Gevonden: de Koerdische opening

Het oogt als een prachtige ansichtkaart, Noord-Irak. De bergen, de vlaktes, de kleuren, het licht. Maar in die bergen schuilt de PKK. En wat verder naar het zuiden, midden in zo’n grote lege vlakte, bivakkeren tienduizend Turks-Koerdische vluchtelingen in een naargeestig kamp. Ze willen terug naar huis. En het lijkt erop dat het eindelijk kan.

Dit prachtig kale, bergachtige en kleurrijke gebied heet rustig te zijn. En zo ziet het er ook uit. Maar schijn bedriegt: dit is Noord-Irak. En voor Iraakse begrippen is het er inderdaad behoorlijk rustig: je loopt nauwelijks kans opgeblazen, ontvoerd of anderszins beschadigd te worden, zoals elders in het land. Maar zonder problemen is het desolate Noord-Irak allerminst. Behalve allerlei regionale conflicten (die vooralsnog vooral op politiek niveau worden uitgevochten), laat de Koerdische kwestie, die al decennia speelt in buurland Turkije, hier diepe sporen na. In de dunbevolkte grensstreek bombardeert Turkije geregeld PKK-kampen. En in een kamp bij de hoofdstad Erbil wonen duizenden Turks-Koerdische vluchtelingen die geen kant op kunnen.

Op zich niets nieuws onder de zon: de Koerdische kwestie is niet van vandaag of gisteren, en de problemen die dat geeft in Irak zijn dat ook niet. Maar nu gloort er hoop, en dat is wél nieuw: de Turkse regering lijkt sinds een paar maanden serieus te werken aan een oplossing van het slepende conflict. Langs ‘democratische weg’, zo kondigde de regering van premier Erdogan afgelopen zomer aan. Codenaam: de ‘Koerdische opening’.

Hoe die democratische weg eruitziet, is niet tot in de puntjes bekend, maar globaal geschetst is hij wel. De laatste restricties op het gebruik van het Koerdisch in onderwijs, media en politiek worden opgeheven. Dorpen en steden die voornamelijk door Koerden worden bewoond, krijgen hun oorspronkelijke Koerdische naam terug als de bewoners dat willen, en er komt een commissie die gaat uitzoeken hoe het gesteld is met de discriminatie van Koerden. Daarnaast zullen beschuldigingen van marteling door het Turkse leger en aan het leger gelieerde veiligheidsdiensten worden onderzocht, komt er een onafhankelijk mensenrechteninstituut en gaat Turkije de VN-Conventie tegen Marteling ratificeren. Overigens: omdat alle Turken daar beter van worden en niet alleen de Koerden, wordt de ‘Koerdische opening’ inmiddels ook wel de ‘democratische opening’ genoemd.


Daarmee is een oud dogma in de Turkse politiek aan flarden. Te weten: er is geen Koerdische kwestie, er is alleen terrorisme van de PKK en daar moet met geweld een einde aan worden gemaakt. Die strategie heeft de afgelopen 25 jaar – de PKK liet voor het eerst met geweld van zich horen met een aanval op twee politieposten in het Koerdische zuidoosten van Turkije op 15 augustus 1984 – geen enkele vooruitgang opgeleverd: de PKK is alive and kicking. De ongeveer vijfduizend strijders houden zich vooral op aan de Iraakse kant van het bergachtige grensgebied en nemen het van daaruit op tegen het Turkse leger. Genoeg aanhang hebben ze ook: veel Koerden geloven dat het nooit tot de ‘Koerdische opening’ was gekomen als de PKK de onderdrukking van de Koerden niet met geweld op de agenda had gezet – en daar zouden ze best eens gelijk in kunnen hebben.

Ondertussen heeft ook de PKK een oud dogma losgelaten: het ultieme doel is niet langer een onafhankelijke Koerdische staat. Wat nu wel precies het doel is, blijft onduidelijk: PKK-leider calan, die een levenslange gevangenisstraf uitzit op een gevangeniseiland niet al te ver van Istanboel, pleitte eerder dit jaar voor ‘democratisering’ van Turkije en een ‘democratische grondwet’. Zijn volledige visie staat op papier, maar het openbaar ministerie weigert het document openbaar te maken. Hoe dan ook, dat de PKK niet langer een onafhankelijk Koerdistan wil, maakt het voor de Turkse regering natuurlijk eenvoudiger om de PKK met politieke middelen te bewegen de wapens neer te leggen. De Koerden toestaan een eigen staat te stichten, is in Turkije volstrekt ondenkbaar, want de ondeelbaarheid van het land is een van de pijlers waar de republiek op steunt. Mensen toestaan hun eigen taal te spreken, werkelijk politiek vertegenwoordigd te worden, kortom hun rechten erkennen, dat is net iets minder ondenkbaar.


Terug naar Noord-Irak. Ook wel Zuid-Koerdistan genoemd – in die optiek is het zuidoosten van Turkije Noord-Koerdistan. Geen terminologie die je in Turkije moet gebruiken. Ook simpelweg ‘Koerdistan’ kan het Turkse nationalistische vuur hoog doen oplaaien: Koerdistan, dat bestaat niet, kijk maar op de kaart!

Maar wie in Noord-Irak gaat kijken, ziet dat het wel degelijk bestaat. Het gebied heet officieel niet eens Noord-Irak, maar ‘Iraaks Koerdistan’ – de Koerden genieten er zelfbestuur sinds 1991. Boven de ingang van het parlementsgebouw in de hoofdstad Erbil staat in witte letters op een blauw bord in het Koerdisch, Arabisch en Engels: ‘Parlement van Koerdistan – Irak’. Wie in het vredige Erbil rondloopt, stuit op het ene buitenlandse consulaat na het andere. Er wordt zelfs een Turks consulaat geopend, zo kondigde Turkije onlangs aan. Ook geen geringe stap: nog maar een paar jaar geleden beschuldigde Turkije de Noord-Irakezen ervan de PKK te steunen door ze niet hard genoeg aan te pakken, nu trekken ze behoorlijk eensgezind en met medewerking van de Verenigde Staten samen ten strijde tegen de PKK.

Groot twistpunt blijft echter: Makhmur Kamp. Wie vanaf Erbil pakweg een uurtje in zuidwestelijke richting rijdt, komt vanzelf uit bij het dorpje Makhmur. Bij dat dorpje ligt het gelijknamige kamp – de verblijfplaats van ongeveer tienduizend Koerden die halverwege de jaren negentig vluchtten uit Zuidoost-Turkije. De strijd tussen het Turkse leger en de PKK was toen op zijn vuilst. De PKK pleegde bomaanslagen op zowel burgerdoelen als politie en leger, ruimde tegenstanders en overlopers uit de weg en vermoordde ‘dorpswachten’ – burgers die bewapend door het Turkse leger dorpjes tegen de PKK moesten beschermen. Turkije sloeg hard terug: het leger en Jitem (een beruchte en geheime anti-terrorisme- en inlichtingendienst van het leger) veegden hele Koerdische dorpen van de kaart, vermoordden (vermeende) PKK-leden en -sympathisanten én onschuldige burgers, en martelde dat het een lieve lust was, vooral in de gevangenis van Diyarbakir, de grootste Koerdische stad in het zuidoosten.


Duizenden burgers ontsnapten aan het geweld door de grens met Irak over te steken. Daar hadden de Koerden sinds de Amerikaanse overwinning in de Eerste Golfoorlog in 1991 zelfbestuur, dus daar waren ze veilig. Veilig bij hun eigen volk. Maar toch, hoe mooi en begerenswaardig dat zelfbestuur bij de buren ook was, Noord-Irak was niet ‘thuis’. En dat is het voor de mannen, vrouwen en kinderen van Makhmur Kamp nog steeds niet. Thuis, dat is Turkije. Thuis, dat zijn de dorpen die niet meer bestaan. Thuis, dat is dat net zo prachtige bergachtige, ruige landschap aan de ándere kant van de grens.

Makhmur Kamp is een strijdpunt omdat Turkije het niet in de eerste plaats beschouwt als vluchtelingenkamp maar als een broeinest van terrorisme. Het zou een bolwerk zijn van PKK-strijders en -aanhangers en er zouden jongeren worden gerekruteerd voor de PKK. Turkije vindt: als Noord-Irak de PKK wérkelijk wil bestrijden, dan moet het kamp dicht. Waar de bewoners dan naartoe moeten, dat zegt Turkije er niet bij. Irak en de Verenigde Staten suggereren: terug naar Turkije, terug naar huis.

En dat is ook wat de meeste bewoners willen, zegt de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, de UNHCR. Metin orabatir, woordvoerder van de UNHCR in Ankara, doet daar nog een schepje bovenop door te pleiten voor individuele oplossingen: “Van elke vluchteling in Makhmur Kamp moet bekeken worden waar hij precies vandaan komt, hoe de staat van hun huis en dorp is, en welke mogelijkheden ze hebben om een bestaan op te bouwen op die plek. Veel dorpen bestaan niet meer, dus voor een deel van de mensen moet bekeken worden waar ze dan wél terecht kunnen.” Overigens kan zo’n individuele aanpak ook betekenen dat een vluchteling in Irak blijft: sommige Makhmur-bewoners zijn getrouwd met een Irakees en hebben werk gevonden in de regio, en zij moeten zich officieel in Irak kunnen vestigen als ze dat willen.


Een bezoek brengen aan Makhmur Kamp lijkt op het eerste gezicht een eitje. Er zijn natuurlijk eerder journalis-ten geweest, en met een goed contact ben je zo binnen. Dat goede contact is er: K., ex-PKK’er en nu journalist, heeft al eerder collega’s meegenomen, waarvan één een bekende van de HP/De Tijd-verslaggever. Een paar dagen voor vertrek van standplaats Istanboel naar Erbil bevestigt K. nog dat ik vast en zeker binnenkom. Op pad dus, om van de bewoners van Makhmur Kamp zélf te horen hoe en waarom ze terug willen naar hun moederland.

Op het verlanglijstje om te interviewen: oudere mensen die al vanaf het begin in Makhmur Kamp wonen, een jonge jongen die er is opgegroeid maar bij terugkeer naar Turkije niet zal kunnen ontsnappen aan militaire dienst, een aantal PKK-aanhangers of (als ze er zijn) PKK-leden. En mannen of vrouwen die werk hebben gevonden bij een van de vele Turkse bedrijven die in Iraaks Koerdistan investeren. Altijd mooi, hoe voor werk en handel politieke sentimenten en wederzijdse vooroordelen aan de kant worden geschoven.

“Geen probleem,” zegt K., “alleen zul je geen mensen vinden die openlijk zeggen dat ze terugverlangen naar Turkije. Dat is namelijk niet het standpunt van de PKK. De PKK vindt dat de vluchtelingen van Makhmur pas terug kunnen naar hun dorpen, of wat ervan over is, als Turkije voldoet aan alle eisen van de PKK.”

En wat de PKK ervan vindt, dat doet ertoe in Makhmur Kamp. Dat wordt keer op keer duidelijk in de dagen dat ik er probeer binnen te komen. Een aantal mannen die op z’n minst dicht aanschurken tegen de PKK – wat hun status precies is, valt niet te achterhalen – maakt de dienst uit. Zij bepalen niet officieel wie toestemming krijgt het kamp te betreden, maar wél wie er met de bewoners praat, en met welke bewoners dan, en waarover. En wat die bewoners dan zeggen. “Het kamp is precies zo georganiseerd als de PKK,” zegt K. “Hiërarchisch, streng, militair.”


Om een lang verhaal kort te maken: het kamp blijkt een onneembare vesting. Ik kom er niet in. Waarom blijft onduidelijk, maar het lijkt te maken te hebben met intensief overleg tussen allerlei bestuur-ders en politici over het kamp. Pottenkijkers zijn die bewuste week gewoon even níet gewenst. De enige journalist die Makhmur Kamp wél in kwam, deed dat illegaal door een gat in een hek, uitgedost als Irakees. Inspirerend, maar ik waag het er niet op.

Een paar weken later, halverwege oktober, wordt duidelijk waarom de slagboom gesloten bleef. Turkije staat op zijn kop: een groep van 34 Turkse Koerden uit Irak komt de Turkse grens over. Het is een gebaar van de PKK: ze noemen het de ‘vredesgroep’ en willen er hun steun mee betuigen aan de Koerdische opening. De ‘vredesgroep’ bestaat uit 26 mannen, vrouwen en kinderen uit Makhmur Kamp (de link tussen de PKK en het kamp maakt Turkije dus niet geheel onterecht) en, rechtstreeks uit PKK-bases in de bergen, acht actieve PKK-leden. Ze worden net over de Turkse grens uitzinnig onthaald door duizenden Koerden. Het welkom draait uit op een uitbundig PKK-feest, inclusief calan-portretten en PKK-vlaggen.

Voor de gelegenheid wordt er aan de grens een Turkse rechtbank ingericht, die alle groepsleden ondervraagt. In minder dan een etmaal zijn ze allemaal op vrije voeten: ze zijn geen van allen direct bij terrorisme betrokken geweest en vallen daarom onder een amnestiewet, een paar jaar geleden in het leven geroepen om PKK-strijders te bewegen de bergen te verlaten en terug te keren naar huis.

Maar de komst van de ‘vredesgroep’ valt verkeerd in Turkije. Helemaal verkeerd. De sentimenten wat betreft de PKK en ‘babymoordenaar’ en staatsvijand nummer één Abdullah calan zijn altijd al enorm, maar laaien nu op tot ongekende hoogte. In veel steden gaan burgers met enorme Turkse vlaggen en portretten van vader des vaderlands Atatürk (ook de grondlegger van het principe van de eenheidsstaat) de straat op, oud-militairen en gewonde veteranen voelen zich verraden en rukken publiekelijk hun medailles af, en de oppositie in het parlement beschuldigt de regering ervan te onderhandelen met terroristen en de eenheid van het land in de waagschaal te stellen. De komst van de ‘vredesgroep’ was duidelijk een brug te ver. Niet alleen vanwege de actieve PKK-leden, maar ook vanwege de Makhmur Kamp-bewoners, die in de ogen van veel Turken helemaal geen vluchtelingen zijn maar net zo goed terroristen, of tenminste terroristenvrienden.


Ook Cengiz Aktar, academicus en politiek commentator in Istanboel, windt zich behoorlijk op over de gang van zaken. Hij steunt de Koerdische opening en de vrijwillige terugkeer van Makhmur Kamp-vluchtelingen naar Turkije, maar dan moet het wel gebeuren volgens de regels van het internationaal recht, betoogt hij. “De vluchtelingen vallen officieel onder de bescherming van de UNHCR en hun vertrek uit het kamp moet dus ook door de UNHCR worden begeleid. Dat is niet gebeurd. Ze hadden door de Turkse autoriteiten opgevangen moeten worden. Die had ze terug moeten brengen naar de dorpen waar ze oorspronkelijk vandaan komen, of naar een andere plek als de dorpen of het huis niet meer bestaan. Dat is niet gebeurd, deze mensen zijn in feite aan hun lot overgelaten en zijn op eigen gelegenheid naar familie gegaan.” Tot slot, zegt Aktar, moeten vluchtelingen na terugkeer langere tijd worden gevolgd: gaat het ze goed, zijn ze veilig? Ook dat is voor de ‘vredesgroep’ niet geregeld. “Pure symboliek dus,” oordeelt Aktar over de groep van 34. “Bij een volgende terugkeer van bewoners van Makhmur Kamp zal het internationaal recht gerespecteerd moeten worden.”

En daar wringt natuurlijk de schoen. De steun onder de Turkse bevolking voor de Koerdische opening was al niet erg groot, en neemt verder af. Wat als er ineens duizenden Makhmur Kamp-bewoners de grens overkomen, die vervolgens door de Turkse overheid aan een huis worden geholpen en aan middelen van bestaan, en die langdurig worden gevolgd om hun veiligheid en welzijn te waarborgen? Onvoorstelbaar.

Toch is dat precies wat er moet ge- beuren als premier Erdogan en zijn regeringsploeg de Koerdische opening serieus nemen. Er ja, er wordt aan gewerkt.


De naam Makhmur Kamp is nog nooit zoveel opgedoken in de Turkse media als de laatste weken, en minister van Binnenlandse Zaken Atalay, die met de coördinatie van de Koerdische opening belast is, laat geregeld doorschemeren dat hij druk in gesprek is over Makhmur met Irak en de Verenigde Staten. Aan de ene kant: hoopvol. Aan de andere kant: opnieuw niets nieuws onder de zon. Over Makhmur Kamp wordt al jaren onderhandeld, alleen weet iedereen het nu – wat je op zichzelf natuurlijk vooruitgang zou kunnen noemen.

Voor de bewoners van Makhmur Kamp moeten het extreem spannende tijden zijn. Zomaar ineens waren er 26 medebewoners weg. Terug naar Turkije, reizend over de vlaktes en de bergen waar ze zo’n vijftien jaar geleden te voet door naar Irak trokken. Herenigd met achtergebleven familie, de lucht van thuis ademend, de eigen grond onder hun voeten. De hoop op een veilig en volwaardig leven in het moederland is nog nooit zo groot geweest.

Fréderike Geerdink