Het nut van dagdromen

Elke week op de website: één artikel uit HP/De Tijd. Deze keer Beatrijs Ritsema over het nut van dagdromen. Nietsdoen, lummelen en mijmeren – het lijkt misschien zonde van de tijd. Maar het kan uitermate waardevol zijn. Lees er Freud maar op na.

Door een val met zijn paard dat een hindernis weigerde bij een springconcours raakte Christopher Reeve in 1995 vanaf zijn nek verlamd. De atletische acteur met zijn aantrekkelijke voorkomen, die roem had verworven als verpersoonlijking van Superman in de gelijknamige film, kwam in een rolstoel terecht waar hij de rest van zijn leven niet meer uit zou komen. Uit zijn autobiografie Still Me (1998), die voor een groot deel gewijd is aan zijn manhaftige zij het vergeefse pogingen herstel te vinden, herinner ik me een droom. Reeve beschrijft hoe hij nacht in nacht uit met zijn zeilboot over de oceaan glijdt, de wind in zijn haren, zeilen onder controle, hand aan het roer. Het gelukzalige gevoel van vrijheid begeleidt het wakker worden voor minder dan een seconde – onmiddellijk daarna wordt hij weer opgeslokt door de grimmige werkelijkheid van de totale immobiliteit.

Reeve koestert zijn terugkerende droom. Hij klampt zich eraan vast, zo niet als vingerwijzing voor een toekomst waarin hij weer zal kunnen bewegen, dan toch als vlucht uit zijn geketende bestaan. Freud zei het al: dromen draaien om wensvervulling. Toch vraag ik me af of, in het geval van Reeve, de euforie van het imaginair bevredigde verlangen wel opweegt tegen de bittere nasmaak van de ontnuchtering. Is het niet erger om elke keer weer met een klap bij je positieven te komen dan de droom helemaal niet dromen? Ik vrees dat ik onder Reeveachtige omstandigheden langzamerhand gloeiend de pest zou krijgen aan dat nachtelijke gezeil over azuurblauwe oceanen, zo lijfelijk dat ik het zout kon ruiken. Je kunt het nooit zeggen als je het niet zelf hebt meegemaakt, maar dat ontwaken lijkt me de hel. Anderzijds is wakker worden in een extreem behoeftige toestand altijd akelig, dus dan vormen gelukzalige dromen allicht een klein beetje afwisseling op het palet van algehele misère.

Maar iets opleveren doet het verder niet. Van een mooie (dag)droom knap je niet mentaal op, en je bent ook niet beter bestand tegen de ontberingen van het dagelijks leven. Misschien wantrouw ik de ervaring van Reeve wel omdat er iets sentimenteels aan kleeft, zoals bij verzoeningstaferelen aan het sterfbed in films die rechtstreeks op de traan spelen. Het erge wordt erger door het met iets lieflijks te contrasteren, en dat contrast wekt de traan. Moet de traan gewantrouwd worden als een vals cliché? Nee, met de traan is niets mis, de ontroering is echt, maar ik geef er niet om. Ik word er wee van.

Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij een bepaalde categorie dagdromen: de goede herinneringen. In zijn bekende liedje Testament zingt Boudewijn de Groot over het afscheid van zijn jeugd, waarin hij van alles aan iedereen toebedeelt (‘aan mijn broertje dat zo graag wil gaan studeren/ laat ik met plezier het adres na van mijn kroeg,/ waar ik te veel dronk om een vrouw te imponeren/ en daarna de klappen kreeg waarom ik vroeg’). Het enige dat hij houdt zijn z’n goede jeugdherinneringen – die neemt hij mee zolang hij verder leeft. Mooie en goede herinneringen zijn belangrijk, luidt de gevestigde opvatting, want als je oud en der dagen zat bent, kun je daaruit putten en wordt je ziel verwarmd.

Spijtig genoeg ervaar ik nooit enige troost van goede herinneringen. Als ik me goed voel en er valt mij toevallig iets moois uit het verleden in gedachten, kan dat bijdragen tot de aangename stemming. Maar als ik me bedroefd of eenzaam voel, dan maakt het ophalen van fijne herinneringen me alleen maar ellendiger, juist omdat het contrast met de status quo zo schrijnend is. Tot zo ver het nut van de schatkist aan mooie levenservaringen die een mens tot steun in moeilijke tijden heten te zijn. Mensen zeggen weleens na een leuk dagje uit of een fijne vakantie: “Zo, dit kunnen ze me niet meer afnemen,” alsof ze het in een brandkast hebben opgeslagen, maar de ervaring vervluchtigt zodra die afgelopen is en kan in herinnerde vorm nooit hetzelfde gevoel oproepen. Van langdurig geïsoleerde (krijgs)gevangenen en ontvoerden is bekend dat zij op den duur minder dagdromen over familie en geliefden, omdat dat het gemis alleen maar benadrukt. Zij bestrijden de eenzaamheid door hun dagdromen concreet en inhoudelijk in te vullen: bijvoorbeeld door gedichten te reciteren die ze uit hun hoofd kennen, schaakpartijen tegen zichzelf te spelen, zich de Odyssee zo precies mogelijk voor de geest te halen of zich recepten voor gerechten te herinneren. Hoe beter de geest gemeubileerd is, hoe meer mogelijkheden om in het eigen vertier te voorzien.

Voor ontsnapping aan het hier en nu bestaan slechts twee vluchtwegen: naar achteren het verleden in, of naar voren de toekomst in. Het gelukkige verleden leent zich minder voor dagdromen wegens de onvermijdelijke kater die volgt bij ontwaken. Onaangename gebeurtenissen daarentegen of persoonlijke mislukkingen worden heel vaak mentaal opnieuw beleefd om er een andere draai aan te geven. Mensen die een faux pas begingen in een sociale situatie of fouten maakten waardoor ze zichzelf benadeelden, wentelen het incident rond in hun gedachten, verzinnen een andere afloop of bedenken methodes om wat er mis ging weer in orde te maken. Mensen die verkeerd behandeld zijn fantaseren over middelen om het de ander betaald te zetten. Bij hoogoplopend onrecht (gedumpt worden door een werkgever of een geliefde, geweld dat jezelf of een naaste overkomt) kan deze vorm van tobbend dagdromen uitmonden in regelrechte wraakfantasieën, waarin de aanstichter van het ongeluk de vreselijkste vernederingen ondergaat. Op die manier likt het geblutste ego zijn wonden en smeedt het plannen om de krenkingen te wreken. Zonder een gering lijntje naar de toekomst is een dagdroom niet levensvatbaar.

In de roman Atonement van Ian McEwan (in het Nederlands verschenen als Boetekleed) staat een mooi voorbeeld van hoe het werkt met de vervlechting van verleden en toekomst. Een van de hoofdpersonen, Robbie Turner, belandt als Brits militair in de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk, nadat hij eerst tien jaar in de gevangenis heeft doorgebracht, ten onrechte veroordeeld wegens verkrachting. Honger, kou en doodsgevaar kan hij doorstaan door geconcentreerde dagdromen over zijn geliefde. Keer op keer herleeft hij hun ontmoetingen en speelt hij de gebeurtenissen en gesprekken af in zijn hoofd. Haar brieven kent hij van buiten. Hun liefde is het enige waar hij op teert om te overleven. McEwan beschrijft Turners dagdromen zeer gedetailleerd. Je krijgt er als lezer bijna een claustrofobisch gevoel van, omdat de omstandigheden zo ellendig zijn en de hoofdpersoon na zijn geestelijke excursie toch weer voort zal moeten door de modder naar Duinkerken. Het lijkt alsof hij alleen maar in het verleden verwijlt, maar zijn liefde is springlevend en hij weet dat zijn beminde op hem wacht. Op zo’n intensieve manier dagdromen kan alleen als de liefde actueel is. Geen schijn van kans dat een soldaat aan een front zichzelf staande zou kunnen houden met dagdromen over een verkering van vroeger die allang over en uit is.

Wensvervulling is de drijvende kracht achter zowel nacht- als dagdromen. Volgens Freud in zijn essay Der Dichter und das Phantasieren heeft dagdromen voor volwassenen dezelfde functie als spelen voor kinderen. Kinderen spelen omdat het hun plezier geeft, maar spel is ook altijd een oefening voor later. Ze imiteren gedrag van volwassenen, leven zich in bepaalde rollen in en beelden hun fantasie uit. Het verschil tussen spelen en dagdromen is dat spelen in het openbaar gebeurt en dagdromen een privébezigheid is. Dat laatste is begrijpelijk, aangezien dagdromen over verlangens gaan, iets waar mensen doorgaans niet mee te koop willen lopen. Freud benadrukt de functie van proefdraaien voor de toekomst: het mentaal doorlopen van verschillende mogelijkheden om een bepaald doel te bereiken. Voor schrijvers acht hij dagdromen cruciaal – ze vormen de grondstof van literatuur en poëzie.

Toekomstgerichtheid hoort bij een ‘strevend ik’ dat nooit in perfecte balans staat met de status quo, omdat er altijd wel iets te verbeteren blijft. Zo bezien vallen bijna alle gedachten die een mens zoal door het hoofd kunnen schieten onder de categorie dagdromen. Bijna alle gedachten gaan immers over jezelf in relatie tot bepaalde verlangens, angsten en strevingen. De man die een aantrekkelijke vrouwelijke collega mentaal uitkleedt tijdens een vergadering is aan het dagdromen, evenals de vrouw die tijdens een ongeïnspireerde vrijpartij met haar vriend een boodschappenlijstje voor de volgende dag componeert. Beiden zijn zogezegd niet ‘in het moment’, een onverstandige houding volgens de leer van de mindfulness, want als je voortdurend naar elders verhuist met je gedachten, glipt het leven ongemerkt aan je voorbij.

Dat mag waar zijn, aan de andere kant reduceert stelselmatige oplettendheid voor de ervaringen in het hier en nu de mens tot de lijdzaamheid van een herkauwende koe die niet denkt aan verleden of toekomst. De werkelijkheid is nu eenmaal vaak te vervelend om in op te gaan en een dagdroom kan die saaiheid aanzienlijk opfleuren. Dus surfen mensen achter de computer naar funda.nl om weg te dromen bij huizen waar ze nooit zullen wonen. Ze fantaseren over wat ze allemaal gaan aanschaffen wanneer ze de lotto winnen. Ze projecteren zichzelf in de toekomst als beroemde popster of actrice, voor wie het publiek uit z’n dak gaat. Ze zien zichzelf als voetballer die het winnende doelpunt scoort in een orkaan van toejuichingen. Ze redden het object van hun geheime liefde uit brandende huizen en grissen haar weg voor gapende afgronden. Ze bedwingen bergtoppen en vinden het perpetuum mobile uit. En verder natuurlijk ongelooflijke hoeveelheden fantasieseks. Behalve escapisme hebben deze dagdromen nauwelijks betekenis. Het is een vorm van tijdverdrijf, zoals patience spelen of sudoku’s oplossen.

Niet iedereen betoont zich even actief op het escapistische dagdromenfront. Mensen zonder brandende verlangens naar rijkdom of succes of zonder verterende verliefdheid zullen minder geneigd zijn zich over te geven aan gedetailleerde fantasieën met een hoog luilekkerlandgehalte. Zij dwalen evengoed af van het hier en nu, maar onbestemder. Het woord dagdromen is hiervoor te sterk – mijmeren dekt de lading beter. De mijmeraar laat zijn gedachten alle kanten op waaien. De ene associatie roept de volgende op. Het gaat van een bepaald deuntje dat in je hoofd zit naar wie de betreffende zanger ook alweer was, naar de vriend die vroeger op deze muziek was gesteld, naar diens vader die euthanasie kreeg, naar een artikel over babyboomers die de Mexico-route nemen om pillen voor een waardige dood te bemachtigen, naar de eigenaardigheden van Zwitserland tot aan de noodzaak om de kleerkast uit te mesten, en dit alles binnen anderhalve minuut.

In mijmeren zit minder wensvervulling en minder gedrevenheid dan in dagdromen. Het is contemplatiever en relaxter en het contrast met de werkelijkheid is minder groot. Iedereen mijmert tijdens de overgang van waken naar in slaap vallen (als hij tenminste niet aan het tobben en piekeren is, een negatieve vorm van dagdromen die mensen juist uit de slaap houdt). Overdag mijmeren gebeurt ook. Niet alleen vissers aan de waterkant, ook mensen in het openbaar vervoer, op een bankje in het park, in wachtkamers, in de rij voor de kassa, achter de computer op het werk en tijdens vergaderingen. De mijmeraars zíjn er wel maar ook een beetje niet. Ze verwijlen in andere sferen. Ook wordt er volop gedagdroomd bij productieve werkzaamheden als aardappels schillen, breien, dweilen, tuinieren, strijken, verven of metselen, handelingen die zo geautomatiseerd zijn dat ze met een minimum aan actieve concentratie kunnen worden uitgevoerd.

Mijmeren past niet in de doelmatigheidscultuur van het kantoor, waar werkgevers het computersurfgedrag van de werknemers monitoren en waarin elke werkminuut moet worden verantwoord door middel van een tijdschrijfschema. Mijmeren = dagdromen = luieren, en dat moet maar in de vrije tijd. Toch is mijmeren niet alleen een vlucht uit de werkelijkheid. Bij ingewikkelde taken vertonen mensen vaak uitstelgedrag. In creatieve beroepen kom je de meeste deadline-adepten tegen: mensen die pas op het allerlaatste moment aan hun opdracht beginnen en daarvoor hun tijd hebben zitten vermorsen met rondlummelen en nietsdoen. Het uitstelgedrag komt niet door luiheid of gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, het komt doordat ze niet weten hoe ze een en ander in het vat moeten gieten. De wetenschappelijk onderzoeker droomt weg boven zijn amorfe data, de tekenaar weet niet wat hij moet tekenen en houdt een hazenslaapje, de componist maakt een fietstochtje in plaats van te componeren. Dagenlang komt er niets uit hun vingers en vervloeken ze zichzelf vanwege hun gebrek aan productie. Maar meestal komt het op tijd goed. Mensen met veel ervaring met ingewikkelde of artistieke taken weten op een gegeven moment dat tijdverspilling erbij hoort, sterker nog, dat het zonder improductieve tijd niet lukt. Door je niet exclusief te concentreren op de taak die voor je ligt en een beetje voor je uit te suffen, laat je het probleem een tijdje marineren in het onbewuste, waarna een oplossing of aanpak zich vanzelf aandient. Net als dag- en nachtdromen vormt mijmeren een manier om contact te houden met het onbewuste. De associaties verlopen veel grilliger dan bij een bewust gestuurd denkproces en juist voor ingewikkelde taken kunnen grillige associaties van pas komen.

Belangrijker dan de inhoud van dagdromen en mijmeringen (die in de ogen van een buitenstaander vaak even saai en voorspelbaar zijn als de werkelijkheid waaraan ze pogen te ontsnappen) is de activiteit zelf. Het gaat er niet om wát maar dát iemand dagdroomt. Als Freud gelijk heeft met zijn idee dat het dagdromen van volwassenen het spel van kinderen is, dan is een leven zonder dagdromen het niet waard om geleefd te worden.

Beatrijs Ritsema