Kerstverhalenwedstrijd: 5e plaats

Het eerste circus is twee dorpen verder neergestreken, in Clermont. Op het vroegere stationsemplacement staan verse, roodgelakte wagens en dezelfde ambitieuze beesten als bij Circus Renz, dat voor ons amateurs de maatstaf is.  Tussen het ordinaire vee een leeuw en een kameel. Noach is niet van de straat. Een leeuw is big business, zaak van kooien, temmers en vergunningen.

Circus!, roepen de kinderen.

Wij, ouders, haten circus. We zien het kunstige er niet aan af. Een vent die mooi viool speelt streelt de ziel. Een beest dat door een hoepel springt, het zou wat. Maar vandaag is circus onvermijdelijk geworden. Voor een kind is circus wat een God is voor gelovigen, een wonder.

Naast de aversie tegen clowns en leeuwen die door hoepels springen zeurt ons ongemak over de armoede van het vermaak, het mensonterende van volk dat zich in goudbrokaat te koop aanbiedt met dieren en temidden van hun laagheid, die tot overmaat van ramp onschuldig is. Die kleine trieste circussen geven je het gevoel dat zelfs het kopen van een kaartje medeplichtig maakt aan de instandhouding van een bedwelmend onrecht, mensenleed. Dieper in ons: de smetvrees van de burger, zijn angst net zo te worden als de circusklant. Misschien dat het publiek in circussen de wortels van die angst zoekt om hem kwijt te raken. Daar, waar de mannen vallen, zie je wat overleven is. Maar jij, op die beduimelde tribune, blijft gespaard, en dat is de beloning voor het kijken.

Goddank lukt het, met harteloze rotsmoezen de voorstelling te missen. Maar het lot geeft niet op. Een paar dagen later kondigen plakkaten in St. Félix, ons dorp, de komst aan van een circus dat zal spelen op een braakliggend terrein naast wat op de affiches ‘het stadion’ heet. Het  moet het circus van Clermont zijn, dat haast vertrouwen wekte met zijn mooie roodgelakte wagens. Ondenkbaar toch, dat in een spookdorprijke uithoek van de Hérault-vallei twee Noachs op de vuist gaan.

Circus!, juichen de kinderen.

Nu moeten we. Na twee weken gedwongen recreëren heeft de kinderallergie een hoogtepunt bereikt. Als het kroost in ons vakantiehuis de slaap vat, rest ons als enige vertreding puberaal protestzuipen op het  terras, waar we met waterpistolen Franse horrorspinnen naar hun holen spuiten. We  maken grappen, dat dit leven is. En memoreren lallend hoe we vroeger droomden, groter en breder. Ons kleine circus weet het van zichzelf, dat is de boodschap. Bewustzijn is alles.

Het stadion is een streep gras op zakformaat, zonder tribunes of kantines. We zien dat, met dit desolate vergeleken, ons Clermont het paradijs was. De tent kan op een camping. Clermont had nog kamelen, in St. Félix acteert alleen het laagste vee, de geiten en de pony’s. We zien ze buiten staan. Geen trailer is hier mans genoeg voor een kameel.

Drie bestelwagens staan er, te besturen met klein rijbewijs en met de grote woorden hulpbehoevend op de flanken. Cirque Européen. Bienvenue au Cirque. Er is een kassabus met het loket gesloten.

We zijn de enigen. Buiten wachten circusvolk en vee op niets en niemand. In hun samengebalde godenschemering zijn de dieren nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Ze staan daar haveloos te grazen tussen de sterke zwerversjongens met gebruinde bovenlijven en een schrale ballenact, die in de buitenlucht op halve kracht geoefend wordt alsof het niets meer uitmaakt. Als ze hier geld voor  durven vragen hebben we te maken met een specimen van schitterende, schurftige, van de weeromstuit schilderachtig geworden afzetterij. Ik voel het, zwakke broeder, schrijnen in de hartstreek. Bezoekers van het Cirque Européen moeten mensen zijn met de moed te denken: ach, zo is het leven, en we leven nog. Zonder wordt men door het Circus van St. Felix van slag gebracht als door een groot verdriet, de naderende dood.

We gaan naar huis, zeg ik. Dit is funest voor het moreel.

Dat kunnen we de kinderen niet aandoen, zegt mijn vrouw.

We maken nog een uitstelronde door het dorp.

Rond negen uur zien we boos kijkende primitieven uit gemeentebusjes springen om de affiches van het Cirque Européen van de lantaarnpalen te plukken. Er is iets ergs gebeurd tussen de boze wereld en het circus. We weten dan al bijna zeker dat het niet zal spelen.

Bij terugkeer vinden we de kassabus nog steeds gesloten.

In de tent horen we de spreekstalmeester zijn zieke dwergenstem verheffen voor de verkondiging van een uniek en onvergetelijk spektakel. Buiten staat een geit, symbool van erbarmelijkheid. Verderop horen wij de dorpsdisco het pleit beslissen op de uitgaansmarkt. Misschien gaan ze alsnog beginnen. Maar niet met ons. Wij grote mensen zijn gebroken door een kleine smart die op ons oversloeg en groeide.

Om kwart voor tien keer ik, geïntrigeerd, terug naar de plek. De tent is weg. De grootste trailer staat al op vertrekken. Het wordt snel nacht, een duister vreet de schemer aan.

De  kinderen zijn boos op ons. Een kind weet niet wat drama is. Hoe kan het weten dat die pony  een kameel had moeten zijn? Alleen een kind kan rustig naar het circus. Wij zijn te droevig; wij zijn zwak geworden.

Bij de slager informeer ik een dag later naar de toedracht. Hij weet alleen te zeggen dat het circus illegaal was. Nu hoor ik door  te vragen. Maar ik laat het raadsel wat het is, het deksel op de doofpot.

Drie dagen verder is er circus in Gignac, ditmaal met Frédéric et ses lions. Het is beslist een ander circus dan de kinderboerderij van St. Félix.

Weg hier. Het beneemt me de adem.

Je denkt misschien: het houdt een keer op. Dat is naïef gedacht. Het circus van St. Félix trekt in zijn duizenden gedaanten door, als de gebalde vuist van kleine mensen die zich staande houden met de onverwoestbare illusie dat er hoop is, altijd weer. Ik vlucht, omdat mijn angst niet diep genoeg gezonken is. Hij moet nog wanhoop worden en tot stof verkeren in de droom waarin een man snikkend een schonkig circuspaard omhelst, als broeder.

Bas van Putten