Droomkunst

Kunst doet dromen en inspireert. Zes Nederlanders over kunst die belangrijk voor hen is.

Ik vond vroege kunst altijd nogal kleurloos. Het deed me niets. Maar toen ik een week in Florence rondliep, waar haast alleen oude kunst te vinden is, zag ik ineens de ontwikkeling van mens en maatschappij. De visie en levensinstelling van toen, waar die vandaan kwam, en waar die naartoe groeide. Dat geldt vooral voor het fresco De heilige Drie-eenheid van Tommaso Masaccio uit 1428. Op het eerste gezicht een afbeelding zoals we er zovele kennen, met Jezus aan het kruis. Maar kijk je met de ogen van de mensen van toen, dan weet je werkelijk niet wat er gebeurt. Mensen waren in de Middeleeuwen enorm godvruchtig, Jezus werd veelvuldig afgebeeld, maar een realistisch godsbeeld bestond niet. Dit fresco heeft dieptewerking, volstrekt nieuw voor die tijd. En omdat het niet aan de muur hangt, loop je er als het ware zo in. Die mensen moeten zich destijds echt helemaal kapot geschrokken zijn. Op vloerhoogte is een doodskist geschilderd, die bijna tastbaar is. Erop ligt een skelet en in het houtwerk van de kist staat een tekst gegraveerd. Vrij vertaald: “Ik was wat jullie zijn en jullie zullen ooit zijn wat ik nu ben.” Een filosofische tekst, voor die tijd ook al zeer ongebruikelijk. Als je omhoog kijkt, zie je een koepel, een tongewelf, bij wijze van toegang tot de hemel. Vlak daaronder hangt de Heilige Geest, die het lichaam van Christus vanaf het kruis naar boven tilt. Maria en Johannes kijken vanaf een lager punt toe. Door de richting van hun blik trekken ze je als kijker mee in die hemelvaart. Zeker nu het werk is gerestaureerd en het weer in alle kleuren te bewonderen is, is het echt fantastisch. Of het mooi is, doet er eigenlijk niet toe. Het is theater. Het gaat onder je huid zitten. Dat is wat telt. Hoe meer ik over renaissancekunst lees, hoe interessanter het wordt.


Ik realiseer me nu pas wat een ongelooflijk belang- rijke bron van informatie kunst eigenlijk is. Wat kunstenaars van vandaag uitbeelden, zegt alles over wie wij nu zijn, waar wij uit voortkomen en naartoe bewegen. Veel meer dan alle kranten of politieke praatprogramma’s bij elkaar.

Terwijl mijn vrienden bezig waren met die dingen waar pubers zich mee bezighouden en luisterden naar Deep Purple en Alice Cooper, draaide ik op mijn zolderkamer de platen grijs van Django Reinhardt, Lennie Tristano, Miles Davis en John Coltrane. Jazz en de flamencomuziek van mijn Spaanse moeder, dat waren mijn muzikale roots. Toen kwam ineens die blues ‘D&E’ langs. Gespeeld door het Oscar Peterson Trio, op de elpee We Get Requests. Met Ray Brown op bas. Ik was een jaar of vijftien en die bas kwam echt binnen als een aardverschuiving. Alsof ik mijn leven tot dat moment in duisternis had geleefd, en ineens doet iemand het licht aan. Zijn timing, dat majestueuze geluid, de manier waarop hij harmonieën en ritme toepaste… Ik kon het nog niet helemaal begrijpen, maar het voelde als een bliksemschicht in mijn hersenpan. Alsof hij in geheimtaal communiceerde, met mij alleen. Hij en ik, we begrepen elkaar volkomen. Dit was het! Vanaf dat moment was ik me bewust van het pad dat voor me was weggelegd. Ik at het, ik sliep het, ik droomde het, het werd een volslagen obsessie. In de jaren tachtig kwam Brown veel naar Nederland. Ik had inmiddels het conservatorium afgerond en kreeg de kans met veel van mijn helden te spelen, bijvoorbeeld op het North Sea Jazz Festival en tijdens de nachtelijke jamsessies in het Haagse Bel Air Hotel. Toen ik hem in 1986 in Laren zag spelen, heb ik de stoute schoenen aangetrokken en ben op hem afgestapt. Ik vertelde dat hij van een allesoverheersende betekenis in mijn muzikale leven was geweest en dat ik sindsdien iets heel erg nodig had: les van hem krijgen. Dat werd het begin van een bijzondere vriendschap, die tot zijn dood in 2002 heeft geduurd. Elke keer als hij aan deze kant van de oceaan was zochten we elkaar op, gaf hij tips voor mijn spel en praatten we avondenlang. Hij speelde weleens op mijn bas bij concerten, leende mij prompt de zijne uit als ik moest spelen en hij vrij was. Naast Ray zijn er later nog 25 bashelden in mijn leven gekomen, die allemaal grote invloed op me hebben gehad en aan wie ik bijzondere herinneringen heb. Maar de aardschok die Ray teweegbracht toen ik vijftien was, maakt hem nog altijd bijzonder voor mij.


In de jaren vijftig kocht mijn vader een beeldje van de Frans-Italiaanse beeldhouwer Giambologna. In mijn ouderlijk huis stond het altijd op de schoorsteen. Een prachtige dame, genaamd Architettura, in een bijzondere pose. Een figura serpentinata heet dat: er zit een draai in als bij een kurkentrekker. Het is een moeilijke houding om in een beeld te verwerken. Dankzij de nieuwe technieken die in de Renaissance in hoog tempo ontwikkeld werden, konden ze dit ineens voor elkaar krijgen. Beeldhouwers lieten dat graag en veelvuldig zien. Helaas is mijn beeld een kopie uit 1810. Voor het origineel moet je naar Florence, naar het Museo Bargello. Uiteraard had ik liever een zestiende-eeuws gietsel gehad, maar dat was niet haalbaar. Gedurende mijn loopbaan werd alle kunst steeds duurder, terwijl mijn inkomen daar nooit gelijke tred mee hield. Qua privé-aankopen is het daarom altijd een beetje behelpen gebleven.

Architettura heeft me altijd bekoord om haar schoonheid. Haar verschijning is exemplarisch voor de hervonden interesse in de klassieken in de tijd van de Renaissance en het daaropvolgende maniërisme. Vooral in de vorm van het gezicht en het haar zie je het goed. Maar vooral esthetisch is het beeld zó mooi, en van alle kanten! Die houding, de halslijn, de rug, de billen, zelfs het geplooide doek waarop ze zit: het is allemaal van een wonderbaarlijke schoonheid waar ik heel erg van kan genieten. Een aantal verhoudingen zijn bewust verkeerd. Te lange armen en benen. Lang en dun hoorde bij het schoonheidsideaal van toen. Je ziet het in al die kunstwerken terug. Ook in mijn optiek wordt het er nóg mooier van. Daarbij is het echt een beeld dat aangeraakt wil worden. Het voelt goed, en ik ben erg van het vasthouden.


Na het overlijden van mijn ouders was ik verguld dat Architettura in mijn bezit kwam. Dit beeld en mijn verzameling stripboeken behoren tot de weinige dingen die mijn roerige privéleven hebben overleefd. Ik heb door mijn losbandigheid diverse kale plekken achtergelaten. Maar de leegte van Architettura zou niet te overzien zijn, vrees ik.

Soap was een Amerikaanse komische serie uit de jaren zeventig, waarin topacteurs speelden als Katherine Helmond en een nog piepjonge Billy Crystal. Alles draaide om twee families. Wat ze meemaakten, was allemaal even absurd. Soap maakte niet alleen grote indruk, maar heeft ook de manier beïnvloed waarop ik later mijn toneelspel heb ingevuld. Niet de komische fragmenten maakten indruk, maar de momenten van drama ertussen. Ineens was er zo’n kort gevoelig moment waardoor een van de bizarre karakters plotseling heel dicht bij je kwam. Het waren allemaal rare types die, door wat ze meemaakten, ver van ieder normaal mens af stonden. Door die korte deep down-momenten was het lachsalvo dat erop volgde, des te harder. De lach en de traan zitten heel dicht bij elkaar, net als in het echte leven. Soap was natuurlijk ook een parodie op alle serieuzere televisiesoaps, waarin families eindeloos om elkaar heen draaien en elkaar het leven zuur maken. Ik herinner me één leader waarin de twee families in een soort staatsieportretopstelling bij elkaar gaan zitten, en net als de laatste zit, valt vanuit het niets het plafond naar beneden. Toen ik jaren later met de televisieserie Kees & Co begon, heb ik vaak teruggedacht aan Soap, en daar veel lessen uit getrokken. Ook in de musical Mamma Mia! zaten van die kleine momenten. Die musical is niet komisch, zoals Kees & Co, maar het verhaal is wel een en al vrolijkheid. En toch zaten ze daar ook weer in, bijvoorbeeld als ik met mijn dochter op het bed zit met haar trouwjurk in mijn handen. Even die brok in de keel, en daarna direct weer verder met de lach. Dat maakt het hele stuk realistisch, ook al is er verder geen enkele relatie met het echte leven te leggen. In de jaren zeventig had je natuurlijk meer van dat soort series. Lucille Ball bijvoorbeeld, dat is ook zo’n favoriet van me. Ik heb al haar films thuis, en ik kan er nog steeds even hard om lachen als toen. Lucille Ball en Soap zijn van die series zonder houdbaarheidsdatum. Die kunnen morgen zo weer op de buis. Als dat gebeurt, ga ik ze absoluut weer volgen.


Muziek heeft van alle kunstvormen bij uitzondering het vermogen om emoties los te maken die kunnen verrassen door hun heftigheid, en die zich op onverwachte momenten kunnen aandienen. Live is die ervaring nog sterker dan thuis. Het is alsof er een schakelaar omgaat. Het rare is: als het gebeurt, is het een gedeelde ervaring met een aantal aanwezigen in de zaal. Het voelt als een soort gedeelde concentratie. Mozart is voor mij hofleverancier van dat soort emotionele effecten. Zijn opera Don Giovanni heeft een bijzondere betekenis voor me, omdat ik daarin een aantal van dat soort momenten heb beleefd. Wanneer de opera binnen ons bereik wordt uitgevoerd, bezoeken mijn vrouw en ik die, wat nu een keer of tien is gebeurd. Ik weet inmiddels precies wat er wanneer gaat komen, en toch bekruipt het me telkens opnieuw. Bijvoorbeeld wanneer de hel zich openbaart aan Don Giovanni. Het bijzondere van Mozarts muziek is dat zij zich plooit naar de uitvoering. De kracht van de muziek is zo groot, dat ze altijd overeind blijft, zowel in moderne regieversies als in historische, net als in de uiteenlopende interpretaties van Don Giovanni. De een zet hem neer als schurk, de ander als slachtoffer. Voor mij zit hij ergens tussenin. Ik zie hem als een opportunist die leeft voor het moment, en de consequenties van zijn doen en laten niet kan en wil overzien. Dat is dat dubbele: als je dat niet wilt inzien, ben je een schurk. Maar als je niet kunt, ben je slachtoffer. Merkwaardig is ook dat het geen opera is met grote aria’s van de hoofdpersoon, zoals toen gebruikelijk was. Alle grote aria’s zijn gegund aan de omringende personages, waardoor het lijkt of zij allemaal bestaan bij de gratie van hun relatie met Don Giovanni. Tegelijkertijd onderstreept Mozart dat Don Giovanni maar één persoon is, die door iedereen anders wordt gezien. Zijn omgeving geeft inkleuring aan hoe hij is en wat hij doet. Op die manier brengt hij evenwicht in het verhaal. Ook sterk is dat de meest speelse momenten op hetzelfde moment de meest dramatische zijn. Of Mozart dit ook allemaal zo bedoeld heeft weten we niet, maar als kunstwerk is het echt fenomenaal.


Ik lees een boek nooit meer dan één keer, maar dit heb ik al drie keer gelezen en waarschijnlijk was dat niet de laatste. Mevrouw Verona daalt de heuvel af van Dimitri Verhulst is een ode aan de taal en de liefde. Verhulst is een taalvirtuoos die allemaal woorden gebruikt die niet bestaan. Zijn stijl is heel eigen en niet te kopiëren. Dit boek is een heel mooi liefdesverhaal in de ene prachtige zin na de andere. Zoals: “Hoewel zijn vader zich op vrij jonge leeftijd aan een tak had opgeknoopt, bezat meneer Pottenbakker aandoenlijk weinig verstand van bomen.” Van Verhulst leerde ik hoe je een gevoel in één woord kunt samenvatten. Ik ben geen schrijver pur sang, dus het kost mij veel moeite om dat motortje in gang te zetten. Dit boek hielp mij door die fase heen. Het verhaal gaat over een man en een vrouw die de ware liefde voorstaan, en op een heel afgelegen heuvel in het bos komen te wonen. Hij wordt ongeneeslijk ziek en wil niet langzaam aftakelen. Om haar dat ook te besparen, hangt hij zich op aan een boom. Zij blijft in het afgelegen huis wonen. Alleen. Maar ze houdt het gevoel dat hij er nog is. Gedurende zijn leven heeft hij zo veel hout gehakt dat zij daar de rest van haar leven genoeg aan heeft. Als op een dag het laatste houtblok op het vuur gaat, is ze heel oud. Ze trekt dan haar jas aan, loopt de heuvel af en gaat onderaan op een bankje zitten om te sterven, in de wetenschap dat ze hem dan weer zal tegenkomen. Het boek zet me aan zelf ook fantasierijke taal te gebruiken. Het maakt niet uit of een woord bestaat als het qua klank perfect aangeeft wat het moet omschrijven. Het maakt me ook niet uit of ik erin lees wat Verhulst heeft bedoeld te schrijven. In mijn eigen teksten probeer ik iets vergelijkbaars te bereiken. Laat mensen er maar zelf op los gaan met hun interpre-tatie. Een goede tekst heeft een eigen mysterie in zich. Er zit iets ongrijpbaars in, wat zelfs door de schrijver soms niet te doorgronden is. Juist dat maakt het een goede tekst.

Judy Landman