De altruïstenbrigade

De brandweer graaft hondjes uit vossenholen, blust vuur in slooppanden. Dat zijn de lichtere klussen, waar ze met elkaar over geinen. De zwaardere laten sporen na in de ziel: ‘De beelden van zo’n verkoold lichaam blijven je bij.’ Drie etmalen mee met de brandweer in Nijmegen.

Blauwe zwaailichten weerkaatsen via de witte huizen van de Sint Annastraat de tankautospuit in. Ze beschijnen de strakke gezichten van de vier Nijmeegse brandweermannen Mark, Gijs, Marinus en Peter. In onze voortrazende wagen hangt nog de scherpe geur van verbrand plastic van een uur geleden, toen we uitrukten om een kunststof glasbak te blussen. Toen werd er nog gegeind om die twee keer dat een meneer door de brandweer moest worden losgeknipt van een al twee dagen knellende metalen cockring. Maar inmiddels is het 23 uur 43, en is er geen ruimte meer voor flauwe grappen. Iedereen is geconcentreerd. Het gehuil van de sirene doet een fietser van schrik afstappen.

Dit is een PRIO 1 voor de Nijmeegse Brandweer Post Centrum, een uitruk met de hoogste prioriteit. Dus gaan de zwaailichten aan, klinken de sirenes en wordt er nét iets harder gereden, maximaal 20 kilometer meer dan de toegestane snelheid. Een slooppand staat in brand, en uit eerdere ervaringen met fatale afloop weten we dat we er dan zo snel mogelijk moeten zijn. Er zouden zich nog zwervers, krakers of jongeren in het pand kunnen bevinden.

De politie en groepjes hangjongeren staan ons op te wachten als we bij het huis in de volksbuurt aankomen. Vettige, zwarte rook stijgt op uit de gebroken ruiten. Binnen een minuut gaat Mark met een collega naar binnen, gewapend met een blusjas, helm, ademapparaat, portofoon en de spuit waarmee hij de metershoge vlammen op de trap dooft en wegspoelt. Binnen tien minuten wordt het sein ‘brand meester’ gegeven. Tegen die tijd is de groep kijkers aangezwollen tot dertig voornamelijk rokende en met hun mobieltje foto’s makende jongeren. Gelukkig hadden ze geen kwaad in de zin, want terug in de wagen krijg ik een reprimande. Ik had de deur van de wagen nooit open mogen laten staan, zeker niet in deze buurt ‘met die types’. “Ze jatten alles onder je ogen vandaan.”


Het is de tweede dag van de drie 24-uursdiensten die ik meemaak. Tijdens de eerste dienst klonk eenmaal het alarm om borderterriër Puk uit een vossenhol te graven, en ’s avonds werd uitgerukt vanwege een rookmelder in een bejaardentehuis, die ten onrechte af ging (negentig procent van de uitrukken is vergeefs). De tweede dag is een stuk intensiever. Niet dat je ooit stilzit bij de brandweer. Dagen kaarten, om de dag een kat uit de boom halen en zo nu en dan een rookmelder uitzetten – die assumptie komt me op boze blikken te staan van zes geüniformeerde jongens van de gestampte pot. Wacht maar, zeggen ze. Ze zullen me wel laten ondergaan hoe het is om brandweerman te zijn.

’s Middags gaan we eerst het verplichte dagelijks uurtje sporten op het voetbalveldje naast de kazerne. Daarna trekken de wijk in om bewoners te wijzen op allerlei brandgevaar. Maar eerst is het tijd voor de oefening ‘ademlucht’. Tijdens deze simulatie van een woningbrand worden Mark en ik beladen met een vijftien kilo zwaar ademapparaat. Daarmee gewapend betreden we een kamer- en gangenstelsel op het oefencomplex in de kazerne. Ergens ligt een stoffen slachtoffer. De opdracht klinkt simpel: haal ‘m eruit volgens de procedure en houd je maatje constant vast.

Grijze rook overal, ik kan niets zien. In mijn overall, met daaroverheen mijn dikke bluspak, transpireer ik steeds heviger. En dat terwijl we slechts op kamertemperatuur oefenen, in plaats van de minder geriefelijke 100 à 200 graden als er echt brand is. Ik schuifel langs de muren, voel met mijn hand een kliko en roep: “Kliko!” Mark achter me doet hetzelfde. Zo krijgen we een idee hoe de woning in elkaar steekt. Na een deur, een koelkast en een gang voel ik in een nieuwe kamer een bureau waar een slappe menselijke vorm overheen ligt. “Slachtoffer!” roep ik. Mark meldt via zijn portofoon: “Slachtoffer aangetroffen.” Samen slepen we de voor de gelegenheid slechts 25 (normaal 85) kilo wegende blauwe pop naar buiten, uit de rook.


Gelukkig betreft het slechts een simulatie. Want dit was de tweede keer in dezelfde oefenruimte. De eerste run hadden Mark en ik vijf centimeter naast het slachtoffer getast en stonden we beteuterd buiten het rokende gebouw, zonder pop. Bij een echte brand had ons falen waarschijnlijk geresulteerd in een mortaliteit.

De core business van de brandweer is natuurlijk het redden van mensen, maar dat lukt niet altijd. Daar kan de oude rot Rini Derks (53) over meepraten. De Hoofdbrandwacht Functioneel is ruim dertig jaar in dienst en heeft zo’n vijftig dodelijke ongevallen meegemaakt: van uiteengespatte springers voor de trein en beknelde automobilisten tot slachtoffers van woningbranden. Hij heeft zo nu en dan last van ‘dia’s’: dan verschijnen de verschrikkingen van toen weer op zijn netvlies. Zomaar midden op de dag, in dromen of als hij ergens komt waar hij ooit handelend moest optreden. Het beeld van een slachtoffer van een woningbrand, vorig jaar, keert wekelijks terug.

“Er zou nog iemand in dat huis zitten, alles was zwart. Eenmaal binnen waren er links en rechts nog wat kleine vlammen. In het midden van de kamer zat een vrouw in een stoel, het bovenlichaam verkoold. We hebben haar naar buiten gedragen. Die beelden van zo’n beschadigd lichaam, zo’n kapot gezicht, dat blijft je bij. Net als bij een verkeersongeval. Een keer zag ik overal kinderspullen op straat liggen en in de berm, ook een reiswiegje. Dan weet je dat er ook ergens een baby moet zijn.”

Maar daar kwam Derks toen niet achter. Hoe het met slachtoffers afloopt, weten brandweerlieden nog steeds vaak niet. Toch is er veel veranderd sinds 1996, het jaar dat een cultuurverandering in het korps in gang werd gezet. Het Bedrijfs Opvang Team werd opgericht, er werd hulp bij traumaverwerking aangeboden en brandweerlieden kunnen nu, als ze dat willen, achterhalen wat er met de slachtoffers is gebeurd.


“Nu kun je wel over je gevoelens praten. Tien jaar geleden was dat onmogelijk. De cultuur was er ook niet naar. Je collega’s lachten je uit als je zwakte toonde,” zegt Derks ernstig.

In de loop der jaren leer je jezelf ook te beschermen tegen de narigheid, zegt hij. “Een paar jaar geleden was er weer iemand voor de trein gesprongen. De mensen van de begrafenisonderneming waren al ter plaatse. Zij hebben toen de her en der verspreid liggende handen en voeten bij elkaar gesprokkeld. Wij zijn met zijn vijven gewoon in de wagen blijven zitten. Achteraf moet je natuurlijk nog wel alles schoonspuiten.”

De brandweerlieden hebben niet alleen te kampen met vuur, rook, hitte en soms de aanblik van door vuur aangevreten slachtoffers. Ook de burgers die ze beschermen, maken hen het werk regelmatig moeilijk. Vooral tijdens de nieuwjaarsviering. In Nijmegen geldt een zerotolerancebeleid voor vreugdevuren, en moet de brandweer uitrukken om deze uitingen van plezier in de kiem te smoren. Derks dooft regelmatig straatbrandjes in de volkswijken. Via de portofoon krijgt hij dan door of de lawinepijlen, strijkers en nitraatbommen van links of van rechts komen. Niet zelden wordt de brandweer vergast op een regen van klinkers en stoeptegels. Ook worden er rotjes tegen de viziers van de brandweerhelmen gegooid. En tijdens de laatste viering werd de brandweer zelfs getrakteerd op een molotovcocktail – de dader kreeg twee jaar gevangenisstraf. “Ja, dat is maar goed ook. Laten we hopen dat het respect voor ons uniform terugkeert. Agressie is van alle jaren, maar het is de laatste tijd wel erger geworden. Ik denk dat het een cultuuromslag is,” analyseert Derks. Er is nu dan ook spanning voelbaar in de gelederen. De jaarwisseling nadert, herinneringen aan de vorige worden weer opgehaald. Sommige brandweerlieden melden zich opnieuw bij de traumaverwerking.


Toch, de stoere brandweermannen spreken over het algemeen niet over hun ervaringen met agressieve toeschouwers, verkoolde lichamen, gestorven kinderen en de weeïge, misselijkmakende geur van mensenvlees bij treincalamiteiten. Maar als ze met pensioen gaan, begint de verwerking eigenlijk pas goed. Dan komen de beelden. Derks, wiens uitdiensttreding nabij is, is daar niet bang voor, zegt hij. Maar zijn gezichtsuitdrukking lijkt het tegenovergestelde te verraden.

Mark Lansman (30), die nog maar tweeënhalve maand in dienst is, heeft nog geen last van nare herinneringen. Ook niet van de suïcidepoging van een man die zijn lichaam had ingesmeerd met brandgel en zichzelf op bed had aangestoken. “De huid van die meneer stond helemaal strak, maar hij was nog wel aanspreekbaar. Later die avond is hij overleden; er was te veel huid verbrand.”

Bij Mark, de jongste in de derde ploegendienst, overheerst de blijdschap dat hij na anderhalf jaar solliciteren bij de korpsen Den Bosch, Rotterdam en Arnhem, eindelijk in Nijmegen aan de slag kon. Zeven jaar had hij een eigen hoveniersbedrijf met personeel. Dat verdiende bijna twee keer zoveel, maar een leven had hij niet. “Alle vriendinnen renden bij me weg, omdat ik altijd maar bezig was met mijn bedrijf.” In het café vroeg een vriend hem voor de vrijwillige brandweer. Daar werkte hij vier jaar, en hij werd steeds dieper het vak in gezogen. “De kameraadschap, iets voor de burgers kunnen doen. En vooral de onvoorspelbaarheid en het avontuur van het gemiddeld drie keer per dag uitrukken, dat is wat de brandweerman trekt,” zegt hij.


Reed hij al in de box met kleine, rode ladderwagens rondjes? Fantaseerde hij in zijn puberteit over het bedwingen van uitslaande branden en het redden van dankbare bijna-slachtoffers? Nou nee. Het frappante is dat voor niemand van de drie ploegen van Post Centrum de archetypische jongensdroom in vervulling is gegaan. Mark, Gijs, Marinus en ook Peter schudden hun hoofd op de vraag of ze altijd al brandweerman wilden worden. Ze zijn er bijna allemaal ‘in gerold’. De een was loodgieter in de bouw, de ander maanden van huis met de marine of had een eigen bedrijf, zoals Mark. Maar ongeacht hun achtergrond zijn ze allemaal parttime bij de vrijwillige brandweer begonnen. Daar ontbrandde in hen het heilige vuur.

Het is geen gemakkelijk beroep. Je legt je eigen leven in de waagschaal voor een ander, en je krijgt er soms alleen scheldkanonnades voor terug. Vraag een spuitgast waarom hij toch het mooiste beroep van de wereld heeft, en je krijgt stee- vast hetzelfde antwoord: “Omdat we burgers helpen.” Het bijstaan van anderen is voor deze altruïsten het hoogste wat een mens kan doen. Als ze daar een glimlach, e-mail met een bedankje of gebak voor het hele team voor krijgen als een brand met minimale nevenschade is geblust, is dat mooi. Maar dat hoeft voor hen niet per se.

En natuurlijk is het bepaald geen negen-tot-vijf-baan, en de dagen zijn vol afwisseling. Elk moment kan het pwoeiiiip pwoeiiiip van het alarm klinken. Net als je staat te douchen, tijdens een oefening de blusslangen aan het uitrollen bent. Of wanneer je zweet gedurende het dagelijks verplichte uur sporten. Of midden in de nacht, als je bent verzonken in een diepe slaap.


Zoals tijdens mijn laatste 24-uurs-dienst.Om 03 uur 37springen de lampen van de slaapzaal aan. Even daarvoor heeft het alarm mijn harstslag al naar dubbele waarden gejaagd. De pager zegt: ‘autobrand’ in het centrum van de stad.

Naar de wagen nemen we gewoon de trap, niet de acht (!) meter hoge paal – arboregels schrijven sinds twee jaar voor dat je alleen met veiligheidslijnen mag glijden. Als we ter plekke aankomen, slaan er grote vlammen uit een Volkswagen Polo. Als de vlammenzee is gedoofd, zijn in het skelet van de auto de draden, woofer en tweeters van een grote aaneengeknutselde audio-installatie te zien. Kortsluiting lijkt de oorzaak van de brand. Om half vijf keren we terug in de kazerne en hervatten de slaap tot kwart over zeven. Dan staat een nieuwe, frisse ploeg klaar om ons af te lossen.

Net voor het half-acht-appèl tref ik Mark, die de nieuwe dag met genoegen tegemoet grijnst. Hij geniet van het vak, al is het met een bijsmaak. Sinds 2006 mogen nieuwe brandweerlieden niet langer dan twintig jaar in dienst zijn vanwege de zwaarte van het beroep. “Maar wat moet ik doen als ik vijftig ben en weg moet? Er is wel een opleidingstraject waarin we tot mbo-niveau 4 kunnen worden bijgeschoold, maar wie wil er een brandweerman van vijftig in dienst nemen? Ach, ik zie wel. Ik geniet ervan zolang ik kan.”

Net op dat moment toont de kleine tv in het rookhok de brandweerkazerne van Apeldoorn. Het TV Gelderland Nieuws meldt dat het vrijwilligerskorps Wormen en masse zijn ontslag heeft ingediend, de piepers zijn tegelijk met de opzegbrieven ingeleverd. De brandweerlieden voelen zich gepiepeld, omdat ze door de gemeente zomaar bij een ander korps werden ondergebracht. “Ja, die stappen op, en er gaan er meer volgen,” bezweert Mark me – ruim tachtig procent van de 27.100 brandweerlieden in Nederland is vrijwilliger. “Als die piketdienst hebben, drinken ze ook geen druppel! De gehele brandweer wordt zo langzaam uitgehold.” Dan klinkt het piepsignaal voor het appèl voor de volgende 24 uur vol verrassingen. Maar niet voor mij. Mijn drie diensten zitten erop. Doodmoe van de gebroken nacht neem ik afscheid van mijn drie dagen als redder van de altruïstenbrigade.