Een vlezige bende

Manon Uphoff (1962) is schrijfster. Onlangs publiceerde ze een nieuwe roman en een geïllustreerd boek over het menselijk lichaam. Zij groeide op in Utrecht en Nieuwegein.

Lichamelijkheid was een rode draad in Manon Uphoffs jeugd, dat realiseert ze zich naarmate ze ouder wordt meer en meer. Ze komt uit een heel groot gezin van in totaal dertien kinderen, zodat het in hun bovenwoning in de Utrechtse wijk Lombok altijd wemelde van de lijven en lijfjes. Haar hele jeugd heeft ze niet rustig op een wc kunnen zitten of kalm een bad kunnen nemen, want er stond altijd wel een ander te dringen.

Op zaterdagavonden en met feesten, als iedereen thuis was, kon je in elke hoek van het huis een gezinslid vinden. De oudste zonen uit het eerste huwelijk van vader waren grote kerels met harde stemmen; hun lichaamsgeuren mengden zich met de reuk van hun sigaretten. De oudste zussen uit het eerste huwelijk van moeder waren een en al borst en bil. Op zeker moment brachten die ook baby’s mee, die dan ergens lagen te stinken met een volle luier. En voortdurend klonk het gehoest van moeder, die zo’n enorme kettingrookster was dat ze wel een standbeeld van de tabaksindustrie had mogen krijgen.

Zelfs de muren leverden hun aandeel aan het fysieke pandemonium. Boven Manons meisjesbed hing een reusachtige reproductie van De dood van Sardanapalus van Eugène Delacroix. Een sultan sleurde zijn vrouwen, slaven en dieren mee in zijn zelfgekozen dood, een heftig doek vol steigerende paarden en stervende naakten. Vader Uphoff schilderde zelf naast zijn kantoorbaan ook, en zo hingen door het hele huis heen enorme doeken met blote vrouwen – hij hield erg van seks en erotiek.

“Het was een vlezige bende bij ons thuis,” zegt Manon Uphoff.

Wat ook meespeelde in haar fysieke bewustzijn was het verongelukken van een broertje, kort voor haar geboorte. Het gebeurde bij hen in de straat op het zebrapad, waar de kleine Edwin werd overreden door een betonmolen. Zijn hoofd was vermorzeld; vader Uphoff moest hem identificeren.


Toen Manon opgroeide, was het dode broertje geen dagelijkse gespreksstof, en toch was het in al zijn afwezigheid heel aanwezig. Ze herinnert zich hoe vader, als hij haar samen met de twee andere jongsten in bad deed, met hun schedeltjes speelde en vertelde dat hun overleden broertje net zo’n kopje had. Het ongeluk peperde het hele gezin de breekbaarheid van het bestaan in. “We wisten allemaal: kinderen kunnen kapot.” Daarnaast kende ze ook wel een soort gevoel van victorie omdat zij wél in leven was gebleven, een akelig gevoel waar ze zich schuldig over voelde.

Dan had ze nog een verstandelijk beperkte broer, die elf jaar ouder was dan zij. Toen zij negen was, was hij een aantrekkelijke jonge man met volwassen behoeftes en een verstand dat daarbij achterbleef. In zijn onvervulde (homoseksuele) verlangens ontwikkelde hij een fetisj voor schoenen, zodat hij de hele dag met schoenen door het huis zeulde en tegen denkbeeldige voetjes praatte. Ze vond het soms verwarrend, weleens gnant, en vooral gemeen van het leven. Maar het werd zo gewoon dat ze sindsdien niet gauw meer schrikt als mensen zich afwijkend gedragen.

Vader maakte er geen geheim van dat hij erg op seks was gesteld. Niettemin had hij ooit priester willen worden en een aantal jaren op een seminarie gezeten. Maar hij hield te veel van vrouwen en gaf daar uiteindelijk maar ten volle aan toe. De kinderen wisten al heel vroeg dat seksualiteit een belangrijke rol speelde in de relatie tussen hun ouders.

Vader Uphoff was op een vrouwelijke manier zorgzaam, meer dan moeder: naast zijn fulltime baan kookte hij, hing hij de was op en verzorgde hij de kinderen. Moeder was wat afstandelijker en wat moeilijker te benaderen. Ze had een grote honger naar kennis en vulde gretig aan wat ze had moeten missen doordat ze in de oorlog op haar veertiende van school moest.


Had vader aan zijn seminariejaren een paar katholieke kronkels overgehouden, moeder was eerder rood dan rooms. Ze kwam uit een straatarm vaderloos gezin, dat moest leven van kerkelijke liefdadigheid; intussen wreef de kerk hun in dat er geen vader was. Dat had moeder een flinke slok wantrouwen tegen de kerk opgeleverd. Regelmatig stonden in huize Uphoff rooms en rood recht tegenover elkaar, want de ouders waren allebei felle debaters.

Aan het begin van haar middelbare schooltijd verhuisde Manon met het gezin naar Nieuwegein. De start op het lyceum was prima, maar haar tweede jaar werd een ramp. Dat kwam doordat ze anorexia kreeg en er van leren niets meer kwam, een probleem waar ze tot haar negentiende mee worstelde. Ze hongerde zichzelf uit tot ze op de piek van haar eetprobleem tussen de 38 en 39 kilo woog.

Ze prentte zich in dat ze wilde ontsnappen aan de kwetsbaarheid van het lichaam met zijn noden en verlangens en dat ze alleen nog in haar geest wilde leven, rustig, geordend en verrukkelijk rationeel. Met elke kilo die ze verloor, voelde ze zich krachtiger. Het was verslavend en het leverde ook een roes op, een deliriumachtig gevoel van onoverwinnelijkheid, waarin niet meer tot haar doordrong dat ze energie verloor, flauwviel en allerlei lichamelijke klachten kreeg.

Toen er sprake was van mogelijke opname in een instituut, trok ze uit huis en ging ze een jaar in Groningen wonen. Ze deed er niet veel meer dan door de stad slenteren en boeken lezen. Vrienden had ze niet en haar ouders zag ze niet. Haar moeder was zowel boos als bezorgd; vader vertrouwde erop dat het wel weer goed zou komen. Het kantelpunt kwam toen ze zich realiseerde dat succesvol verder hongeren zou resulteren in haar dood. Dan zou ze een verhaal worden: de dochter die zich had doodgehongerd. Dat wilde ze niet. Ze schreef haar lyceum dat ze terug wilde komen en of ze haar wilden begeleiden. Ze werd goed opgevangen, maakte haar school af en keerde stukje bij beetje naar een normaal eetpatroon terug.


Haar eerste gepubliceerde verhaal heette Poep, haar jongste boek gaat over de menselijke anatomie. Ook in haar andere werk speelt het menselijk lichaam met zijn kwetsbaarheid, lust en noden vaak een rol. “Lichamelijkheid,” zegt ze, “is een leitmotiv in mijn denken en mijn werk. Ik denk dat ik in mijn jeugdjaren ben gaan beseffen dat de scheiding van lichaam en geest weliswaar courant maar arbitrair is. Het lichaam is een ondergewaardeerd voertuig van de geest.”

De spelers. De Bezige Bij. €17,50. Het moet eten, ademhalen, slapen. Contact. €29,95.

Matt Dings