Nog één droom

Toen ik klein was, droomde ik over cadeautjes, Sinterklaas, Kerst en mijn verjaardag. In mijn dromen waren mijn verjaardagen vol van het jarig zijn. Er zaten net genoeg uren in de dag om alle cadeautjes uit te pakken, de huiskamer zat vol met visite en ik zou de hele dag lief lachen naar al mijn gasten. De werkelijkheid was anders. Ik kreeg cadeautjes, maar in de helft van de veelbelovende pakjes zat iets wat ik toch wel had gekregen, ook als ik niet jarig was geweest. Sokken, een nieuwe pen, ondergoed en een zakdoek. De andere helft was wel voor mijn plezier, maar toch kon het verlanglijstje afgevinkt worden. Er kwam wel visite, maar nooit iedereen die er ook in mijn droom was. En dat lief lachen ging meestal wel even goed, maar vroeg of laat werd de opwinding en suiker te veel, met een driftbui en huilbui als gevolg.

Toen ik wat ouder werd, droomde ik over later, een eigen man, kinderen en een eigen huis. Iedere avond het eten op tafel als hij thuiskwam, in een huis waar de vloeren glansden en de ramen blonken, na een dag ijverig in het huis werken. De kinderen al in pyjama, klaar om op hun beurt te dromen over hun toekomst, en lief tegen elkaar en mij.

De werkelijkheid was natuurlijk anders. Manlief kwam thuis op het moment dat de kinderen elkaars hoofdjes insloegen met het speelgoed waarmee ze in hun eerdere dromen vast alleen maar lief speelden. Het eten was altijd net iets zwarter dan in mijn dromen, en de vloeren nooit zo schoon. De kinderen werden ouder, en zouden thuiskomen met gepaste huwelijkskandidaten. Hoogstaande mannen en vrouwen, met goede banen en een hoog inkomen, en vooral van de juiste maatschappelijke klasse. Natuurlijk was de schok groot toen dochterlief thuiskwam met Barry, die behalve een verslaving aan zware shag ook twee tatoeages had.

Weer later droomde ik van het grootouderschap. Een heleboel kleinkinderen, en ik zou er op passen. Ze zouden de spelletjes doen die oma vroeger leuk vond. De tijden waren misschien veranderd, kinderen veranderden nooit. Ze zouden tollen, hoepelen en hinkelen met veel plezier, zonder ooit naar een beeldscherm om te kijken. Ze zouden netjes u zeggen tegen oudere mensen, de kleindochters in keurige jurkjes, de kleinzonen in keurige truien. En weer was de waarheid anders. Kleindochter wilde, gekleed in een shirtje waar met glitterletters ‘sexy’ op te lezen stond, best hoepelen, of desnoods tollen. Maar in welk computerspelletje kon dat dan? Natuurlijk werden ook de kleinkinderen ouder. Ik droomde over hun toekomst. Ze zouden vrijwilligerswerk gaan doen, en op het puntje van hun stoel naar oma’s verhalen over vroeger luisteren, vol bewondering, en zelfs een beetje afgunstig, hard werken op school, en vol idealen heel ijverig gaan studeren. Luisteren naar oma’s verhalen deden ze wel. Maar jaloers op die tijd, absoluut niet. Wat deden ze zonder spelcomputer? En wat hadden ze belachelijke kleren aan vroeger! Vrijwilligerswerk was voor mietjes, ze hadden het bovendien ook te druk met ‘chillen’. Studeren zouden ze misschien wel een keer gaan doen, maar misschien ook wel niet. Het was toch allemaal onzin. Ze wilden misschien ook wel hun dromen waar gaan maken, een poos naar het buitenland, of dolfijnentrainer worden.


Daarna gingen de dromen over het pensioen. De reizen die we samen zouden gaan maken, en alle boeken die we zouden gaan lezen. Mijn wederhelft zou eindelijk thuis zijn bij mij, we zouden rustig wakker worden samen iedere dag, en dagen doorbrengen in het huis waar we ons hele leven voor gewerkt hadden. Maar hij kon niet wennen aan het niets doen, en voelde zich nutteloos. Hij ging aan het werk voor buren en kennissen en vrienden. Hij werd expert op het gebied van tuinen, vloeren, verbouwingen en vijvers. Ach, we hadden nog genoeg tijd, we hoefden ons niet te haasten, want we waren nou eenmaal met pensioen en hadden alle tijd van de wereld. We droomden nog steeds van de verre reizen, en het rustige leven dat we op een dag op een oude boerderij, die we samen zouden opknappen, zouden gaan leiden. We zouden daar nog tientallen jaren in liefde doorbrengen, voordat we voorgoed onze rust zouden vinden. We zouden tegelijk gaan, het zou in ieder geval niet veel schelen… Maar op een dag, toen ik wakker werd, bleek dat het ook nu niet zou gaan zoals ik altijd had gedroomd… Hij was eerder gegaan, naar de plek waar we ons allemaal zoveel bij voorgesteld hebben. Na een week die als een waas voorbij trok, met een heleboel visite, kaarten, bloemen en telefoontjes, heb ik hem, mijn maatje, begraven. En hij, juist hij, was er niet om me te troosten. Het leven ging weer door, zonder hem aan mijn zij. Natuurlijk was ik ook oud geworden en het ging allemaal niet meer zo soepel.

En weer waren er dromen, de dromen van hoe het vroeger was geweest. Hoe we elkaar hadden leren kennen, en hoe ons leven samen was geweest. Ik droomde van feesten waar mijn man en ik de sterren van de dansvloer waren, allebei nog soepel, en zonder rimpels. Van onze dromen samen, de vakanties, de geboorte van de kinderen. En zoals het gaat met oude mensen worden de wakkere periodes steeds korter, en de slapende periodes steeds langer. Dromen over vroeger, dromen die nooit meer in het echt zouden gebeuren. Maar één ding had ik in mijn leven wel geleerd. Dat het niet gaat zoals in de droom, betekent niet dat het minder mooi is, mijn hele leven waren er weinig dromen realiteit geworden, en toch had ik niet van meer kunnen dromen. En nu was er nog één droom over. Een droom die waarschijnlijk wel werkelijkheid wordt. De droom waarin ik weer samen ben met mijn man, een eeuwigdurende droom.

Mirjam Geerse