Niet lullen, maar poetsen

Hij begon zes jaar geleden voor de gein met de website GeenStijl. En maakte er een megasucces van. Vorig jaar, vlak voor Kerst, vond hij het tijd om weer eens echt aan de boom te schudden. Spontaan riep hij: we beginnen een publieke omroep. En onlangs kreeg PowNed inderdaad een licentie voor vijf jaar. Wie is hij, deze Dominique Weesie?

Bij Knevel & Van den Brink gaf u hoog op over uw christelijke opvoeding. Dus laten we in het kader van de kerstge-dachte eerst de Tien Geboden maar even doen.

“Gij mag niet stelen, gij mag niet doden, gij zult uw naasten liefhebben? Ik weet het niet.” U weet het niet of u kende ze nooit?

“Ik heb op een christelijke basisschool gezeten. Kijk, toen ik bij Knevel & Van den Brink zat, zaten we midden in de periode van een enorme lobby voor PowNed. We hebben altijd heel hard lopen schreeuwen en trappen, dus toen hebben we gezegd: jongens, we zitten nu in de bebouwde kom en op elke straathoek staat een agent klaar met zijn flitser, dus laten we nou even 50 gaan rijden. Dus als Knevel dan over dat geloof begint, en je weet dat hij dat gaat doen, dan ga je er in mee.” Dus u lulde maar wat.

“Neenee. Ik ben sinds mijn vijftiende wel overtuigd atheïst. Maar ik vind nog steeds dat ik niet dommer ben geworden van een christelijke opvoeding. Je krijgt wel het Bijbelverhaal mee, en dat zie je natuurlijk niet alleen in het dagelijks leven terug, maar in de geschiedenis, in de kunst, noem maar op. Dus dat vind ik helemaal niet slecht. En de Tien Geboden, daar hebben we Wikipedia dus voor.” Bent u vroeger veel gepest?

“Tuurlijk ben ik ook weleens gepest. Volgens mij werd ik Chinees genoemd omdat ik een beetje rare ogen heb. En Zoeloe, want ik heb ook wel dikke lippen. Dat laatste vonden dames later wel interessant, maar op de lagere school dus niet. Maar daar trok ik me niks van aan. Ik geloof wel dat ik bij het groepje zat dat zich niet écht liet pesten. En ik was best sterk, dus dat scheelt ook wel weer. Op de middelbare school was er een jongen, toevallig ook een buurjongen van me, die werd enorm geziekt door een notoire pestkop. Die heb ik met zijn hoofd tussen de deur geplaatst en vervolgens een paar keer de deur dichtgeslagen. Ik was wel rechtvaardig, namelijk.” Is dat uw mooiste jeugdherinnering?


“Dat is natuurlijk je eerste zoen. Met een meisje uit Lekkerkerk. Ik was veertien.” Laat.

“Ja joh, ik was hartstikke laat. Heel veel vrienden van mij waren daarin veel sneller. Ik was toen toch heel erg van het cowboytje spelen. Ik was alleen maar bezig met surfen, de hele dag door.” U bent opgegroeid in Krimpen aan den IJssel, bij Rotterdam, maar later in Amsterdam gaan wonen. Kan dat wel?

“De meeste van mijn sociale contacten wonen nog altijd in het Rijnmondgebied, dus ik kom daar met een zekere regelmaat. En geloof me, Rotterdam is nog altijd mijn stad. Véél leuker dan Amsterdam.” Ik snap dat wel, als geboren Rotterdammer, maar legt u het de lezers eens uit.

“Het is dat: niet lullen, maar poetsen. Ik heb ook niks met Ajax, het is een beetje op de Amsterdamse bluf allemaal. Als die bluf een beetje verbleekt, zie je dat er niks uit die handen komt. Als wij bij GeenStijl snel iets gedaan moesten krijgen, kwamen we altijd uit in Rotterdam. Het is no-nonsense. Je kunt veel zeggen tégen Rotterdam, maar ik vind de mentaliteit prettig. Men is heel direct, zegt gewoon waar het op staat. Ik hou van die stad en van de mensen daar.” Niet van Amsterdam?

“Nee. Ik woon er, maar ik wil er heel graag weg.” U heeft even bij het Rotterdams Dagblad gewerkt, maar belandde al snel bij De Telegraaf, een echt Amsterdamse krant. Dat paste wel?

“Ik word weleens omschreven als een typische Telegraaf-man. En daar kan ik me wel in vinden. Dat zijn mensen die doortastend zijn. Die zich goed kunnen aanpassen. Die snel zijn. Die een neus voor nieuws hebben. Die niet bang zijn. En die soms ook gewoon ratjes kunnen zijn.” Hoort dat niet voor alle journalisten te gelden?


“Vergeet het maar. Je moet ook een beetje volks zijn om te weten wat er leeft en waar mensen zich boos over kunnen maken. Ik heb bij De Telegraaf geleerd dat het gewoon om de 5 K’s gaat: kind, kat, koningshuis, kut en kapitaal. Daar is De Telegraaf groot mee geworden.” En waar bent u groot mee geworden?

“Bij De Telegraaf? Nou het rekeningrijden, de carpoolstrook op de A1, de vier jaar durende vete met Tineke Netelenbos, het naar huis schrijven van de NS-directie en het opsporen van Bram en Neelie in Noorwegen. En voor de rest: ik heb al die grote rampen meegemaakt. Tot en met de ergste aan toe, de Herculesramp. Ben je dagen achtereen bezig geweest, heel weinig geslapen, en dan sta je op een gegeven moment aan het eind bij zo’n herdenkingsdienst in zo’n hangar waar dan twaalf, of weet ik hoeveel, kisten staan, met allemaal mensen die enorm verdriet hebben en zo, die hun naasten hebben verloren, ja, dan ben je wel even pfff… Op weg naar huis heb ik toen mijn auto aan de kant gezet, ben uitgestapt en vol over mijn nek gegaan. Alles ging eruit. Dat is een van de naarste dingen die ik heb meegemaakt.” Lag u er wakker van?

“Je weet toch hoe dat gaat? Je zit dan met een heleboel collega’s daar, van het Jeugdjournaal tot en met de NRC. En dat is ’s avonds gewoon heel macaber grappen maken en zuipen en je nest in.” Heeft dat gevolgen voor uw karakter gehad?

“Je wordt er niet gevoeliger van, nee. Je kan soms wel wat cynisch worden. Daarom moet je op een gegeven moment ook zeggen: hier stop ik mee.” Gelukkig was u op een zolderkamer al met GeenStijl begonnen.


“Ja, zo ongeveer ten tijde van de Tweede Golfoorlog ontdekte ik internet echt. Ik was me op de een of andere manier aan het vervelen, dus ga je andere dingen doen. En dat was in mijn geval dan, samen met Romke Spierdijk en Ambroos Wiegers, GeenStijl. Dat liep vervolgens uit de hand. Er zat totaal geen gedachte achter.” Wanneer kwam die wel?

“Na ongeveer een jaar, nadat we gestopt waren. Ambroos en ik hebben toen tegen elkaar gezegd: oké, als we doorgaan, dan gaan we het niet meer doen zoals we het hebben gedaan. Dus niet ons de tyfus werken voor helemaal niks. Dan moet er ook iets tegenover staan. Dan gaan we op zoek naar adverteerders. En toen is er wel zo langzaam maar zeker de gedachte gegroeid dat we het leuk konden uitbouwen.” In de tijd van de baas…

“Ha, pas achteraf hoorde ik dat de hoofdredactie op het punt stond om mij te ontslaan en dat het door de directie is tegengehouden. Ik wist wel dat het gevoelig lag, maar dat de hoofdredactie al bij de directie had gezeten om me te ontslaan, dat wist ik niet. En het gebeurde ook niet, want de directie zag wel dat GeenStijl groot kon worden.” Wat kenmerkt GeenStijl?

“We zijn anarchisten. Vrijgevochten. Er is nu een jongen van de Telegraaf Media Groep een opvolger voor mij aan het zoeken en die zegt het ook: het is een rare club. Waarvoor het lastig mensen zoeken is. Want we moeten goede journalisten hebben, maar zodra ze hier zitten, moeten ze eigenlijk al hun journalistieke principes meteen weer overboord gooien. En je moet zorgen dat je in heel korte stukjes toch iets weet te raken. Of dat nou woede is, of enorme lol, maakt niet uit, maar het moet echt onderscheidend zijn.” Een stelletje psychopaten met een zieke geest?


“Dat schreef de vorige hoofdredacteur van HP/De Tijd, Henk Steenhuis, haha. Die zin gebruik ik nog heel veel in presentaties. Want dat soort dingen horen we graag. Het is duidelijk een uitspraak van iemand die de slag heeft gemist. En nu doet-ie zelf iets op internet, toch? Dan zit-ie de buitenlandse kranten te lezen of zo? Boeih.” Herkent u ook niets in dat ‘zieke geest’?

“Nee. Je moet berekenend zijn. Wij zijn de Hans Klok van het internet. Niets is wat het lijkt.” Mijn voorganger is niet uw enige criticaster.

Francisco van Jole, in de jaren negentig dé internetexpert van Nederland, noemde u een slijmerige figuur.

“Als ik over hem iets zeg, is het wel wat het lijkt. Ik vind hem een ongelooflijke engerd.” Wat heeft hij u misdaan?

“Kijk, wij drijven de spot met mensen. En je kan het met ons eens zijn of niet, maar dat is wat we doen. We hoeven het niet eens zelf eens te zijn met wat we doen. Maar mensen die dat niet inzien, die vind ik een beetje bekrompen. En de keizer van de bekrompenheid, dat is Van Jole. Altijd dat opgeheven vingertje. Die man is echt ouderwets eng links.” U laat het klinken alsof de man een gevaar voor de samenleving is.

“Ik heb hem nog nooit zien lachen. Ik vind het allemaal prima wat hij doet, prima dat hij overal in de Hilversumse kaartenbak is gekomen, dat is allemaal fantastisch voor hem. Maar jongens, een béétje humor en af en toe de boel een béétje kunnen relativeren, is dat nou echt te veel gevraagd? Nee, we móeten allemaal tofu eten en we móeten allemaal naar Obama Live kijken en we móeten dit en we móeten dat… Ik weet het niet. Iets zegt me dan die man een heel duistere kant heeft.” Hij is een Rotterdammer.


“Een schande voor de stad. Dat zo’n gast bij Pauw & Witteman zegt: ik lees de Volkskrant niet om meningen van de VVD te lezen, ik wil eigenlijk alleen mijn eigen mening lezen. Dan denk ik: ja joh, ga lekker in Noord-Korea wonen of zo.” Is GeenStijl in uw tijd weleens te ver gegaan?

“Dat met die keeper die van achteren genomen werd door een vrouw met een voorbindlul. Tja… Ik kan me voorstellen dat het niet leuk is om jezelf zo terug te zien. Anderen noemen weleens die vrouw van de administratie van een school, maar dat vind ik niet. Als jij briefjes aftekent van leerlingen die te laat komen en je laat je vervolgens op vrijdagavond in het fietsenhok door een leerling nemen, dan ben je ook wel heel erg dom.” Beschikt u wel over een zachte kant?

“Ik kan janken bij films. Dat overkomt me best wel vaak. Hoe heet-ie, die film van die schrijver die dan naar Portugal gaat en een Portugese leert kennen en dan heeft zij hem Engels geleerd, of zo? Love Actually!” Vrouwendingen zijn uw soft spot.

“Een man die zijn zieke vrouw bedondert en gewoon aan de wandel gaat met een minnares, daar gaan bij mij echt de haren recht van overeind staan.” Kluun?

“Ja. Ik durf met de hand op mijn hart te zeggen dat zoiets mij nooit zal overkomen. Daar krijg ik echt een vreselijk rotgevoel van.” Van vreemdgaan in het algemeen of in dit specifieke geval?

“Omdat ze ziek is. Kijk, ik heb ook heus weleens een scheve schaats gereden. Maar op zó’n moment… Als je vrouw je echt zegt dat ze je nodig heeft en je gaat dan, onder het mom van ‘ik ga met een vriend biljarten’…” Met een vriendin ‘biljarten’…


“Ja. Dan deug je dus niet.”

Hoe kwam u er eigenlijk op om met PowNed te beginnen?

“Het was net voor Kerstmis vorig jaar. De dag ervoor hadden we te horen gekregen dat ons plan om de gratis krant Sp!ts te gaan maken op het laatste moment niet door ging. Dat heb ik de redactie van GeenStijl verteld, want die waren ook allemaal met Sp!ts bezig. Dus toen vroeg ik: nou, geen Sp!ts dus, wat doen we wel? Nou, toen ontstond in no time het idee van een publieke omroep. Pritt zat in het raam en die riep: Publieke Omroep Weldenkend Nederland En Dergelijke, powned dus, en zo ontstond van een grap eigenlijk iets. Zo hebben we altijd gewerkt, als kwajongens onder elkaar. Ga je gang maar en dan zien we wel waar het schip strandt.” Bij De Telegraaf, de eigenaar van GeenStijl, want die was toen al bezig met een eigen omroep, Wakker Nederland.

“Neeneeneenee! Wij waren eerder. Nee, wij zaten ongeveer op de helft van het aantal leden dat we nodig hadden en het was natuurlijk helemaal niet zeker dat we het gingen halen. En ze dachten bij De Telegraaf: waarom gaan wij zelf niet beginnen? Want het probleem was natuurlijk wel: ze beschouwen mij daar toch een beetje als een ongeleid projectiel. En van mijn medebestuursleden was Marianne Zwagerman net vertrokken bij De Telegraaf en Jan Bennink kenden ze helemaal niet. Kortom: PowNed was een vereniging waar zij helemaal geen vat op zouden hebben. Daarom zijn ze begonnen met een eigen omroep.” Voelde u zich nodeloos gekwetst?

“Dat werd bij GeenStijl wel gevoeld als een soort van dolksteek. En dat was het natuurlijk ook, een pleurisstreek. Maar het heeft ons wel gesterkt. Toen wilden we het benodigde aantal leden zéker halen.” Via GeenStijl hebben jullie geen wraak genomen.


“We hebben niet echt positief over ze bericht. We hebben WNL Tros 2.0 genoemd, en dat kwam steeds maar terug in de pers, dus daar hadden ze wel last van. Maar met De Telegraaf, het moederbedrijf dan, ben ik nog gewoon on speaking terms, hoor. Ik ben alleen wel wat gereserveerder. Als je de Telegraaf-berichtgeving er op na slaat, lees je wel dat ze WNL fantastisch vinden. Nou, prima, fantastisch, moeten ze vooral gaan doen. Maar wij bij GeenStijl vinden PowNed weer veel liever.” U bent ruim een half jaar geleden officieel vertrokken bij GeenStijl. Dat moest om met PowNed toegelaten te worden tot het bestel. Niemand gelooft dat u echt niet meer voor GeenStijl werkt.

“Toch is het zo. Ik ben voor de zomer vertrokken en ik hoop dat ik in januari toch wel weer ergens een soort van salaris ga ontvangen. Want het is allemaal leuk zo’n publieke omroep, maar de schoorsteen moet op een gegeven moment een keer roken en PowNed heeft nog geen cent ontvangen.” Doordat De Telegraaf GeenStijl van u heeft gekocht, was u toch gewoon binnen?

“Geld maakt dingen soms wat makkelijker, klopt. Maar ik woon nog steeds in hetzelfde huis en ik was ook niet van plan om ergens een ander huis te gaan kopen. Ik heb weinig gekke dingen gedaan eigenlijk. Ik heb wel zoiets van: ik wil over niet al te lange tijd gewoon weg uit Nederland. Eerst PowNed goed op de kaart zetten, maar als dat staat, ben ik weg. Ik heb niet voor niets al een huis in Spanje.” Wat is er mis met Nederland?

“Je hoort altijd heel veel mensen zeggen, als ze op vakantie zijn geweest: ‘Ik ben blij dat ik weer terug ben in Nederland.’ Nou, ik heb altijd maar één ding als ik terugkom in Nederland: zodra ik de landsgrens over ben, raak ik meteen depressief. Dat heb ik al heel lang.” Hoe komt dat?


“Ik weet het niet. Ik ben zo níet trots op Nederland. Je kan de meest simpele dingen bedenken waarom Spanje beter is. Dat je meer zon hebt, dat je er beter kunt eten, dat je er wat meer ruimte hebt, dat je gewoon wel vanaf de Franse grens naar Barcelona kunt rijden binnen anderhalf uur in de spits zonder dat je allerlei obstakels tegenkomt. En ik weet heus wel dat Spanje ook nadelen heeft, nog véél bureaucratischer is dan Nederland bijvoorbeeld, maar ik voel me er prettig. De mensen zijn er emotioneler. En niet zo bekrompen.” Heeft het ook met veiligheid te maken?

“Nou, in Spanje hébben ze al een heel metrostation opgeblazen. Nee, het heeft met alles te maken. Ook wel met gezag, natuurlijk. Toen ik bij het Rotterdams Dagblad werkte, heb ik eens een week lang met de politie meegelopen en toen waren er ook al grote problemen met de Marokkaanse en Antilliaanse gemeenschap. De Marokkanen zeiden toen zelf: ‘Wij kunnen hier eigenlijk gewoon alles doen, want de politie doet toch niets.’ De agenten zeiden: ‘Klopt, we zijn met handen en voeten gebonden, want we kunnen niet zoals onze collega’s in Marokko gelijk de lat er overheen laten knallen.’ Wat dat betreft lijkt Spanje dus meer op Marokko. Als je tegen de Guardia Civil iets zegt, krijg je gewoon een stok in je nek.” Ben u weleens bedreigd?

“Natuurlijk. Maar daar moet je geen knieval voor maken. Dat bedreigen is wel een enorme hype geworden. Laatst Herman van Veen weer, die dan dúizenden mails zou hebben gehad. Nou, ik kan me ook wel in dat rijtje scharen, want ik moet ook elke dag wel van iemand dood. Pas als je op je huisadres post gaat krijgen, dan moet je even wat voorzorgsmaatregelen nemen. Ook dat is me overkomen. Maar ik ga er niet voor weglopen.”

Jan Dijkgraaf