Kerstverhalenwedstrijd: 6e plaats

Ik ben met ons Co’tje naar de Kerstbouwmarkt geweest, en hij kon maken wat hij wou. Echt, hij kan maken wat hij wil. Schetste zo uit zijn hoofd die kerstconstructie van ‘m achterop een envelop, inclusief de lengte van de planken, het aantal moeren en bouten, de hoekijzers en nog meer van dat. Die jongen is een soort savant. Ja, want verder komt er geen stom woord uit. Ik droom van de dag dat onze Kee hem in een opvanghuis zet, weet je dat? Hij wast zich bijna nooit, loopt wekenlang in dezelfde overall rond bij haar thuis. Zonder ondergoed ook nog, de smeerpoets.

Maar goed, ons Co’tje had wat spullen nodig voor zijn kerstproject, dus Keetje vraagt of ik die even met hem wil halen, want ik heb een auto en dan kon zij alvast aan het kerstdiner. Dus ik zeg lieve zuster, ik wil best met je Co’tje shoppen, maar dan doet hij eerst een schone overall en een onderbroek aan. Dat was geen probleem zei ze. ‘Het is frisjes vandaag en hij heeft een hekel aan koude billen.’

Affijn, ik met Co’tje naar de bouwmarkt. We hadden een wagen vol geladen vol met rammelende planken en moeren en de rest van de rommel. We reden al weg toen hij erachter kwam dat hij nog kerstlampjes nodig had, natuurlijk. Zo’n meterslang snoer met van die knipperende, in alle kleuren. En je raadt het niet: er zat zo’n ingeblikt ‘Vrolijk kerstfeest!’-stemmetje bij ook nog. Achter mekaar ging dat door weet je wel, ‘Vrolijk kerstfeest!’… knipper de knipper… ‘Vrolijk kerstfeest!’ Om gek van te worden. Maar hij vond dat leuk.

Gelukkig vergat-ie dit keer op de terugweg dat-ie altijd bij ons mam langs moet. Zo dement als een deurmat is ze, maar hij is aan haar gehecht hè. ‘Oma Lief’ noemt hij haar. Kee heeft haar hier vlakbij gestald, we reden er praktisch langs. Blij dat het niet hoefde, ik vind er niks aan. Ze zit daar maar, opgekruld in haar rolstoel met haar oogjes dicht voor het raam. Ons herkennen? Ha! Het enige wat er uitkomt, tussen het kwijlen door, is ‘Suikerklontje?’ Kijk ik hou best van mijn moeder, maar ik blijf er het liefst zo ver mogelijk bij uit de buurt. Ik krijg er nachtmerries van. Maar ons Co’tje niet hoor. Nee, die uitslover kamt haar haren, veegt het kwijl van haar mond met papieren zakdoekjes en maakt haar oren schoon met wattenstokjes. En dan gaat ze giechelen hè, want het kietelt. En dan kweelt-ie ‘Oma Lief!’ Ach hij loopt al weken tegen Kee te zeuren, dat ons mam de Kerst met ons thuis moet vieren. ‘Oma Lief thuis Kerstfeest! Co’tje van Oma Lief gedroomd!’ En dat de hele dag door hè, als hij de kans krijgt. Dus mijn zuster wordt dat op een gegeven moment zat en ze zegt: ‘Weet je wat Coos Albert? Als jouw Oma Lief wakker wordt, dán mag ze met de Kerst langskomen. Gesnopen?’ Dat heeft-ie geloof ik wel, want hij keek flink sip, en nu horen we hem er niet meer over. Hij is er toe in staat hoor. Vorige Kerst heeft hij haar ook al hierheen gereden. Stonden ze samen op de stoep, in de regen. De hele buurt kon het zien, ik schaamde me dood.

Wel rot om zo’n joch zo zijn droom te ontnemen, maar we gaan nu eenmaal geen luiers verschonen hier met de Kerst.

Ze doen er wel lang over zeg. Co’tje je is natuurlijk meteen met zijn spullen de schuur ingedoken. Ben benieuwd wat-ie dit keer bouwt. Wij mogen natuurlijk niet kijken. En Kee staat ook al al uren in de keuken te sloven. Oh, ze is zo ongeveer klaar geloof ik, want ze loopt naar de schuurdeur. Bonst hard erop, schreeuwt om boven het getimmer uit te komen. Maar Co’tje doet of hij niks hoort. Kee weet wel  beter dan hem te storen als hij nog niet klaar is. Ze zet zijn bord naast de schuurdeur.

We eten het kerstdiner met z’n tweetjes. Kee’s blik blijft naar de schuur dwalen. Ik probeer het nog maar eens: ‘Weet je wat jíj moet doen? Die jongen in een opvanghuis zetten. Hij verpest je leven zo!’ Kee’s mond valt open. Een stukje draadjesvlees zakt van haar vork. ‘Hoe kún je dat zeggen?!’ Ik probeer het nog recht te praten maar de sfeer is verpest. Zwijgend lepelen we het eten naar binnen.

Het is allang donker, we zijn al aan de kaasjes, als de schuurdeur eindelijk opengaat. Coos Albert rijdt zijn bouwwerk op een soort karretje naar de keukendeur. ‘Nie kijke! Verrassing!’ schreeuwt hij. Hij duwt de constructie de drempel over en maakt laatste aanpassingen in de keuken. ‘Oge dicht!’ schreeuwt hij, terwijl hij naar binnen rijdt. ‘Vrolijk Kerstfeest!’ horen we. ‘Oge open!’ schreeuwt hij. En daar is ons mam. Ze zit vrolijk lachend naar ons te zwaaien. ‘Vrolijk Kerstfeest, vrolijk kerstfeest!’ roept mijn moedertje. Bobjes houten harnasconstructie past naadloos in haar rolstoel. Haar armen zijn via scharnierende planken met de wielen verbonden. Bobje rijdt de rolstoel heen en weer, en mama zwaait uitbundig. Haar jurk is opengeknipt en op de planken vastgeniet. Hij schijnt door, eronder zie je haar bottige lijf, gewikkeld in knipperende kerstlampjes. ‘Vrolijk Kerstfeest, vrolijk kerstfeest!’ roept mijn moedertje. Haar onderkaak gaat open en dicht, met de wielen mee, in een mechaniek van ijzerdraad. Mama’s ogen zijn wijdopen gesperd, Bobje heeft denk ik superlijm gebruikt, en ze lacht een scharlakenrode lach, van oor tot oor. Een sliertje rode verf druipt langs haar kin.

Kee valt in katzwijm op het parket. ‘Jan Robert! Zet dat… dat ding onmiddelijk uit, verdomme!’ Bobje kijkt verbaasd en sip. Hij loopt naar de keuken en trekt de stekker uit zijn creatie. Het wordt stil. De tong van mijn moeder glijdt uit haar clownsmond. Haar ogen staren wijdopen de leegte in. ‘Suikerklontje?’ zegt ze.

Sam Gerrits