Tussen hoop en vrees

Mensen met kanker krijgen nogal wat te verwerken. Soms slecht nieuws, maar steeds vaker goed nieuws. Een week uit het leven in Oncologiecentrum Eindhoven.

Een loodgrijze herfstdag, acht uur in de ochtend. In een vleugel van het grote Eindhovense Catharina-ziekenhuis, ‘het Cathrien’ in de volksmond, vult een prozaïsch zaaltje zich met witte jassen. Het is een medisch team van het Oncologiecentrum Eindhoven, dat een reeks patiënten met goed- of kwaadaardige borstafwijkingen gaat bespreken.

Op een wand verschijnen echo- en röntgenbeelden van de eerste patiënte. De medische status van de vrouw wordt toegelicht. Ze had meegedaan aan een bevolkingsonderzoek en was wegens lichte twijfels doorgestuurd. Een verdacht vlekje kon wijzen op een cyste, maar ook op een beginnende tumor. Het team tuurt naar de beelden en discussieert. Vermoedelijk is het iets onschuldigs, luidt de conclusie, maar om zekerheid te krijgen moet er toch maar een MRI-scan worden gemaakt. Zo passeren een kleine twintig casussen, en telkens geven de deelnemers hun kijk op de besproken patiënt, om het uiteindelijk eens te worden over de beste aanpak. Na een uur verdwijnt iedereen naar de eigen werkplek.

Het is een kalm begin van de werkweek in het Oncologiecentrum. Het kan heftiger, zal ik gaandeweg meemaken. Een werkweek lang loop ik mee met specialisten en medisch assistenten in deze beladen hoek van het Catharina-ziekenhuis, heen en weer tussen spreekkamers, backoffice, bestralingsruimtes en operatiekamers. Heen en weer ook tussen emoties, want het gaat hier over kanker en dus over leven en dood. Het zal een oord van uitersten blijken, dit centrum, een plek van succes en deceptie, blijdschap en verdriet, strijd en berusting, een plek van alle gradaties tussen hoop en vrees.

Om negen uur begint chirurg Yvonne van Riet haar spreekuur. Ik schuif aan; vrijwel alle patiënten zullen het deze week goed vinden dat er een journalist meeloopt. Een vrouw komt met haar man voor de uitslag van een weefselonderzoek. Ze heeft kalkspatjes in een borst, zegt de arts, en die lijken voorbodes van borstkanker. Dan maar zo gauw mogelijk ingrijpen, reageert de patiënte meteen. Die spatjes moeten radicaal worden weggehaald, waarna de borst moet worden bestraald. Het wordt dus een borstsparende operatie. Dat is dan weer het goeie nieuws, vindt de patiënte. Bovendien wil de chirurg wegens de kans op uitzaaiingen in de oksel daar een kliertje verwijderen. Wat moet, dat moet, zegt de vrouw.


Een volgende patiënte heeft borstkanker gehad. Na verwijdering van het gezwel in de borst kreeg ze een antihormoonkuur om de kans op terugkeer te verkleinen. Nu komt ze op controle. Yvonne van Riet kan melden dat de onderzoeken goede uitslagen hebben opgeleverd. De patiënte straalt. “O, gelukkig! Het is toch altijd spannend. Het was heel zwaar, maar ik ben weer in de running.”

Er komt nóg een vrouw met behandelde borstkanker op controle. Op foto’s lijkt er toch weer weefselgroei plaats te vinden. Een MRI-scan moet meer duidelijkheid brengen. De vrouw hoort het bezorgd aan. “Ik zou mijn leventje zo graag blijven houden.”

Dan kan ik met chirurg-oncoloog Harm Rutten mee naar twee patiënten die een zware buikoperatie hebben ondergaan. Klaas de Haan uit Woerden, 73 jaar, was twee jaar geleden nog zo gezond als een vis. Tot hij een tumor in zijn endeldarm kreeg. Die werd operatief verwijderd; de patiënt kreeg een stoma. Afgelopen zomer werd na pijnklachten een nieuwe tumor in het bekkengebied geconstateerd. “Die boodschap was behoorlijk pittig,” zegt Klaas de Haan. “Het was alsof ik een hoge toren had beklommen en net voor de top omlaag mieterde. Mijn vrouw was ook al overleden aan kanker, dan komt zulk nieuws extra hard aan.”

Hij moest naar het Catharina-ziekenhuis, waar men de tumor niet alleen zou weghalen, maar het omliggende gebied diep in het lichaam ook direct kon bestralen, een nog weinig gangbare techniek waarmee het Cathrien veel ervaring heeft. Een paar dagen na de operatie is bewegen nog pijnlijk en zijn de darmen nog niet op gang, maar Klaas de Haan heeft goede hoop dat hij zijn leven straks weer kan oppakken. Dat wil zeggen: zijn studie cultuurgeschiedenis vervolgen, sporten en het inloophuis voor kankerpatiënten bezoeken. “Ik dacht eerst dat ik daar mijn eigen ellende zou tegenkomen, maar ik kom er vrolijker vandaan dan ik erheen ging. Ik heb er vrienden gevonden. Ze stuurden me al een pak kaarten.”


Op dezelfde kamer op tien hoog, een wat versleten afdeling die binnenkort wordt gerenoveerd, ligt de 59-jarige Jenne-ke Bleumers uit Hilversum bij te komen van eenzelfde operatie. Zij was in 2005 al eens onder het mes gegaan wegens darmkanker en bleek deze zomer een nieuwe tumor te hebben. “Ik was net opnieuw getrouwd,” zegt ze. “Een klerestreek vond ik het. Ik voelde meer ongeloof en verontwaardiging dan verdriet. Nu ben ik tamelijk optimistisch. Ik heb weer een kans. Maar als ik weer thuis ben, ga ik wel van alles opruimen, want het blijft onzeker.”

Als ik terugkeer naar het Oncologiecentrum op de begane grond, wordt daar net bij chirurg Yvonne van Riet een grote bos rozen afgeleverd. “Die is voor het hele team,” preciseert ze. “Van een mevrouw die erbij schrijft dat ze helaas een borst kwijt is, maar dat haar toekomst is gered. Daar doe je het voor.”

Vanaf acht uur in de ochtend druppelen de patiënten binnen. Ze melden zich bij de receptie, tappen een kop koffie bij de automaat en nemen plaats in een van de wachtruimtes totdat ze een arts, radiotherapeut of nurse-practitioner kunnen spreken. Vrijwel niemand komt alleen; de meeste patiënten laten zich vergezellen door een partner of familielid. Sommige vrouwen dragen kleurige, mooi gedrapeerde hoofddoekjes als alternatief voor een pruik.

Bij chirurg-oncoloog Ignace de Hingh komt een man op controle die twee jaar geleden alvleesklierkanker kreeg en dat overleefde, wat maar in tien procent van de gevallen gebeurt. Hij onderging een zogeheten Whipple-operatie, een gecompliceerde ingreep waarbij de tumor en zijn omgeving, soms incluis een deel van de maag, worden verwijderd. Jaren geleden besloot de zuidelijke medische regio dit type operatie te clusteren in het Catharina-ziekenhuis, dat daardoor meer expertise kon opbouwen. “Vroeger ging één op de vier patiënten na de operatie alsnog dood,” zegt dokter De Hingh. “Sinds de clustering is dat getal gedecimeerd. Er leek geen eer aan te behalen, maar dat fatalisme hebben we doorbroken.”


De betrokken patiënt vertelt dat hij zich weer helemaal de oude voelt, nergens last van heeft en weer volop aan het werk is. Na hem arriveert een ouder echtpaar met kleinkind. De grootvader was al eens op straat gereanimeerd en heeft het gevoel dat hij sindsdien in reservetijd leeft. Ook hij heeft een Whipple achter de rug, en eveneens met goed gevolg.

Minder goed gaat het met een man van Turkse komaf, wiens zoon het woord voert. Al eerder bleek hij een grote tumor te hebben. Nu krijgt hij te horen dat die kwaadaardig en progressief is. Hij zal chemotherapie krijgen om de groei af te remmen. Als hij nog eens naar Turkije zou willen, oppert De Hingh, zou hij dat nu moeten doen, want mogelijk is hij daar de volgende zomer niet meer toe in staat. De zoon vraagt naar de prognose. Gemiddeld leeft iemand met een dergelijke tumor nog een jaar, zegt de arts, maar dat kan ook op twee weken of twee jaar uitdraaien. Vader en zoon reageren gelaten. Ze hadden deze boodschap al zien aankomen.

Een echtpaar, veertigers, met tienerdochter. De man is eerder geopereerd aan dikkedarmkanker en heeft nu een recidief achter de blaas. Bij een operatie moet blijken of het zich niet al verder heeft verspreid. Ignace de Hingh wil proberen de tumor weg te halen en de hele buik dan te spoelen met warme chemo, een revolutionaire techniek waarmee eventueel achtergebleven cellen worden stukgemaakt. De man moet er echter rekening mee houden dat hij misschien zijn blaas verliest en een urinestoma krijgt; als het tegenzit, houdt hij er ook nog een darmstoma aan over. Het gezin kijkt bedrukt. En mijn kansen, vraagt de man. Zonder ingrijpen zou u doodgaan, zegt de chirurg. Als de tumor zich beperkt tot deze plek en de operatie met spoeling kan worden afgerond, is er een gerede kans op genezing: na vijf jaar leeft de helft van de geopereerde patiënten nog. En de andere helft niet meer, zegt de patiënt. Zijn dochter kleurt rood.


Over de eindeloos lange gang die de diverse afdelingen van het centrum met elkaar verbindt, trekt een scootmobiel twee rolstoelen voort, als een locomotiefje met twee wagonnetjes. Vader, moeder en dochter Van der Putten uit Helmond zijn alle drie getroffen door een bindweefselaandoening en daardoor aangewezen op rollend materieel. Vader John van der Putten is in september hier in het Cathrien aan een endeldarmtumor geopereerd en bestraald. Ze komen vandaag een schriftelijke genezenverklaring ophalen. “We hebben heel veel geluk gehad,” zegt zijn vrouw.

Op de polikliniek ontmoet ik Laurence van Warmerdam, oncologisch internist. Bestrijdt een chirurg tumoren met het scalpel, een internist zet medicijnen in: chemotherapie, biologicals, antihormonen of immuuntherapie. Vaak treedt de internist op wanneer chirurgie wegens uitzaaiingen niet aan de orde is. Genezen is er dan meestal niet meer bij – wel valt er nog tijd te winnen en is de kwaliteit van leven te verbeteren. “Ik zeg altijd: ik kan u niet genezen, maar wel beter maken,” zegt Laurence van Warmerdam. “Je ziet de patiënten opknappen, al is het tijdelijk. Daar haal ik mijn voldoening uit.”

Hij voert elke dag wel een paar gesprekken waarin hij moet uitleggen dat de betrokken patiënt ongeneeslijk is en dat het einde in zicht komt. “Dat went niet, het blijft vreselijk. Toch zie ik er zelden tegen op. Vaak weten de mensen al dat ze kanker hebben en dat het er niet goed uitziet; als ik dan wat verbetering in hun toestand kan brengen, is dat toch goed nieuws. Totdat het ingezette middel niet meer werkt. Zo kan een kankerpatiënt gedurende zijn ziekteproces een paar keer slecht nieuws krijgen. Ja, ik heb een emotioneel vak. Ik doe het nu tien jaar en vraag me ook weleens af of ik het nog eens 25 jaar volhoud.”


Aan de andere kant: “Ik heb mijn patiënten meestal wat te bieden. Mensen zijn vaak minder bang voor de dood dan voor het sterven. Ze vrezen te stikken, zijn bang voor erge pijnen. Dat kan ik voorkomen, want de palliatie is sterk verbeterd, de pijnbestrijding verfijnd. Daarmee kan ik patiënten geruststellen. Dit beroep brengt dus zowel belasting als voldoening.”

Op de polikliniek ontvangt radiotherapeut Maurice van der Sangen een nieuwe patiënt, een zestiger met zuurbranden die bij onderzoek veroorzaakt bleken door een kleine slokdarmtumor. Hij stelt de patiënt een combinatie voor van 23 bestralingen en vijf chemokuren om de tumor verder te verkleinen, waarna een operatie zal volgen. De medische staf heeft hoop dat deze aandoening goed te behandelen zal zijn omdat de tumor nog pril is. In het algemeen, aldus Van der Sangen, zijn van de honderd nieuwe patiënten met deze kanker er na vijf jaar nog vijftien in leven. Dat komt doordat slokdarmtumoren vaak pas in een laat stadium worden ontdekt.

Aan de andere kant van het centrum bevinden zich de bunkers waar de bestralingen plaatsvinden. Het is het radiotherapeutisch centrum voor Eindhoven en verre omgeving, een gebied van ongeveer een miljoen inwoners. Er zijn hier zes machines in bedrijf, goed voor zo’n 250 behandelingen per dag.

Ter voorbereiding ondergaat de patiënt vaak een CT-scan, een röntgenapparaat dat een dwarsdoorsnede van het lichaam maakt waarmee bestralingsvelden kunnen worden berekend. Dat gebeurt in een computerruimte, waar gespecialiseerde medewerkers in samenspraak met radiotherapeuten de doses straling en de te bestralen plek nauwkeurig uitkienen. Vroeger werd noodgedwongen nogal grofmazig bestraald. Het behandelplan is in de loop der jaren dankzij voortschrijdende digitale techniek sterk verfijnd, zodat de bestraling optimaal op de tumor in kwestie is af te stellen en kwetsbare organen en gebieden kunnen worden ontzien. Vervolgens worden er op de huid van de patiënt met speciale inkt lijnen getekend, om diens lichaamshouding bij de CT-scan terug te vinden tijdens de bestraling.


Patiënten die – al dan niet preventief – op het hoofd worden bestraald, krijgen in de mould room (malkamer) een gezichtsmasker aangemeten. Een plak wit thermoplast, in warm water zacht gemaakt, wordt op het gezicht van de patiënt gelegd. Twee laboranten houden het ingepakte hoofd vast totdat het materiaal is gestold en tekenen op de thermoplast de lijnen waarop het bestralingsapparaat zich later zal richten. Intussen praten ze kalm in op de patiënt. Daarbij letten ze er vooral op dat die een lage ademhaling houdt. Zo valt te voorkomen dat mensen het benauwd krijgen. Ook claustrofoben raken zelden of nooit in paniek, zeggen de laboranten, zelfs als het masker straks onder het bestralingsapparaat wordt vastgeklikt, zodat het hoofd zich niet kan bewegen en de radiatie precies op de juiste plek komt.

Dan maak ik een aantal concrete bestralingen mee. De meeste patiënten van vanmiddag komen voor de zoveelste keer, kijken niet meer op van de sciencefiction-sfeer in de bestralingsbunkers en maken gewoon een praatje over het weer of over de ‘Mondriaan’ op hun lichaam. Maar voor de bezoeker blijft het zonderling om – op veilige afstand – waar te nemen hoe laserlijnen door de bunker schieten, zodat het bestralingsapparaat exact kan worden afgesteld op de getekende lijnen, en hoe dat toestel vervolgens rond de patiënt cirkelt en stil zijn vernietigende én reddende werk doet.

Een andere toepassing van bestraling vindt die middag plaats in een van de operatiekamers. Het is de inwendige bestraling tijdens een operatie, die gisteren al even aan de orde was bij de verhalen van patiënten Klaas de Haan en Jenneke Bleumers. Na in passend OK-tenue te zijn gestoken, word ik binnengewenkt door chirurg-oncoloog Grard Nieuwenhuijzen, omringd door een flink team. Van de patiënt op de operatietafel is slechts het opengesperde buikgebied zichtbaar, een roze kluwen van organen en ingewanden. Het is een kwetsbaar gebied; soms gaat er bij de operatie wel tien liter bloed verloren en moet er voortdurend bloed worden aangevuld.


Grard Nieuwenhuijzen heeft net een darmtumor verwijderd. In het omliggende weefsel en op het heiligbeen kunnen zich nog kwaadaardige cellen ophouden en daarom volgt er IORT, ofwel intraoperatieve radiotherapie, waarbij het risicogebied op een directe en hoge bestralingsdosis wordt getrakteerd. Het Cathrien introduceerde deze techniek vijftien jaar geleden in Nederland en behandelde daarmee sindsdien meer dan duizend patiënten van heinde en verre.

De chirurg toont een holle buis van zo’n veertig bij acht centimeter. Die zal in de patiënt worden geplaatst en vervolgens aangesloten op een bestralingsapparaat. Met enig wringen glijdt de buis tussen de darmen door totdat hij de buik helemaal doorboort en het heiligbeen bereikt. Hij wordt dan met behulp van een stellage gefixeerd en aan het bestralingstoestel vastgemaakt. Het hele gezelschap verhuist naar een veilige plek, van waaruit de radiatie wordt ingeschakeld en de patiënt via monitoren en schermen in de gaten wordt gehouden.

Specialisten van het Cathrien hadden de techniek jaren geleden opgepikt in Amerika. Invoering in het eigen ziekenhuis zou duur en tijdrovend zijn, maar aanpassing van een bestaand bestralingstoestel bracht uitkomst. Het heeft al de nodige mensenlevens gered.

Naast de hal van het Oncologiecentrum wordt gebouwd. Uitbreiding is nodig, want het centrum bedient een groeimarkt. Het aantal nieuwe kankerpatiënten in Nederland stijgt tussen 2005 en 2015 van 50.000 naar 95.000, zo wordt geschat.

In de nieuwbouw komt de afdeling Dagbehandeling, waar patiënten terecht kunnen voor hun chemokuren. De afdeling zit nu nog in een andere, te krappe vleugel van het ziekenhuis. Er zijn elf bedden en ligstoelen beschikbaar. In een hoek staat een tafel met wat leesmateriaal en een legpuzzel van 1500 stukjes, voor als het meegekomen bezoek zich verveelt. Aan een stellage naast de patiënten hangen infusen waaruit puur gif hun aderen binnen vloeit. Maar zo ervaren de betrokkenen het niet: dat gif redt hopelijk hun leven, of toch minstens een stukje ervan.


Doordat de meeste mensen regelmatig aan de chemo moeten, ontstaat er vaak een band tussen hen en de verpleegkundigen. Op de oncologische dagbehandeling zijn dan ook de oudste verpleegkundigen van het ziekenhuis te vinden, want ze willen nooit meer overgeplaatst worden.

Een goede bekende van de afdeling is de Eindhovense Nancy Blom. Zij kreeg in 2005 borstkanker; ze was toen in verwachting van haar vierde kindje. Na de operatie en de chemokuren deed ze haar door de cytostatica verloren haren in een doosje. Daarnaast stond in haar gedachten nóg een doosje, met daarin het afgelopen halve jaar. Dat daar maar veel stof op mocht komen. Ze had kanker gehád, punt. Maar half 2007 kwam de ziekte terug, nu in de vorm van uitzaaiingen in de lever en de longen. Haar levensverwachting was ronduit slecht. Ze nodigde familie en vrienden op een vrijdag na de diagnose uit om het slechte nieuws samen te delen. Het werd een mooie, af en toe vrolijke avond.

Sindsdien heeft ze in samenspraak met internist Van Warmerdam de ene kuur na de andere beproefd – ze weet alle merken nog. Momenteel krijgt ze een biologisch middel toegediend. Het eten smaakt niet meer en ze merkt dat ze fysiek zwakker wordt, maar Nancy leeft nog steeds. Die dokter van haar zou ze wel in goud in de achtertuin willen zetten.

Ze leeft van week tot week en probeert het zo lang mogelijk uit te zingen, want ze kan toch niet wachten tot ze omvalt? Misschien vinden de artsen een nieuw middel dat goed werkt. Maar waarschijnlijk zal het een kort leven blijven. Ze is nu veertig. Toen ze 39 werd, gaf ze een groot feest, hadden ze nog smartlappen gezongen. En intussen is ze toch maar mooi veertig! Oud en Nieuw haalt ze denkelijk nog wel.


Ze is heel monter, Nancy Blom. Om de zin schiet ze in de lach. Zoals bij haar laatste opmerking: “Mijn graf heb ik al uitgezocht, en ook de muziek die er dan moet worden gedraaid. Maar die muziek kan ik onderhand wel weer aanpassen.”

Majorie de Werd is nurse-practitioner op het Mammacentrum, een onderdeel van het Oncologiecentrum dat zich richt op borstproblemen en waar diverse zorgverleners geconcentreerd samenwerken om zo mogelijk binnen één dag een diagnose te stellen. Met haar academische scholing is de nurse-practitioner een schakel tussen de verpleegkundigen en de specialisten. Zij heeft ook haar eigen spreekuur.

Na een multidisciplinaire bespreking van onderzoeken en operaties begroet ze de eerste patiënt van vanochtend, een oude dame voor wie ze tegenvallend nieuws heeft. In een borst is kanker aangetroffen, in de andere het voorstadium van kanker, en er zijn ook uitzaaiingen in een oksel. Een borst en alle okselklieren moeten worden weggehaald. Daarna volgt antihormoontherapie om kans op terugkeer te minimaliseren. “We gaan met een olifant door uw porseleinkast.” Het zij zo, reageert de vrouw onmiddellijk, liever dat dan risico te lopen. We kunnen u een reconstructie aanbieden, vervolgt de nurse-practitioner. Daar heeft de patiënte geen behoefte aan, dat wordt zo’n poespas. Vragend kijkt ze naar haar man. “Dat moet je zelf beslissen,” zegt hij. Glimlachend: “Met 83 is die tijd voorbij.”

De prognose is goed, zegt Majorie de Werd, maar mevrouw zal pieken en dalen houden. Mocht het nodig zijn, kan ze worden doorverwezen naar psychosociale of andere zorgverleners. “De hulptroepen staan voor u klaar.” Dat vindt de patiënte fijn. Ze geloofde er al niet meer in. “Het is zo’n opluchting dat het niet verder is uitgezaaid. Ik ga gauw de kinderen bellen.”


Medisch psycholoog Gerbrand van Hout maakt samen met een geestelijk verzorger, een maatschappelijk werker en incidenteel een psychiater deel uit van voornoemde hulptroepen. Kankerpatiënten kampen lang niet alleen met vragen van leven en dood, merkt hij op. De persoonlijkheid komt vaak in het geding. Menig man gaat zich na een testisoperatie met een leeg scrotum minder mannelijk voelen. Hetzelfde geldt voor mannen die na een prostaatchirurgie incontinent of impotent worden, wat nogal eens voorkomt. Spiegelbeeldig wordt het gevoel van vrouwelijkheid bedreigd door het verlies van borsten, eierstokken of baarmoeder. Zulke onzekerheden leiden ook gemakkelijk tot seksuele problemen, hoort de psycholoog in zijn spreekkamer. De patiënt vindt het zelf vaak lastig om te vrijen, en anders heeft de partner er wel moeite mee, waarop de eerste zich alsnog afgewezen voelt.

Kanker werkt als katalysator voor goe-de en slechte relaties, vindt Gerbrand van Hout. Het ontregelende nieuws kan levenspartners dichter bij elkaar brengen, maar ook voor verwijdering zorgen. Er wordt weleens vergeten dat ook de partner van de patiënt slecht af is. Zijn of haar angsten en twijfels verbleken naast die van de hoofdpersoon. Daarnaast is het tempo van verwerking soms verschillend. Is de zieke van het type ‘doorkachelen’ en de partner meer beschouwend, dan kan de laatste in de kou raken. Het komt ook nogal eens voor dat de partner het trauma van kanker niet aankan en dat het tot een scheiding komt.

Meestal leidt het slechte nieuws tot versterking van eigenschappen, zodat de piekeraar extra gaat piekeren, de drinker een extra fles opentrekt, de introvert onbereikbaar wordt en het temperamentvolle type al zijn energiebronnen aanboort. De heftigheid van het ziekteproces wordt nog eens versterkt doordat angst (na de diagnose) en hoop (bij een kuur) elkaar als hoge golven afwisselen, en blijven afwisselen zodra een behandeling al dan niet aanslaat. “Kanker,” zegt Gerbrand van Hout, “is vaak een spoedcursus angst.”


’s Middags houdt chirurg-oncoloog Grard Nieuwenhuijzen spreekuur. Hij komt net uit een spannende operatie waarbij hij een slokdarmtumor zo groot als een grapefruit radicaal heeft kunnen verwijderen. “Ik had nog nooit zoiets gezien. Een extatisch moment.”

Een heel dunne vrouw, 42 kilo naar eigen zeggen, komt op controle na een operatie vanwege een slokdarmtumor waarbij ook haar maag grotendeels is weggehaald. Het eten komt nu vrijwel meteen in haar dunne darm terecht. Ze staat na een paar happen op haar kop van de pijnkrampen. De ziekte zal toch niet terugkeren, vraagt ze angstig. Het wordt echt beter, voorspelt Nieuwenhuijzen, de darmen leren omgaan met de nieuwe situatie. En gelukkig tonen de scans geen aanwijzingen voor ander onheil.

Een man van achter in de vijftig zal een operatie met inwendige bestraling (IORT) krijgen. Voorzichtig brengt Nieuwen- huijzen het onverwachte bericht dat de patiënt daarbij wellicht zijn blaas zal verliezen en een blijvend urinestoma zal krijgen. Hij loopt bovendien kans op een darm- stoma en zal bijna zeker geen erectie meer kunnen krijgen. Het komt hard aan bij de patiënt en zijn vrouw, want de man voelde zich de laatste tijd nu juist wat beter.

Het beeld is op de foto nog steeds onrustig, zegt de arts, en het gaat om uw overleven. Dat is ook zo, beaamt de man. Maar zit de kanker alleen daar? Dat weet ik nog niet zeker, zegt de arts. Een net gemaakte CT-scan zal meer duidelijkheid geven. De uitslag komt zo binnen, zou het echtpaar nog even in de wachtkamer willen plaatsnemen?


Nadat hij enkele andere patiënten heeft ontvangen, roept Grard Nieuwenhuijzen het paar weer binnen. Hij kijkt ernstig. “Er wordt wat gezien op de CT-scan.” “Dat méént u niet!” roept de vrouw. “De radiologen zien twee vlekjes op de longen en een op de lever,” zegt de arts zacht, “en ze zien dat die groeien ten opzichte van de vorige scan. Vrijwel zeker dat het hier om uitzaaiingen gaat.” De vrouw slaat haar handen voor haar gezicht en snikt. Haar man zwijgt en staart naar een punt in de eeuwigheid.

De arts stelt voor met chemotherapie te beginnen en na eventueel succes te opereren. Als de nieuwe vlekjes groeien, is een operatie zinloos. Hij zegt dat hij het vreselijk voor hen vindt. “Dit is de zoveelste teleurstelling,” zegt de man. En na een korte stilte. “Ik weet wel waar dit op uitdraait. Op euthanasie.”

Een paar uur later reizen verscheidene specialisten van het Eindhovense Oncologiecentrum naar het dertig kilometer noordelijker gelegen Vught, waar in Kasteel Maurick een symposium van de samenwerkende zuidelijke kankerzorg plaatsvindt. In de net ingevallen duisternis doet het feeëriek aangelichte kasteeltje romantisch aan, maar binnen gaat het over de harde werkelijkheid van kanker. In hoog tempo volgen sprekers uit diverse disciplines elkaar op en wisselen met powerpoint-presentaties in dokterslatijn hun jongste inzichten uit. Zelfs bij het warme buffet gaan de rectumcarcinomen en gastro-enterologische maligniteiten geanimeerd over tafel. Of alle gepresenteerde cijfers beklijven, is de vraag, maar het heeft iets heroïsch hoe hier zo’n honderd oncologische insiders hun vrije avond opofferen om elkaar bij te scholen in de strijd tegen de microscopische vijand.


De laatste ochtend van mijn vijfdaagse heeft chirurg Ignace de Hingh een HIPEC-operatie voor me in petto.

HIPEC staat voor Hypertherme Intra Peritoneale Chemotherapie, ofwel het spoelen van de buik met tot 41 graden verwarmde cytostatica, een specialisatie van dokter De Hingh. De behandeling wordt toegepast voor kankers die uitzaaien binnen de buik. Blijken er bij het begin van de ingreep ook uitzaaiingen naar lever en longen te zijn, dan is opereren zinloos. Dat gebeurt één op de vijf keer.

De chirurg heeft al een stukje besmette dikke darm verwijderd en haalt nu enkele spatten van de dunne darm af en maakt samen met een assistent-chirurg verklevingen los. Ook haalt hij een eierstok weg, want daarop nestelen zich graag kankercellen. De zichtbare tumorschade valt mee, zegt hij. Hij laat me het aangetaste stukje darm voelen: een week lapje met een harde kern van tumorweefsel. Intussen zingt Ilse DeLange via de radio een opgewekt lied.

Als de darm is dichtgenaaid, kan er met chemo worden gespoeld om mogelijk achtergebleven cellen te vernietigen. We tuigen eerst het circus op, kondigt De Hingh aan. Rond de wijd geopende buik bouwt hij een flinke stellage van buizen, het Colosseum geheten. De buikwand wordt omhoog gehesen en aan de stellage bevestigd, zodat er een soort teil voor de chemospoeling ontstaat. Drie slangen gaan door de buikwand naar binnen. Ruim twee liter vloeistof wordt op temperatuur gebracht en vervolgens de buikholte binnen gevoerd, totdat de ingewanden ondergedompeld liggen. Dan worden cytostatica aan de vloeistof toegevoegd. Het spoelen duurt anderhalf uur.


Als ingreep hoort de HIPEC bij De Hinghs favorieten. “Voor een chirurg is het interessant omdat je in de hele buik komt. En het is dankbaar werk. Vroeger leefden deze patiënten nog maar een half jaar. Nu is veertig procent van de geopereerden er na vijf jaar nog.”

En toch: wat is er aantrekkelijk aan een ziekte die zo vele levens vernietigt of ernstig beschadigt?

Oncologisch chirurg Harm Rutten, vorig jaar door achthonderd collegae uitgeroepen tot toparts, gaat er eens goed voor zitten. “In mijn opleidingstijd, de jaren tachtig, boeiden oncologische patiënten me al het meest. Met velen heb je een heel intensief contact, want na de operatie blijf je hen volgen. Ik moet proberen de angst weg te nemen dat het terugkomt, een angst die hun leven kan verpesten. Dat patiëntencontact vind ik heel aantrekkelijk. Ik werk nu eens met het oor en dan weer met het mes. Ik zou niet alleen willen opereren.”

Dat neemt niet weg dat oncologie voor een chirurg erg uitdagend is, zegt Rutten. “Iedere kanker kan je weer verrassen. Ik leer nog steeds bij. Tumoren zijn meestal alleen te genezen als ze chirurgisch kunnen worden verwijderd, wat vaak mogelijk wordt gemaakt door radio- en chemotherapie. Mensen denken dat dit een deprimerend vak is, maar van mijn patiënten leven er na vijf jaar méér dan van de vaatpatiënten. Daarnaast maakt het vak een enorme ontwikkeling door. Er komen steeds nieuwe middelen. Er ontstaat moleculaire diagnostiek die ons op DNA-niveau leert hoe kanker zich gedraagt en hoe behandeling uitpakt. Ook radiotherapie verandert voortdurend. Door multidisciplinaire samenwerking verplaatsen we grenzen. Dat alles motiveert enorm, want er valt winst te boeken. Bij ons klopt nog nauwelijks een patiënt aan voor wie we niets meer kunnen doen.”


Hoe intensief het ook is, hij kan het werk achter zich laten als hij naar huis gaat. “Ik probeer met een patiënt mee te voelen zonder er verlamd door te raken. Een patiënt heeft elke keer een frisse dokter nodig. Ik heb best een vrolijk leven. Mij helpt dat ik een stabiele thuissituatie heb waar ik veel energie uit haal. Ik ontspan me door piano te spelen, al heb ik daar geen aanleg voor. Verder werk ik graag met mijn handen. Het gezegde dat de meeste chirurgen ook aannemer hadden kunnen worden, gaat zeker voor mij op, want ik heb mijn hele huis zelf verbouwd. Dat zijn mijn uitlaatkleppen.”

Het is de laatste afspraak op het Oncologiecentrum. Ik had er nóg een, met een jonge terminale patiënte, maar die is op het nippertje afgezegd omdat haar toestand sneller verslechtert dan voorzien.

Als ik door de lange gang terugloop, zwaait daar net de deur van een spreekkamer open. Een man en een vrouw, dertigers, komen naar buiten en vallen elkaar woordeloos blij in de armen.

Matt Dings