‘Ik vond mezelf een genie’

Hij werd groot met handel in nikkel en schroot. Inmiddels hebben z’n zonen zijn miljoenenbedrijven overgenomen. Ook al heeft metaalmagnaat Willem van ’t Wout (1932) twee tia’s gehad, hij werkt nog elke dag. ‘Ik was altijd heel nieuwsgierig, en dat is als zakenman het stomste wat je kan zijn.’

Mijn vader is gestorven toen ik vier was, mijn moeder en ik hadden het heel arm. Zo arm wilde ik het niet hebben, dat was mijn grote drijfveer. Niet dat ik het nou als heel erg heb ervaren, maar ik wilde toch wat anders. Ze zeggen dat ik nu miljoenen heb, dat houd ik niet zo bij. Ik geef ook niet om geld, maar ik heb wel een gevoel van tevredenheid dat ik van niks iets ben geworden. Het grootste gedeelte van mijn bedrijven heb ik aan twee van mijn zoons overgedaan; ze doen het allebei reuze goed in de zaak. Als ze de boel zouden willen verkopen, doet me dat helemaal geen pijn. Ik heb een paar keer in mijn leven bedrijven verkocht. De eerste keer was het alsof ik mijn been weggaf, dat deed werkelijk pijn. Maar daarna heb ik er absoluut geen last meer van gehad. Ik kijk nog heel weinig over de schouders van mijn zoons mee. Ik heb me teruggetrokken en heb gedacht: laat ze maar hollen. Als ze me wat vragen, geef ik antwoord. Maar ze vragen niet zoveel. Wel steeds meer sinds ze ouder worden trouwens, heel raar is dat. In het begin wisten ze alles beter, maar nu vragen ze wel meer. Heel dikwijls ben ik het met ze oneens, maar ik zeg het niet. Ik ben natuurlijk een ouwe zak, en dan heb je heel andere ideeën dan die jonge jongens.

Vroeger was de handel gebaseerd op vriendschap en lange relaties. Een vriend in zaken was levenslang je klant. Kon- ie de prijs een keer niet betalen, dan ging de deal toch door; zo hielp je elkaar. Het is nu zakelijker; een jaar of twintig gele-den is dat al begonnen. Ik vind het jammer, vroeger was het gezelliger. Je was ook wel veel meer tijd kwijt aan sociaal gedoe. Zat ik hele nachten in clubs, waar ik op zich geen voorstander van was, maar je moest het doen om je klanten te houden.


Op mijn negentiende was ik de assis-tent van de assistent van de assistent van de boekhouder bij een grote handelsonderneming. Ze hadden vijf directeuren die altijd poker speelden tijdens de lunch. Ik speelde mee, als goedkoopste kracht, dus dat stoorde niemand, en voor mij was het heel interessant, want ik hoorde alle verhalen. Zo hoorde ik dat ze in de farmaceutica gingen, dat ze daarvoor een doctor in de farmacie gingen aannemen. Ik vond dat ze mij moesten nemen, omdat ik commercieel was. “Nee zakkenwasser,” zeiden ze, “dat kun je toch niet.” Na veel heen en weer gepraat hebben ze het me toch laten doen. Toen deed ik het zo verschrikkelijk goed dat iedereen dacht dat ik een genie was. En dat vond ik zelf ook, ik was enorm succesvol. Dus ik dacht: ik ga voor mezelf beginnen. Maar dat ging al snel helemaal mis. Een jaar lang heb ik honger geleden, tot ik de zoon van een rijke vader tegenkwam. Met zijn geld hebben we een zaak kunnen opbouwen en zijn we in het nikkel gegaan. Ik raakte bevriend met de president van een firma van Rothschild, dat was toen een van de rijkste mensen ter wereld. Die president vertelde me dat hij uit politieke overwegingen moest stoppen met de handel met Cuba. De Amerikanen maakten hem het leven zuur, en hij had veel belangen in de VS, dus kon hij het niet meer doen. Of ik het niet wilde overnemen. Ik had nog steeds een heel klein firmaatje, maar ik kreeg dat agentschap. Bijna veertig jaar geleden is dat; sindsdien zijn we groot geworden met handel met Cuba.

Ik ben door mensenrechtenorganisa-ties bekritiseerd omdat ik met Cuba handelde en daarmee het regime zou ondersteunen. Heel vaak heb ik in de clinch gelegen met die clubs. Maar ik doe niks tegen de Nederlandse wet, en ik handel ook niet in Amerikaanse goederen. Dat de Amerikanen mijn activiteiten niet leuk vonden, vind ik jammer, maar ik ben sowieso apolitiek. We hebben er wel last van gehad hoor, op de zwarte lijst gestaan in Amerika, dan kun je daar geen handel drijven. Maar daar lag ik niet wakker van, dat wisten we van tevoren.


Nog steeds ga ik elke dag naar kantoor voor mijn eigen bedrijf Indiana Finance; daarmee heb ik twee actieve poten. De ene is een rederij, dat doe ik al heel lang. En mijn bedrijf neemt minderheidsbelangen in bedrijven die bijvoorbeeld problemen hebben met opvolging van hun leiding. Momenteel hebben we al investeringen in de scheepvaart, handel in voedingsmiddelen, chemicaliën en metalen.

Ik heb veel vrienden verloren; die gingen dan van het leven genieten en sommigen waren dan al na één of twee jaar dood. Dat risico neem ik niet. Als ik hier een maand wegblijf, is er geen kip die het merkt, maar ik wil bezig zijn. En dat blijf ik doen. Vijf dagen in de week zit ik hier, vanaf half negen. Wat het ook is: ik heb een prima verhouding met mijn vrouw, maar ik vrees dat als ik elke dag thuis zou zitten het zou ontaarden in een ruzie of een scheiding. We zijn gewend ieder ons eigen ding te doen. In doorsnee ben ik elke dag om half vijf thuis; het verbaast me al dat dat zo goed gaat. Ze is een geweldige vrouw, zestienenhalf jaar jonger is ze dan ik. Op haar 21ste was ze ineens moeder van vier kinderen. Ik ben gescheiden van mijn eerste vrouw, zij ging akkoord met opvoeding door mij en godzijdank kreeg ik mijn kinderen ook officieel toegewezen. Het is ongelofelijk hoe mijn tweede vrouw de opvoeding heeft gedaan. Die apen zijn door haar in het gareel gehouden, en dat is knap hoor. Zij was secretaresse bij een goudfirma waar ik aandeelhouder was. We handelden in goedkoop spul uit Italië; zo hebben we elkaar leren kennen.

Mijn hele leven heb ik met vrienden gewerkt in mijn bedrijven, ook al wordt altijd gezegd dat je dat niet moet doen. Toevallig hebben we eind 2008 al die ouwe knarren moeten vragen op te stappen. Er werkten nog een paar vrienden van me tussen de 76 en 80. In de huidige crisis hebben de bedrijven van mijn zoons het ook moeilijk gehad. Ze redden het nog, maar ik moest met Indiana Finance ook bezuinigen. Ik ben het bewijs dat het wel kan, werken met vrienden. We hebben honderd keer ruzie gehad en negen-ennegentig keer was ik de pineut. Dan vonden ze dat ik eigenwijs was of gekke dingen deed, en daar hadden ze ook wel gelijk in. Ik was altijd heel nieuwsgierig, en dat is als zakenman het stomste wat je kan zijn. Ik begon aan dingen om te zien hoe het ermee afliep, en dat is eigenlijk krankzinnig. Als je iets wil bereiken, moet je er geen gekke dingen bij doen om het experiment. Twee keer is een groot bedrijf van me bijna failliet gegaan; daar heb ik grijze haren van gekregen. Ik heb nog nooit geld verdiend aan een grote deal, het ging altijd met kleine beetjes tegelijk. Zodra ik dacht een grote deal te hebben, ging het altijd fout. Werkelijke dieptepunten heb ik niet gehad. Van de honderd dingen die ik heb gedaan, zijn er achtenveertig fout gegaan en tweeënvijftig goed. En die vier hebben me op de been gehouden.

Sara van Gorp