Als een trein

‘Zal ik je mijn droom vertellen?” vraagt Kate.

“Nee,” zegt Harold terwijl hij cornflakes in een kom strooit. “Mag ik de melk?”

“Ik droomde dat we een in een trein zaten,” begint Kate, terwijl ze een pak melk aangeeft. “Koffie?”

“Mmm,” bromt Harold instemmend met zijn mond vol. Hij pakt de afstandsbediening en zet de televisie aan, zonder geluid.

“Jij zat in de trein. En ik. En een heleboel vage types die deden alsof er niets aan de hand was,” vervolgt Kate. “Jij zat naast me, dus je keek me niet aan. We gingen dezelfde kant op. Dat was op zich een goed teken. Maar we gingen veel te hard. En dat klopt precies. Volgens mij gáán we ook veel te hard.” Harold zucht zo onopvallend mogelijk. Te hard, het zal eens niet…

Vorige week droomde ze dat alle klokken ontploften. Toen ze wakker werd, schudde ze Harold door elkaar.

“Wat? Wat? Wat?” vroeg hij slaperig.

“De klokken moeten weg!” hijgde Kate opgefokt en sprong uit bed. “De batterijen moeten eruit.” Ze begon alle klokken van de muren te halen.

“Wat? Hoezo?”

“Ze gaan ontploffen!” riep ze vanuit de keuken.

“Kate, alsjeblieft… het was een droom.”

“Precies! Het is een teken! Het is slecht, al die haast.” Ze klonk als een manische dominee die hel en verdoemenis preekte. Alsof het een zonde was om gewoon op tijd op je werk te willen komen.

Hoe laat is het nu eigenlijk? Harold kijkt op zijn horloge. Over twintig minuten moeten ze naar het station. Gelukkig heeft zijn horloge de anti-tijdwoede van Kate overleefd. Het heeft een mechanisch uurwerk. Omdat er geen batterijen in zitten, is het oké. Waanzin.

“De droom ging nog verder,” zegt Kate. “We gingen steeds harder en harder. Ik begon te gillen. De mensen om me heen keken me heel raar aan.”


“Dat kan ik me voorstellen,” mompelt Harold begripvol. Een gillend mens in de trein op de vroege ochtend lijkt hem ook geen pretje. Hij kijkt over Kates schouder naar het nieuws op de televisie. Beelden van Den Haag. Mensenmassa’s. Gadver, toch niet alweer een demonstatie? Straks kan de tram weer niet doorrijden door al die mensen.

“Even wat anders,” zegt Harold. “Zullen we allebei een fiets in Den Haag stallen? Dan hoeven we de tram niet meer te nemen.”

“Wat? Fiets? Waar heb je het over?” roept Kate geïrriteerd.

“Het is maar een ideetje,” mompelt Harold.

“Je luistert helemaal niet naar me!” gilt Kate. “Onze relatie gaat kapot! We gaan veel te snel. We werken samen en we wonen samen, maar we spreken elkaar nooit. We gaan dezelfde kant op, maar we zíen elkaar helemaal niet. Als we zo doorgaan, dan is het straks in één klap afgelopen!”

“Hoezo afgelopen?” vraagt Harold verbaasd. “Wil je bij me weg?”

“Nee!” roept Kate en barst in tranen uit. “Dat wil ik helemaal niet. Ik wil dat we voor altijd samen blijven.”

“Maar dan is er toch niks aan de hand?” sust Harold. “Ik wil óók dat we bij elkaar blijven. Waar ben je bang voor?” Hij staat op van zijn stoel en loopt naar haar toe. Hij slaat zijn armen om haar heen. Hij voelt hoe zijn overhemd doorweekt raakt van de tranen op zijn schouder. Stiekem kijkt hij op zijn horloge. Nog twintig minuten. Heeft hij nog een gestreken overhemd? Of een trui misschien?

Na een poosje houdt ze op met snikken. Ze scheurt een stuk papier van de keukenrol en snuit haar neus. Harold gaat weer achter zijn kommetje cornflakes zitten en roert in zijn ontbijt. De cornflakes zijn zacht geworden. Kate neemt een grote slok koffie en zucht diep.


“Weet je wat het is?” begint ze. “Het einde van de droom was gewoon heel akelig. Ik heb nog spierpijn van de klap.”

“Hoe bedoel je?” vraagt Harold. “Heb ik jou pijn gedaan? In die droom, bedoel ik.”

“Nee, jij was ook dood,” zegt Kate. “We reden met de trein tegen een muur.” Harold trekt helemaal wit weg. Hij kijkt over Kates schouder alsof hij een zwarte gedaante met een zeis ziet staan.

“Wat is er?” vraagt ze angstig. Hij hapt naar adem.

“Daar…” zegt hij en wijst naar de televisie. Daar zien ze het station Den Haag Centraal, waar een gele trein tegen de muur is geplakt als een stevig uitgedrukte peuk. Kate slaakt een kreet. Even kunnen ze geen woord uitbrengen. Dan begint Harold iets te dagen. Hij kijkt op zijn horloge: over twintig minuten moeten ze de deur uit. Maar hoe laat is het écht? Hij zet teletekst aan.

Dan fluistert hij: “Dat is de trein waar wij in hadden moeten zitten.”

Rosalinde van Mansum