvindingen (zie kader hiernaast), is het agentschap in politiek opzicht een reliek van de Koude Oorlog. De NASA beleefde wat dat betreft zijn hoogtijdagen in de jaren zestig, toen president John Kennedy alles op alles zette om de Sovjet-Unie in de ruimte te verslaan. De passie waarmee Amerika zich destijds als één man achter het Apollo-programma schaarde, heeft zich na die eerste maanlanding in 1969 nooit meer herhaald. Het besluit van president Richard Nixon om drie jaar later definitief een eind te maken aan bemande maanvluchten leidde nauwelijks tot kritiek. Amerika had de ruimterace gewonnen, en de noodzaak om te investeren in bemande missies die het zonnestelsel verder zouden kunnen verkennen, leek daarmee verdwenen.

Sindsdien is het aandeel van het ruimteprogramma in het federale overheidsbudget afgenomen van vier tot iets meer dan een half procent. Dankzij de Space Shuttle en de Hubble-telescoop wisten de Verenigde Staten hun voorsprong op de Russen echter te behouden; toch zijn beide projecten ontwikkeld met technologie die dateert uit de jaren tachtig, en sindsdien niet wezenlijk vernieuwd.

Het bemande-ruimtevaartprogramma lijkt daarbij in het gedrang gekomen. Het Constellation-programma, dat de opvolger van de Space Shuttle moet opleveren, kampt bijvoorbeeld met grote vertragingen. Zo zal de Ares I, de draagraket die onder meer bedoeld is om personen naar het internationale ruimtestation te shuttelen, niet in 2011, maar mogelijk pas in 2017 klaar zijn. Verlenging van het Space Shuttle-programma is een optie, maar niet een ideale. De ramp met de Columbia in 2003, waarbij zeven astronauten om het leven kwamen, heeft geleid tot peperdure veiligheidsmaatregelen, waardoor de Space Shuttle na 2010 nog maar twee vluchten per jaar zal kunnen uitvoeren.


Twintig jaar na de val van de Muur lijkt de NASA nog steeds op zoek naar een ideologisch antwoord op een wereld zonder communisme. De ambitieuze plannen die president George Bush begin 2004 in zijn initiatief Moon, Mars and Beyond ontvouwde, versterken die indruk alleen maar. Het voornemen om een bemande missie naar Mars te sturen, werd door niemand serieus genomen, zegt John Logsdon van George Washington University. “President Bush verbond er geen deadline aan en veelzeggender nog: hij trok er geen geld voor uit.”

Mede door dit gebrek aan inspirerend leiderschap is de NASA verworden tot een stuurloze kolos die zelfs zijn belangrijkste werknemers niet lijkt te kunnen inspireren. Het bizarre schandaal rondom astronaute Lisa Nowak, die voor het Amerikaanse publiek juist een lichtend voorbeeld zou moeten zijn, ligt nog vers in het geheugen. Nowak, in betere tijden bemanningslid van de Space Shuttle Discovery, werd in 2007 op het vliegveld van Orlando gearresteerd met een mes, een luchtdrukpistool, pepperspray en een drilhamer in haar auto. Ze bleek 1400 kilometer te hebben afgelegd om een liefdesrivale te kidnappen die een oogje had op een NASA-collega. Om onderweg maar zo min mogelijk te hoeven stoppen, had ze volgens het politierapport zelfs een luier aangetrokken. Nowak was niet de enige astronaut die negatief in het nieuws kwam. Een paar maanden later bleek uit een interne NASA-studie dat een aantal niet bij naam genoemde bemanningsleden de lancering van hun missie in staat van dronkenschap had doorgebracht. Ook in de top van het agentschap rommelt het: een half jaar geleden dwongen drie senatoren NASA’s inspecteur-generaal Robert Cobb tot aftreden, na berichten over machtsmisbruik en incompetentie.


De personeelsproblemen versterken het imago van een logge bureaucratie waarin vertraagde projecten en niet-sluitende begrotingen eerder regel dan uitzondering zijn. Uit een getuigenis van NASA’s kostenanalist Thomas Coonce aan een commissie van de National Academy of Science blijkt dat maar liefst 27 wetenschappelijke missies boven het budget zijn, wat neerkomt op een jaarlijkse verspilling van vier miljard dollar. Zo heeft de James Webb Space Telescope, de opvolger van de Hubble, de oorspronkelijke raming van één miljard dollar al viermaal overschreden. Het satellietsysteem NPOESS, bedoeld voor klimaatobservatie, is zelfs twaalf miljard dollar duurder uitgevallen. De lancering is intussen uitgesteld van 2005 naar 2013. Belangrijkste reden van de budgetoverschrijdingen is volgens Coonce een te groot optimisme in de beginfase van het project. Volgens Victoria Hamilton, astronome aan het Southwest Research Institute in San Antonio, wil de NASA, die zo’n 18.000 medewerkers heeft, daarmee voorkomen dat politici al bij voorbaat worden afgeschrikt door een te hoog prijskaartje. “Mensen zijn bang om hun baan te verliezen,” vertelde ze de commissie.

Vanwege de economische crisis is het risicomijdende gedrag alleen maar toegenomen. Dat, terwijl de NASA juist open zou moeten staan voor technologische ontdekkingen en wetenschappelijk onderzoek waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat. Het Augustine-rapport is voor Vincent Sabathier, directeur van het Human Space Exploration Initiatives-programma aan het Center for Strategic and International Studies in Washington, D.C., dan ook vooral een argument om de geldstroom naar de NASA te verhogen. “Het is unfair om van NASA te verwachten dat het bij het huidige budget zowel aan zijn operationele verplichtingen kan voldoen als vernieuwend bezig kan zijn. De Hubble-telescoop alleen al werkt met 54 satellieten. De kosten daarvan drukken ongelooflijk op de begroting.” Volgens Sabathier zou het ruimteprogramma een budgetverhoging moeten aanwenden om een nieuwe invulling te geven aan de kerntaken waarvoor het in 1958 is opgericht: innovatie, inspiratie en het bijdragen aan de nationale veiligheid.


Wellicht het krachtigste argument dat NASA momenteel heeft voor meer onderzoeksgeld is het milieu. Overlevingsstrategieën in de ruimte vormen het toppunt van ecologisch denken. Een vijandiger omgeving dan het heelal is voor mensen immers nauwelijks denkbaar: er is geen zuurstof, geen water, geen voedsel, geen bescherming tegen straling, en in de meeste gevallen ontbreekt zelfs de zwaartekracht.

Het agentschap kan zich bovendien positioneren als een onontbeerlijke schakel in het klimaatdebat, aldus Sabathier. “Observaties vanuit de ruimte zijn cruciaal. Het is dankzij data van NASA-satellieten dat tweehonderd wetenschappers van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) een consensus hebben kunnen vinden over de invloed van menselijk handelen op het broeikaseffect.”

Daarnaast is ook Amerika’s nationale veiligheid gebaat bij een robuust ruimteprogramma, helemaal als de NASA daar een nieuwe invulling aan weet te geven. De tijden dat het agentschap een propagandamiddel was om Amerika’s superioriteit over de Sovjet-Unie te benadrukken, zijn weliswaar voorbij, maar het agentschap kan vandaag de dag op een indirecte manier nog steeds bijdragen aan een betere wereld. Sabathier trekt een vergelijking met hulpprogramma’s op het gebied van kernenergie, waarbij de Verenigde Staten bereid zijn om nucleaire kennis te ruilen voor de belofte van de betrokken landen om geen oorlogsdoeleinden na te streven. “Ruimtetechnologie zou eenzelfde doel kunnen dienen. Internationale samenwerking zou spanningen met landen als China in de toekomst bijvoorbeeld kunnen verminderen.”

De NASA levert daarbij een directe bijdrage aan het Amerikaanse buitenland-beleid. Zo spelen satellietbeelden een belangrijke rol bij exportcontroles in het kader van internationale wapenleveranties.


Het ruimteagentschap kan ten slotte het beeld van Amerika op een positieve manier beïnvloeden, zegt Sabathier. “De NASA is in het verleden altijd een bron van inspiratie geweest. Het is aan ons om die droom over te dragen op de volgende generatie, en de jeugd enthousiast te maken voor wis- en natuurkunde.” Bemande ruimtevluchten spelen daarbij een cruciale rol. “Ieder kind droomt ervan om astronaut te worden, en ook in wetenschappelijk opzicht zijn er doorslaggevende argumenten voor bemande missies. De Rover-robot doet fantastische dingen op Mars, maar het werk van de afgelopen vier jaar had door een mens in drie weken gedaan kunnen worden. Als je het ruimteprogramma zou moeten beschrijven in termen van evolutie, hebben we de zee nog niet verlaten. We moeten het land op, en ons ontwikkelen van amfibieën tot zoogdieren.”

Zonder de NASA was het leven waarschijnlijk een stuk saaier en onveiliger geweest. Het agentschap stond niet alleen aan de basis van de satelliet-communicatie, maar vond ook het zonnepaneel uit, de rookdetector en waterfilters die werken met houtskool en zilverionen. Dankzij de NASA hebben brildragers glazen waar geen krassen op komen, doe-het-zelvers elektrische boren, schroevendraaiers en andere snoerloze gereedschappen, en sporters schokdempende schoenzolen die uitgerust zijn met luchtkussentjes. Andere uitvindingen zijn de oorthermometer die de lichaamstemperatuur binnen seconden kan meten, en de kunststof waarmee onzichtbare beugels worden gemaakt. Een uitvinding die overigens vaak ten onrechte aan de NASA wordt toegeschreven is teflon. De anti-aanbaklaag voor pannen werd al in de jaren veertig door het Amerikaanse bedrijf Kenetic Chemicals gepatenteerd.


1958: president Dwight Eisenhower richt de National Aeronautics and Space Administration op.

5 mei 1961: Alan Shepard is de eerste Amerikaan in de ruimte.

1963: President John Kennedy spreekt de ambitie uit om binnen acht jaar mensen op de maan te zetten.

20 juli 1969: Neil Armstrong zet de eerste stappen op de maan. Er zullen nog vijf maanmissies volgen.

12 april 1981: NASA lanceert met de Columbia de eerste Space Shuttle, een ruimteveer dat terug kan keren op aarde.

28 januari 1986: Space Shuttle Challenger explodeert 73 seconden na de lancering. Zeven astronauten komen om.

1990: Lancering van de Hubble Space Telescope, een samenwerking tussen NASA en de European Space Agency, en een van de grootste ruimtetelescopen ooit.

1998: Begin constructie van het International Space Station (ISS), een internationale onderzoeksfaciliteit in een baan om de aarde. Het ruimtestation moet in 2011 voltooid zijn.

1 februari 2003: Space Shuttle Columbia explodeert bij terugkomst in de atmosfeer. Zeven astronauten komen om.

2003: Twee Rover-robotten landen op Mars voor geologisch onderzoek.

Jeroen Ansink