Van tevoren

‘Hoe zou het zijn?” vroeg ik aan haar. “Hoe zou het zijn om opnieuw geboren te worden en te weten wat je nu allemaal weet?”

Ze haalde zoals verwacht haar schouders op. Haar blonde haar golfde zachtjes, precies zoals ik het van de zomer voor me had gezien.

“Ik droom er weleens van,” zei ik, “dat ik de klok terugzet op nul, maar mijn verstand behoud. Zodat ik mijn talenten en gebreken direct bij mijn geboorte al ken. Niet meer hoef te leren omgaan met de overgang van de baarmoeder naar het wispelturige gezin naar de verwarrende school naar de krankzinnige maatschappij.”

Haar groene ogen keken me aan. Ze stonden mat; ik had wel zien aankomen dat ze moeite zou hebben met mijn ideaal.

“Dat je er niet hoeft achter te komen dat je linkshandig bent of rechtshandig, hetero of homo, goed of slecht in piano spelen, voetbal, boekhouden, sociaal netwerken.”

Het belang ontging haar. Vanzelfsprekend. Persoonlijker maken zou helpen.

“Ik had graag willen weten hoe de puberteit zou zijn voor ik eraan ten prooi viel. Natuurlijk hoorde je er wel over, lachte je over zoveel gekkigheid van net iets oudere kinderen, maar een puber zijn… mijn god… ik had niet gedacht dat het zo’n drama zou worden. En daarna, die hele adolescentie…”

Het voelde of ik in een juten zak praatte. Er echode niets tussen ons. Ik moest het zakelijker brengen. Hoe had ik het ook alweer bedacht?

“Stel nou dat je geboren wordt. En je weet al dat niet een communicatiesysteem als videotex de toekomst heeft, maar dat internet het wordt. Netscape, om precies te zijn. En je weet precies wanneer je die aandelen moet kopen. En verkopen. En dan stap je over, niet op World Online, niet op AOL, maar op Google. En ook dat stopt, dat weet je, dat weet je al precies van tevoren.”


Ze schudde haar hoofd. Ze veegde iets van haar donkere mantel. Ik viel even stil. Natuurlijk wilde ze het niet horen, wist zij veel. Ik zei van tevoren dat het een dom wijf zou zijn. Haar mascara had van die veegjes. Emotie tonen, dat was het alternatief.

“Nee, toe nou. Denk nou eens na. Als je bij iedereen die ooit je hart heeft gebroken, van tevoren wist wat er gebeuren zou. Zodat het niet zou gebeuren. En als je iedere blik, elk heimelijk aanzoek, juist had kunnen interpreteren. Al die onmetelijke hoeveelheden probleemloze seks die je had kunnen hebben en al die zichtbare en geheime blauwe plekken die je had kunnen voorkomen. Als…”

Ze drukte haar wijsvinger tegen haar lippen. Ze kon me vanzelfsprekend niet aan.

Liefde. Haat. Vriendschap. Verraad. Ze dééd alsof ik haar niet overtuigde, maar wilde juist dat ik een stap verder ging. Ik begon de controle over mijn stem te verliezen.

“Elf september! Dat je vooraf had kunnen zeggen: niet werken, niet in die torens stappen! Dat je Pim Fortuyn sms’t: neem een extra wijntje bij 3FM! Dat je Van Gogh belt en zegt: joh, doe ’s gek, pak de auto! En tegen Karst Tates: koop een fiets! En dat je in de zomer van 2008 je aandelen verkoopt en je abonnement op HP/De Tijd opzegt! Want hierna wordt het toch alleen maar minder! En dat je dan met je geld naar dat ene tropische eiland verkast waar het veilig blijft tot na je pensioen!”

Ik zag mijn speeksel door de lucht vliegen. Ze maakte een afwerend gebaar met die subtiel roze nagels. Ik pauzeerde even. Ze nam me serieus, dat wist ik, maar er waren mensen bij. Ik haalde diep adem. Aan haar pols fonkelde een gouden band. Rustig nu. Beheerst ging ik door.


“Het kan natuurlijk nog mooier. Eigenlijk zou je er al voor de conceptie bij moeten zijn. Dan kun je nog een beetje tweaken. Een paar genen de goede kant op duwen. De hormoonspiegel van je moeder een beetje pimpen, zodat je als foetus optimaal groeit en ter wereld komt als een biseksuele alleskunner, allesbezitter, allesneuker. Zolang je maar kunt sturen op wie je ouders zijn en waar je geboren wordt.”

Ze zuchtte diep. Haar wenkbrauwen verraadden een vorm van verontrusting. Dat begreep ik, het was ook veel voor iemand als zij. Op haar lippen leek een beetje gloss te zitten. Maar dat was van nature, wist ik. Eindelijk zei ze weer iets tegen me.

Haar woorden vielen als scherven op de grond.

“We zijn hier niet om te dromen over wat er had kunnen zijn. U bent hier om wat er is gebeurd. Ik snap dat u de onzekerheid wilt uitbannen. Dat willen we allemaal wel. Maar we kunnen niet iedere inschatting tot de juiste maken. U wilt de spelregels van het leven veranderen. Zo werkt dat niet.”

Ik droomde van winnende lotto-uitslagen en ongeknakte voetbaltrots, wetend wanneer wel of niet naar het stadion te gaan. Van valse vrienden in wie ik nooit had moeten investeren en vrijgevige vreemden die ik rustig voluit in mijn leven had kunnen opnemen. Van momenten waarop ik me glurend door het raam had kunnen afrukken of van kantoor had kunnen jatten wat ik wou, omdat de enige toeschouwer mijn geweten was. Een geweten dat zinloos zou zijn geworden. Omdat ik alles al wist. Van tevoren.

“Wat u hebt gedaan, was dom. Nalatig. Dat u het wilt terugdraaien, daar kan ik inkomen. Het was te voorkomen geweest. Maar niet door alles te weten. Dat bestaat niet. U had juist moeten beseffen dat we niet alles kunnen weten. En dat we dus moeten opletten. Je moet rekening houden met het onverwachte, met anderen. U bent niet alleen op deze wereld.”


Ze hief haar arm op. De blik die ik de afgelopen maanden had leren verdragen bij zoveel mensen, die blik zag ik nu op haar gezicht. Geen haat, geen afschuw. Wel herkende ik de milde verachting en enig medelijden. Zoals verwacht.

“Ik veroordeel de verdachte tot twee jaar cel wegens dood door schuld. Met aftrek van voorarrest.”

Met een klap kwam de hamer neer.

Maar dat wist ik van tevoren.

Roeland van Zeijst