Vijf jaar na de Zondvloed

Op Tweede Kerstdag 2004 werd Sri Lanka geteisterd door de tsunami. Hoe is het nu met de wederopbouw? Over goede bedoelingen, cultureel onbenul en toiletpapier van tien dollar per rol.

Of er nog geld is voor de herinrichting van zijn kantoor, vraagt het schoolhoofd van de Roman Catholic Tamil Mixed School aan de delegatie van stichting Havonos. Cor en Sieni Schouten, oprichters en medebestuursleden, voor het eerst op bezoek bij de projecten die ze financieren, kunnen nauwelijks hun irritatie onderdrukken. Het geld dat ze inzamelen, is bestemd voor onderwijs van kinderen en emancipatie van achtergestelde Tamils. Waarom zouden ze een kantoor herinrichten als je voor dat geld een broodnodig nieuw toiletgebouw kunt neerzetten? Vijf jaar na de tsunami is het zowel voor multinationale hulporganisaties zoals Cordaid als voor Havonos uit Raalte nog steeds problematisch. Je moet prioriteiten stellen, maar die liggen voor iedereen anders.

Goed nieuws. Je kunt weer met een gerust hart op vakantie naar Sri Lanka. De sporen van de tsunami zijn aan de toeristische zuidwestkust zo goed als verdwenen. Omdat het toerisme een belangrijke inkomstenbron is, kreeg het herstel van de toeristische infrastructuur daar prioriteit. Er zijn weer meer dan genoeg restaurants en hotelkamers, en het kost allemaal geen drol. Daarbij kwam in mei 2009 een einde aan ‘The Conflict’, de guerrillastrijd tussen leger en Tamil Tijgers, zodat ook het noordoosten van het land na 25 jaar eindelijk zonder veel hindernissen is te bezoeken. Niet dat men daar is berekend op busladingen westerse toeristen die na een dagje strand een comfortabele kamer met airco wensen. De burgeroorlog heeft daarvoor te veel stukgemaakt, letterlijk en figuurlijk. Maar wie geen problemen heeft met een rit van tien uur over wegen die slecht onderhouden zijn – of opgeblazen – of met een even lange treinreis over verzakte sporen, kan zich ook daar zonder veel moeite laten opsluiten in een idyllisch holiday resort.


Oogkleppen aanbevolen, maar die had je vanaf 1984 al nodig als je naar Sri Lanka ging voor strand, natuur en cultuur. Tamils meldden zich niet voor niets in Nederland als politiek vluchteling. En ja, het land is grotendeels uit de ellende. Maar achter de wegen in aanleg, de nagelnieuwe woonwijken en de stralend witte vissersbootjes op de stranden schuilen ook andere verhalen. Bittere verhalen en verhalen om ziedend van te worden.

Dat er geld aan strijkstokken blijft hangen, is niets bijzonders en van alle tijden. Als je in Trincomalee de hoofdkwartieren van de Verenigde Naties, het Internationale Rode Kruis en Cordaid ziet, hele straten groot, gerenoveerd, voorzien van airco en met een vloot van SUV’s voor de deur, dan snap je dat niet elke gedoneerde euro naar een arm vissertje gaat of een kind zonder schoolboeken. Maar dat goedbedoelende humanitaire organisaties uit de hele wereld er geld wegsmijten, is schandalig.

Tenminste, als die verhalen kloppen dat er dorpen zijn gesticht waar niemand wil wonen en dat er vissers zijn met vijf boten terwijl anderen verhongeren.

Helaas, het is waar. Die spookdorpen bestaan, ik heb ze gezien. Bijvoorbeeld bij Arugam Bay, een relaxte hangplek voor surfers bij Pottuvil, in het voornamelijk islamitische zuidoosten van Sri Lanka. Het is een verzameling van supergoedkope guesthouses en restaurants en vissershuizen. Een paar kilometer landinwaarts staan nieuwbouwhuizen in rijtjes te vervallen. De vissers voor wie ze gebouwd zijn wonen elders; die willen vanuit hun huis hun boot op het strand zien liggen. Vlakbij staat een enorme nieuwe school. Gebouwd door een Japanse organisatie die rekening hield met windrichting, zonuren, behoefte aan ontspanning en lichaamsbeweging, maar vergat te informeren of er ook kinderen waren. En ja, iedereen die een vinger opstak kreeg een boot. Van elke passerende organisatie minstens een.


Fred Netzband-Miller, sinds 1979 de uitbater van het Siam View Hotel, zag het gebeuren. “Opeens lagen er duizend boten voor 128 vissers, je kon op het strand geen stap meer verzetten. Een opkoper heeft ze met vette winst naar Afrika doorverkocht, en Yamaha en Honda namen de buitenboordmotoren voor een kwart van de nieuwprijs terug.”

Het Siam View Hotel staat – net als de meeste hotels en guesthouses – nagenoeg op het strand. Het kreeg op 26 december 2004 de volle laag. “We zaten hier boven. De eerste golf overspoelde alles. De tweede golf sleurde alles mee. Onze strandbungalows, de keuken beneden, alles was weg. We hebben nog vier van de dertig kamers over. Maar we leven nog, en dat is het belangrijkst.” Fred, die met zijn lange witte haar als een oude hippie oogt en tien kinderen heeft bij vijf verschillende vrouwen op drie continenten, kan smakelijk vertellen over het culturele onbenul van de hulp. “De tsunami was een ramp, vergis je niet, maar het water kwam zelden verder dan honderd meter landinwaarts. Het was niet zo dat het hele eiland was weggevaagd. Er werd een container met wc-papier ingevlogen. Ik heb uitgerekend dat ze tien dollar per rol kostten. Je koopt ze hier voor 39 cent. En ze gebruiken het niet eens, het is voor de toeristen. En dan de VN: die kochten honderden jeeps in India en betaalden een kapitaal aan invoerrechten. Terwijl ze die voor minder geld in Colombo konden aanschaffen, en dan was het geld in Sri Lanka uitgegeven.”

Gelukkig kan Fred ook successen laten zien. Vlak bij Pottuvil staan tientallen bolvormige huizen. Ze zijn opgeschilderd in pastelkleuren, als Barbapapahuizen. “Door een Nederlands bedrijf gebouwd,” zegt Fred. Ik voel een vlaag van chauvinistische trots door me heen gaan.


De komende tijd kan nog spannend worden nu de banktegoeden van de Tamil Tijgers zijn bevroren. “Zij gaven geld aan Tamil-scholen, -ziekenhuizen en -weeshuizen. Dat is nu voorbij.” Fred heeft ook al gehoord van voormalige Tamil Tijgers die voor 30.000 roepie mensen uit de weg ruimen. “Ze hebben honger en ze hebben een wapen; dat is een gevaarlijke combinatie.”

Sommige expats, voor een surfweekend in het Siam View Hotel, willen alleen anoniem iets vertellen. “Er is een kliklijn ingesteld om aangifte te doen van buitenlanders die kritiek leveren op de regering. Die verliezen onmiddellijk hun verblijfsvergunning,” zegt John (die dus anders heet) uit Galle. Hij kwam als medewerker van een hulporganisatie (“Ik zeg niet welke”) daags na de tsunami in Sri Lanka aan. “We waren druk bezig lichamen te bergen toen het Rode Kruis ons kwam waarschuwen. Twee van hun vrachtwagens waren nooit aangekomen. Hoogstwaarschijnlijk achterovergedrukt door de overheid.”

Ook in Galle werden gul vissersboten uitgedeeld, vertelt hij, meteen het einde van een eeuwenoude sociale structuur. In Galle bezaten een paar mensen boten. Zij gaven werk aan de kapiteins van die boten, die op hun beurt elk een bemanning samenstelden. Na de tsunami was iedereen eigenaar en kapitein van een boot. Er was alleen niemand meer om ze te bemannen.

Gulle hulp die tegelijk veel kapotmaakt. Advocaat Vincent Bulathsinghala krijgt er ook mee te maken. Hij werkt sinds 1983 als vrijwilliger voor Janawaboda Kendraya, dat gevestigd is in Negombo, maar landelijk actief is. Door het soort hulp dat deze organisatie verleent, is het moeilijk geld los te krijgen. Hun voornaamste financier was Cordaid, maar die organisatie bracht na de tsunami alle fondsen naar het noordoosten over. Empowerment, mensen zelfbewust maken en emanciperen, is geen doel dat in concrete resultaten is uit te drukken, zoals nieuwe scholen, analfabetismebestrijding of bosaanplant. Maar buitenlandse organisaties, de voornaamste gelddonoren, stellen tegenwoordig strak omlijnde doelen.


Toch heeft Janawaboda Kendrayama een partner gevonden, in Microkrediet voor Moeders. Deze stichting richt zich op vrouwen in Azië. Met microkredieten van maximaal 15.000 roepie (90 euro) kunnen die voor zichzelf beginnen, of een bestaand bedrijf een kickstart geven. Dat is bittere noodzaak, omdat de kosten van het levensonderhoud in Sri Lanka inmiddels tweeënhalf keer het minimum-inkomen bedragen (30.000 tegen 12.000 roepie).

Waaruit zijn werk bestaat, zie ik als Vincent me meeneemt naar de regio Matara, aan de zuidkust van Sri Lanka. Het vissersdorpje Totamuna is zwaar getroffen door de tsunami. In de tweehonderd gezinnen van de gemeenschap vielen 143 doden. Maandelijks komt een zelfhulpgroep bijeen, soms begeleid door Vincent. Mijn aanwezigheid is nu de aanleiding om onvrede over de herstelwerkzaamheden te spuien. Die begonnen vrij snel na de ramp, met geld van de overheid en van verschillende humanitaire organisaties, zoals Prado (Italië) en CHF International (VS). Maar wie zwaargewond in het ziekenhuis lag, of buiten het hermetisch afgesloten rampgebied terecht was gekomen, stond achteraan in de rij toen de huizen en het visgerei werden uitgedeeld.

Wie wel geluk had gehad, kreeg te maken met een corrupte gramasevaka, de plaatselijke regeringsvertegenwoordiger die de tsunamigelden verdeelde, of voelde zich in de steek gelaten toen CHF plotseling vertrok zonder de huizen af te bouwen. Sommigen deden dat alsnog zelf, met het geld dat ze voor meubels hadden gekregen.

De mensen leiden me rond langs hun huizen met gescheurde muren, ingericht met plastic tuinstoelen. Het is hartverscheurend, maar ik kan niets doen. Voor de vorm maak ik foto’s van afbrokkelend plamuur. Maar na de zoveelste scheur betrap ik me op politiek incorrecte gedachten. Sommigen kregen helemaal niets en wonen nu in een houten krot. Hebben deze mensen dan wel recht van klagen? Is dat nu míjn culturele onbenul, of zijn het toch een stelletje zeurpieten?


Op weg naar Gandara voor het door Microkrediet voor Moeders gefinancierde project, blijkt Vincent mijn gevoel te delen, al kan hij het nuanceren. “Deze mensen klagen en wachten tot iemand hun problemen oplost. Als je geen geld of macht hebt, moet je als één groep naar buiten treden. Daarom moeten ze zich organiseren. Alleen zo maak je indruk. Omdat ze almaar alles cadeau kregen, zijn ze vergeten hoe je initiatief moet nemen en verliezen ze zichzelf in jaloezie en passiviteit. Daarom doen we dit werk.” Hij zwijgt even en zegt dan: “De corruptie is een groot probleem. Het is een kanker die Sri Lanka langzaam uitholt.”

In Gandara bladert Vincent tevreden door de keurig bijgehouden boekhouding. Het komt weleens voor dat het geleende bedrag nooit wordt terugbetaald, dat is ingecalculeerd, maar deze twintig vrouwen hebben zelfs al een behoorlijk bedrag gespaard. “Toch blijft het lastig met microkredieten,” zegt Vincent. “Hun mannen hebben nieuwe boten en netten cadeau gekregen, en zij moeten het geld met rente terugbetalen.”

Erlijn Sie, mede-oprichter van Microkrediet voor Moeders: “Het is eenvoudiger om het geld weg te geven. Maar je geeft microkredieten meteen reden.” Haar collega Sandra Hendriks vult aan: “Wij richten ons op de allerarmsten die bij geen bank terecht kunnen. Geld dat na een vastgestelde tijd niet terugkomt, vervalt. Dat is dan maar zo. We zijn zakelijk, maar idealistisch zakelijk. Hoe minder een groep terugbetaalt, hoe harder ze het nodig hadden.”

In 1998 was ik voor het eerst in Sri Lanka. Het noordoosten was toen niet toegankelijk, dus ik profiteer graag van de nieuwe situatie. Julip, de chauffeur van het minibusje dat me naar Trincomalee brengt, vertelt dat het in mei nog te gevaarlijk was om ’s avonds te rijden en overdag een hel door de controleposten. We nemen de route langs de zee, die is afgezoomd met ruïnes. Het is niet duidelijk of ze verwoest zijn door de tsunami of door beschietingen. Hoe dan ook een gruwelijk gezicht.


Belemmerden eerst militairen de doorgang, nu worden we regelmatig van de weg gedrukt door SUV’s van elke denkbare humanitaire organisatie. Na de tsunami streken maar liefst 220 hulporganisaties in het oosten neer. Het voornamelijk door moslims en hindoeïstische Tamils bewoonde noordoosten is van oudsher zo arm dat de VN al veertig jaar aanwezig zijn. Je vraagt je af waarom het dan nog steeds zo’n puinhoop is en hoe het dan mogelijk is dat de Tamils uit frustratie in 1984 de wapens hebben opgenomen tegen de boeddhistische Singalese meerderheid. ‘The Conflict’ maakte de armoe alleen maar erger. Het toerisme, een belangrijke inkomstenbron, heeft zich in deze streken niet meer kunnen ontwikkelen. Er is overigens nog nooit een buitenlander een haar gekrenkt door een Tamil Tijger.

‘Bagdad aan Zee’ noemt de Lonely Planet Trincomalee, een voormalige war zone. Het is inderdaad een vervuilde, vervallen gribuszooi, al komt dat niet door oorlogsgeweld. De stad is vanwege de nabijgelegen marinehaven altijd goed bewaakt gebleven. Door de constante dreiging en de controleposten op elke straathoek bleven de mensen na het donker binnen en vergaten ze hun stad te onderhouden. Om negen uur sluiten alle winkels en restaurants met het mitrailleurgeratel van rolluiken. Ik hou ervan om door een nachtelijke stad te lopen, maar in Trincomalee ben ik snel klaar. Niet dat ik me bedreigd voel. Nergens in Sri Lanka kom ik zo veel belangeloze behulpzaamheid, vriendelijkheid en gastvrijheid tegen als hier. Er is gewoon geen nachtleven. Nog niet, in ieder geval.

Samen met Microkrediet voor Moeders is Havonos (Hart voor Noord Oost Sri Lanka) een van de weinige Nederlandse stichtingen die actief zijn in het noordoosten, getroffen door én het geweld én de tsunami. Sieni Schouten uit Raalte was via haar werk bij Vluchteling Onder Dak bekend met gevluchte Tamils, en voortvarend ging ze direct na de tsunami in de hulpverlening. Havonos’ partnerorganisatie is Social Action Committee, opgericht door pastoor Gunam van de St. Joseph’s Church in Nilaveli, ten noorden van Trincomalee. Havonos verleent microkredieten, maar doneert ook geld. In vergelijking met Cordaid of Unicef is hun budget lachwekkend en tegelijk om te huilen zo klein, maar elke cent die binnenkomt gaat rechtstreeks naar de doelen. Havonos bouwt geen complete wijken voor de leegstand en doneert geen polyester boten aan vissers die een houten catamaran gewend zijn, maar laat elektriciteit aanleggen in een computerlokaal, inclusief een ventilator aan het plafond, bouwt een toiletgebouw of geeft microkredieten voor de aanschaf van landbouwzaden of een naaimachine. Dit is hulp op de vierkante centimeter, in een gebied dat veel andere organisaties overslaan.


Hoe nodig dat is, blijkt uit de ontvangst van Sieni en Cor Schouten als ze een opleidingsinstituut voor vrouwen bezoeken, dat samen met de Roman Catholic Tamil Mixed School en de daarbij behorende kleuterschool door hen en de Wilde Ganzen wordt ondersteund. Op de uitgebreide feestelijke ontvangst was niemand voorbereid, en ook ik krijg het te kwaad van de zingende kinderen en dansende kleuters die ons welkom heten. Gunam sleept ons onvermoeibaar door een druk programma, dat je voortdurend pijnlijk herinnert aan de rijkdom waaraan je als Nederlander gewend bent. Gunam is een priester van het soort dat Rome niet graag ziet: een beer van een kerel, met de voeten in de modder en de armen in de metselkuip. Hij heeft daarnaast vijf parochies onder zijn hoede. In het nabijgelegen Sampalthivu staat het multifunctionele Center for Knowledge and Wisdom, dat Havonos heeft betaald. Een van de pronkstukken is de computerzaal met twaalf blauwe iMacs. Ik heb zelf mijn bedenkingen bij het doneren van afgeschreven computers, maar Sieni zegt: “Het is beter dan niets.” Als ik een dag later terugga naar de RCTM-school om te helpen een iMac aan te sluiten, besef ik dat ze gelijk heeft. Ik spreek daar nogmaals het schoolhoofd dat om de herinrichting van zijn kantoor vroeg. “Onze school krijgt geen cent van het tsunamigeld. Waarom? Omdat de regering vindt dat Tamils geen onderwijs nodig hebben. De jongeren die een toekomst willen, gaan in het buitenland studeren. De banen hier worden ingenomen door Singalezen.” Hij vertelt over de beruchte vluchtelingenkampen bij Vavuniya en Pulmoddai. Later toont hij me zelfs een nieuw kamp, aan de weg naar Trincomalee, waar tientallen mensen moedeloos voor zich uit zitten te staren. Volgens de regering zijn de kampen voor de eigen veiligheid van de bewoners, in werkelijkheid worden ze gegijzeld om een hergroepering van de Tamil Tijgers te ontmoedigen. De frustratie druipt van hem af. “Je móet hierover schrijven. De wereld móet weten hoe de Tamils worden gediscrimineerd en achtergesteld.”


Ik snap nu zijn verzoek om geld beter. Kantoor houden in een hoekje van de kookruimte van de school, dat is de zoveelste vernedering.

De laatste dagen van mijn verblijf breng ik door in Galle en omstreken. Ik ben daar in 1998 geweest en wil zien wat de tsunami er heeft aangericht.

Ik slaap in Hotel Weltevreden, gevestigd in een van de meer dan zeventig Dutch houses die binnen de massieve muren van de zeventiende-eeuwse wijk Fort staan. Nergens in Sri Lanka is de Nederlandse koloniale erfenis beter bewaard dan hier. Het leverde Fort de status van Unesco Werelderfgoed op. Galle werd nagenoeg weggevaagd door de tsunami. De bussen lagen slordig opgestapeld tegen het winkelcentrum. Fort kwam door die vestingmuren weg met wat waterschade.

Je ziet er bijna niets meer van, maar spreek iemand aan en binnen de kortste keren gaat het over de tsunami. Aan de kust heeft nagenoeg iedereen een buur, vriend of familielid verloren.

In Weltevreden logeert een Amerikaanse studente die afstudeert op de invloed van religie op de tsunamihulp. De hulporganisaties waren in 2004 zeer welkom, maar langzaam kregen de Sri Lankaanse autoriteiten genoeg van hun katholieke, protestante, anglicaanse, methodistische, islamitische, joodse en humanistische idealen. Vooral de Amerikaanse clubs hebben de neiging de bevolking meteen maar te bekeren. Begin 2009 werd alle hulporganisaties daarom de wacht aangezegd, wat een half jaar later werd afgezwakt. Sri Lanka kan het niet alleen.

Galle is omringd door toeristische trekpleisters, zoals Unawatuna, vijf kilometer naar het oosten. Het was in 1998 mijn eerste kennismaking met een subtropisch strand als in een Bounty-reclame. Na vijftig meter waden stond je nog maar tot je middel in het lauwe water. Op het eerste gezicht is er geen verschil met elf jaar geleden, maar als ik beter kijk, zie ik dat de guesthouses en restaurants herbouwd zijn tot aan de vloedlijn. Het is duidelijk dat dankzij flink lobbyen de strenge eisen voor het bouwen aan zee niet voor de horeca golden. De halvemaanbaai is op sommige plaatsen nog maar een meter of vijf breed, en aan de zwemmers zie ik dat je na een paar stappen al tot je nek in het water staat. De vloedlijn ligt vol stukken koraal, als wrange herinnering dat ook de natuur geleden heeft. Rustig de mooiste stukken verzamelen is er niet bij; twee tuktukchauffeurs blijven hardnekkig proberen mijn interesse voor hoeren te wekken.


Empowerment, microkrediet, het zijn allemaal manieren om de bevolking na de tsunami te steunen, maar wat doe je met weeskinderen? In Habaraduwa, tussen Galle en Matara, staat het Somawathi Home, mede-opgericht door Marja van Leeuwen. Met een flinke dosis geluk (ze kreeg een halfvoltooid bejaardenhuis geschonken), gevoel voor netwerken en haar Nederlandse nuchterheid die niet week voor stemmingmakerij en corruptie kreeg ze binnen de kortste keren een perfect georganiseerd weeshuis op poten. Het Somawathi Home is volgens Nederlandse normen geconstrueerd en opgezet, met een slimme marketing en een gevoel voor publiciteit die weleens scheve ogen geven. Inmiddels is het een kinderdorp geworden; de tsunami-slachtoffertjes maken nog maar een klein deel uit van de bewoners. Als Marja me rondleidt, snap ik waarom dit zowel in Sri Lanka als in Nederland een voorbeeldproject is geworden. Er is alleen Sri Lankaans personeel en de hele regio is toeleverancier of profiteert van de faciliteiten, zoals een huisartsenpost of tandarts. De Nederlandse inbreng is naar de achtergrond gebracht, de kinderen krijgen vanaf dag één de plaatselijke en boeddhistische tradities mee.

De kinderen zijn dol op Marja en lopen in een sliert achter haar aan. Ik heb een ontroerend jongetje op mijn schouder dat me niet meer loslaat en papa noemt, maar ik ben degene met tranen als ik vertrek. En wat een contrast met wat ik zag in Nilaveli.

Ten westen van Galle ligt het surfparadijs Hikkaduwa. Tussen het erboven gelegen Peraliya en Telwatta werd de Queen of the Sea op haar zilveren jubileumrit weggespoeld. Het is het grootste treinongeluk uit de wereldgeschiedenis, met 1270 slachtoffers. Als een echte ramptoerist loop ik een stukje langs het spoor. Het is heel raar om ergens te staan waar zo veel mensen verdronken en verpletterd werden. De verbogen rails uit 2004 liggen half weggezakt in het moeras. De Queen of the Sea heeft nog tot eind 2008 op het station van Hikkaduwa gestaan als een luguber monument, met de sporen van krassende nagels van de verdrinkende reizigers nog zichtbaar.


Evenwijdig aan de rails ligt de A2, de hoofdader tussen Galle en de hoofdstad, Colombo. Aan weerszijden staan twee herdenkingsmonumenten. Een enorme zandstenen boeddha, een kopie van een van de Bamyan-boeddha’s die de Taliban in Afghanistan hebben opgeblazen. Het beeld is opgedragen aan de tsunami- slachtoffers en de ontelbare boeddhistische dagobas die vernietigd zijn. Schuin daartegenover staat het relatief bescheiden nationale tsunami-monument, een plaquette die de treinramp uitbeeldt.

Ik loop een stukje langs de weg richting Galle. Overal zie je betonnen funderingen. Ze zijn van huizen die niet herbouwd mogen worden omdat ze dichter dan honderd meter bij de zee staan. Maar de meeste mensen leven juist van de zee, ze willen nergens anders wonen. Liever in een houten hut dan zonder zeezicht. Een man die zijn zoon en vrouw verloor, heeft zijn grond inclusief ruïne hoopvol te koop gezet. Voor een pompstation, of voor een camping. Of een hotel, daar gelden die strenge regels immers niet voor.

Op mijn laatste dag in Weltevreden is het feest. De eigenaar, D. Piyasena, is jarig. Bij de taart vertelt hij de Amerikaanse studente en mij wat er gebeurde tijdens de tsunami. Dat het water tot vlak onder de acht meter hoge vestingmuren stond. Hoe hij machteloos moest toezien en horen hoe honderden mensen verdronken. “Ik ben weggegaan. Ik kon er niet meer tegen dat we niets konden doen,” zegt hij.

Zijn hotel, vernoemd naar een schip dat Nederlandse emigranten in de jaren 1950 naar Australië bracht, had geen schade. Maar de tsunami heeft indirect toch zijn verwoestende werking gehad op Fort. Sri Lanka krijgt geld van de Nederlandse overheid voor restauratie en onderhoud van de Dutch houses. “Maar ik heb al heel lang geen geld meer gezien,” zegt hij, en hij grinnikt ironisch. “Ik geloof dat de regering vindt dat ze het beter ergens anders voor kan gebruiken.”

Jack Nouws