Geboorte van een jongensclub

D66 zou nu zomaar de grootste partij van Nederland kunnen worden. Maar dat was allesbehalve wat oprichter Peter Baehr (74) voor ogen stond. ‘Ik zie D66 het liefst in de rol van pittige horzel.’

Veel mensen denken dat Hans van Mierlo D66 (toen overigens nog met apostrof) heeft opgericht. Maar in werkelijkheid begint het verhaal bij u en bij Erik Visser, twee schoolvrienden uit Amsterdam. Kunt u vertellen hoe dat ging?

“Ik kende Erik van de lagere school en van het Vossius Gymnasium. Daarna waren we samen gaan studeren aan wat toen nog de Gemeentelijke Universiteit werd genoemd: Erik geschiedenis en ik politieke wetenschappen. Erik ging vervolgens, in 1961, als buitenlandredacteur bij Het Parool werken en ik werd lector Internationale Betrekkingen aan de universiteit. We schaakten veel samen. En we hadden het vaak samen over politiek.”

Over welke onderwerpen ging het dan?

“In die tijd – de jaren zestig – was het nog gebruikelijk dat de Katholieke Volkspartij (KVP) uitmaakte wat voor kabinet er kwam. Dat wil zeggen: er waren verkiezingen, daar kwam de KVP meestal hoog uit, en dan was de vraag: gaan ze met de PvdA of gaan ze met de VVD regeren? Dat was iets wat ons erg dwars zat, dat je als kiezer eigenlijk geen greep had op wat er na verkiezingen met je stem gebeurde.

“Hét grote buitenlandse thema van die dagen was natuurlijk Vietnam. Wij waren vóór een bondgenootschap met de Verenigde Staten, maar dan wel een kritisch bondgenootschap. Die Amerikaanse bombardementen op Cambodja bijvoorbeeld, daar waren we tegen. Later bleek trouwens ook dat we voor de erkenning van de DDR waren, want dat kwam in het eerste verkiezingsprogramma van D66 te staan. Wij meenden toen – ten onrechte, naar later is gebleken – dat het gedeelde Duitsland een fact of life was.”


Op welke partij was u destijds gewend te stemmen?

“Ik geloof dat ik meestal PvdA stemde, maar ook weleens VVD. Ik had het idee dat ik als het ware tussen die twee partijen in stond, een beetje de links-liberale positie die – voor de oorlog – de Vrijzinnig-Democratische Bond had. En dat dus gekoppeld aan onze onvrede over het onduidelijke functioneren van ons kiesstelsel: dat was wat ons dreef.”

U bleek, achteraf bezien, niet de enige met dat gevoel.

“Zeker. Maar toen ik daar midden jaren zestig met Visser over zat te filosoferen, hadden we niet bepaald het idee dat we grote volksmassa’s achter ons hadden. Het was toch vooral spielerei.”

En toen kwam Hans Gruijters in beeld, redacteur van het Algemeen Handelsblad en Amsterdams gemeenteraadslid voor de VVD.

“Dat ging zo: in maart 1966 besloot Gruijters weg te blijven bij het huwelijk van Beatrix en Claus omdat hij, naar eigen zeggen, ‘wel wat beters’ te doen had. Hij werd toen direct door VVD-leider Edzo Toxopeus aan de kant gezet. Het was natuurlijk ook onnodig kwetsend van Gruijters om zoiets te roepen. Maar toch, ik vond hem, samen met Ed van Thijn van de PvdA, een van de weinige figuren die in de gemeenteraad wat leven in de brouwerij brachten. Erik en ik hebben Gruijters toen uitgenodigd voor een gesprek. In Scheltema, toen hét journalistencafé van Amsterdam. We hadden het gevoel dat we een uithangbord nodig hadden, iemand met politieke ervaring die onze ideeën naar buiten zou kunnen brengen. Dat was de rol die Visser en ik aan Gruijters hadden toebedacht.”

Gruijters nam vervolgens het initiatief voor een bijeenkomst in Krasnapolsky.


“Ja, dat was op Koninginnedag 1966. Gruijters kwam toen opdagen met een aantal bekenden en sympathisanten van hem. Dat waren voornamelijk JOVD’ers en wat collega-journalisten van Het Parool en het Algemeen Handelsblad, zoals Jan Sampiemon en Hans van Mierlo. We waren met z’n dertienen. Er moest toen natuurlijk ook een voorzitter komen. De kring werd rond gegaan, maar iedereen had wel een of ander verhaal – je kunt ook zeggen: smoes – waarom-ie niet wilde of niet kon. Ook Gruijters wilde niet. The answer is no, zei hij.”

Gruijters, zo is naderhand wel gezegd, was bang om bij de buitenwacht over te komen als iemand die wraak wilde nemen op de VVD. Vandaar dat hij liever niet vooraan wilde staan.

“Ja. Maar ik geloof dat er ook persoonlijke redenen waren, in zijn familiekring, hoewel hij dat nooit duidelijk tegen ons heeft gezegd. De enige aanwezige die op die dertigste april géén smoes paraat had, was Hans van Mierlo. Die kende ik op dat moment nog niet, behalve dan van zijn stukken uit het Handelsblad. Hij viel ook helemaal niet op in ons gezelschap. U moet zich voorstellen: we praatten daar gewoon voor de vuist weg met z’n allen, heel vrijblijvend allemaal. Het persoonlijke element speelde natuurlijk ook een rol. Ik bedoel: we waren allemaal dertigers, we woonden allemaal in Amsterdam, we hadden allemaal wat gestudeerd en ja, we vonden elkaar dus wel aardig. Maar als u toen, in 1966, tegen mij had gezegd: over 43 jaar bestaat jullie club nog steeds, zou ik u hebben uitgelachen. Dat hadden wij helemaal niet voor ogen.”

Een paar maanden later, in september 1966, verscheen vervolgens een pamflet van het ‘Initiatiefcomité D’66’, onder het opschrift ‘Appèl aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie’.


“Dat pamflet kon je voor één gulden in de boekhandel kopen, en er zat een antwoordkaart bij die bedoeld was om te peilen of er voldoende belangstelling was voor het oprichten van een nieuwe politieke partij. Dat bleek het geval, en in december is toen het officiële oprichtingscongres van D66 gehouden. Het was allemaal heel kort dag, want al in februari 1967 waren er Tweede-Kamerverkiezingen.

“Het draaide in de tekst van het appèl vooral om het hervormen van ons politieke bestel: invoering van een districtenstelsel bij Kamerverkiezingen en een rechtstreeks gekozen minister-president. Dat laatste idee had Gruijters opgepikt uit een artikel dat Jan Glastra van Loon in 1964 had geschreven in het Nederlands Juristenblad. Daarnaast had Gruijters ook heel sterk Amerika voor ogen. Hij ging daar elke vier jaar naartoe als er presidentsverkiezingen waren. Thuis had hij – dat hoorde ik later van Visser – een enorme verzameling Amerikaanse verkiezingsparafernalia. Ik dacht weleens bij mezelf dat Gruijters het liefst president van de Verenigde Staten was geworden. Maar dat kon natuurlijk niet.”

Voelde u zelf ook verwantschap met het Amerikaanse politieke bestel? Want u had tussen 1957 en 1960 drie jaar in Washington gestudeerd, aan de Georgetown University.

“Ik had het misschien iets minder dan Gruijters, maar ik vond het stelsel in de Verenigde Staten met al zijn checks and balances ook heel boeiend. Die beroemde boeken van Theodore H. White over de Amerikaanse presidentsverkie-zingen, die had ik allemaal. Ik zag ook wel de nadelen van een districtenstelsel en een gekozen minister-president, maar dat de band tussen kiezer en gekozene versterkt moest worden, ja, dat was wel iets wat ik uit Amerika had meegenomen.


“Het mooie is: D66 werd er toen tijdens de verkiezingscampagne door Barend Biesheuvel van de ARP van beschuldigd een ‘niet-Nederlandse partij’ te zijn. Dat is de grootste eer die ons ooit te beurt is gevallen. Prachtig vonden we dat! Dat was ook voor het eerst dat ik dacht: misschien stellen we toch wel wat voor, als er zo op ons gereageerd wordt.”

Hans van Mierlo was bij die Kamerverkiezingen van 1967 lijsttrekker, Erik Visser stond op nummer vijf en Hans Gruijters op nummer dertig, als lijst- duwer. Maar u was geen kandidaat. Het schijnt dat Van Mierlo u dat nogal kwalijk heeft genomen. Hij voelde zich in de steek gelaten.

“Toen we in 1966 moesten stemmen over het voorstel om een politieke partij op te richten, behoorde ik tot de minderheid die tegen was. Ik voelde aanvankelijk meer voor een pressiegroep die van buiten druk zou moeten uitoefenen op de ‘oude’ politieke partijen, zoals dat in de VS gebeurde door de Americans for Democratic Action. Maar ik heb toen ook gezegd: als jullie toch die stap zetten, blijf ik er wel bij, want ons programma vind ik prima. En wat dat Kamerlidmaatschap betrof: daar zag ik eerlijk gezegd nogal tegen op. Ik had het zeer naar m’n zin op de universiteit. En daar kwam dan nog bij dat D66 op het standpunt stond dat onze Tweede Kamerleden alle andere werkzaamheden moesten afstoten.”

D66 haalde bij die Kamerverkiezingen van 1967 vanuit het niets zeven zetels.

“Ja, dat was ongelooflijk, dat had niemand gedacht.”

Van Mierlo ging toen al snel zijn kaarten zetten op samenwerking met de PvdA. Er moest een Progressieve Volkspartij komen, zoals dat destijds heette. Was u het daarmee eens?


“Dat was toen een beroemde uitspraak van Van Mierlo, dat hij ‘met het pistool op de borst’ liever koos voor de PvdA dan voor de VVD. Ik was daar niet zo gelukkig mee. Want wie zette hem dan een pistool op de borst? Niemand toch? Van Mierlo had altijd duidelijk de machtsvraag voor ogen. Hij heeft enorm veel voor D66 betekend, laat ik dat voorop stellen. Dat er in 1994 een Paars kabinet kwam, waarbij eindelijk een einde kwam aan de vanzelfsprekende regeringsdeelname van de confessionelen, was misschien wel zijn grootste verdienste.

“Maar zelf ben ik D66 altijd meer blijven zien als een luis in de pels, zowel van de VVD als van de PvdA. En om die rol te kunnen spelen, hoef je niet eens zo verschrikkelijk groot te worden. Neem de huidige D66-fractie. Alexander Pechtold laat zich in de Kamer echt de mond niet snoeren, hoewel hij maar drie zetels heeft. Als je goede ideeën hebt en die duidelijk presenteert, kun je ook met een kleine fractie druk uitoefenen. Maar ik denk dat er geen enkel Kamerlid is dat er zo over denkt. Kamerleden denken in meer zetels halen.”

U zegt eigenlijk: D66 kan maar beter een beetje klein blijven.

“Oei… komt dat straks als kop boven uw stuk te staan? Dat heb ik natuurlijk liever niet. Maar inderdaad: de rol van pittige horzel, dat spreekt mij het meest aan.”

U kent natuurlijk de peilingen voor D66.

“Ja, 22 zetels, 25 zetels, zoiets. Ik gun het ze van harte hoor, maar het is belachelijk. Een links-liberale partij, in Nederland, dan mag je met tien of twaalf zetels héél tevreden zijn. Maar zoals het nu gaat, met iedereen tegen Wilders… Terecht, ik steun dat, ik ben het ermee eens dat D66 dat doet. Maar meer dan twintig zetels voor D66 betekent alleen maar dat de andere partijen het hebben laten liggen, dat het daar niet goed loopt. Neem de PvdA, die partij is inmiddels op sterven na dood. Ik ben daar heel ongelukkig over. Nederland hoort een sterke sociaal-democratische partij te hebben.”


Uw voormalige kompaan Erik Visser heeft in 1976 bedankt voor D66 en werd vervolgens lid van de VVD. Hans Gruijters zegde in 2004 zijn lidmaatschap op. U hebt het nooit aan de grote klok gehangen, maar ook u bent sinds september 2003 geen lid meer van D66.

“Ik ben in mei 2003 nog naar het partijcongres geweest in Rotterdam, waar gestemd werd over deelname van D66 aan het kabinet-Balkenende/Zalm. Ik had toen al twijfels over mijn lidmaatschap. Boris Dittrich had direct na de verkiezingen gezegd dat er, gelet op de uitslag, geen enkele reden was voor D66 om in de regering te gaan zitten. Prima uitspraak! Maar toch, een paar maanden later, nadat de heren van de PvdA en het CDA het niet met elkaar eens hadden kunnen worden, moest D66 zo nodig als reddende engel optreden. Daar was ik het dus volstrekt niet mee eens. Maar ja, benefit of the doubt, waarbij natuurlijk ook meespeelde dat ik veel mensen van D66 al heel lang ken. Ik wilde ze niet afvallen, hoewel ik al geruime tijd geen actief lid meer was. Toen ik een paar maanden later uiteindelijk toch die bedankbrief schreef, was dat met grote aarzeling. Ik vond het heel vervelend en ik heb er weken over zitten puzzelen. Wat voor mij de doorslag gaf, was dat D66 toen als regeringspartij het vluchtelingen- en asielbeleid van minister Verdonk mogelijk maakte. Bij zo’n club voelde ik mij niet langer thuis.”

En nu?

“Dat is sindsdien wel veranderd. Het is alweer zes jaar geleden.”

U stemt nog wel altijd op D66?

“Niet altijd, ik heb ook weleens op GroenLinks gestemd. Maar op dit moment zou ik zeker op D66 stemmen. Ik vind dat ze een goed alternatief bieden. En zoals ik al zei: ik vind dat Pechtold het prima doet. Als minister was ik wat minder gelukkig met hem. Daarom vond ik het ook heel goed dat hij heeft gezegd dat hij zelf niet opnieuw in de regering wil. Ik hoop dat hij zich daaraan houdt. Dat lijkt me belangrijk, als je zo’n uitspraak doet.”


U zou eigenlijk zo weer partijlid kunnen worden, toch?

“Zou kunnen.”

Maar?

“Erin, eruit, erin, dat ligt mij niet zo erg. En ach… het is verleden tijd, ik ben daar nu te oud voor.”

Peter Baehr (1935), ten tijde van de oprichting van D66 lector Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam, werd later hoogleraar in Amsterdam (1969-1976), Leiden (1987-1996) en Utrecht (1990-1998). Ook was hij tussen 1983 en 1987 lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Erik Visser (1935), aanvankelijk redacteur van Het Parool, maakte van 1967 tot 1972 deel uit van de D66-fractie in de Tweede Kamer en keerde daarna terug in de journalistiek. Hij overleed in 1997.

Hans Gruijters (1931) was voor D66 lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland (1970-1971) en de Tweede Kamer (1972-1973) en maakte van 1973 tot 1977 als minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening deel uit van het kabinet-Den Uyl. Van 1980 tot 1996 was hij burgemeester van Lelystad. Gruijters overleed in 2005.

Roelof Bouwman