‘Niks is een probleem’

Hij bepaalt wat er bij BMW, Mini en Rolls-Royce de weg op gaat. En dat terwijl het twintig jaar geleden nog maar de vraag was of er toekomst zat in design. Adrian van Hooydonk (1964), hoofd design BMW, waagde het er met zijn koppige karakter toch op. ‘Als designer moet je heel erg overtuigd van jezelf zijn.’

Onze directie zegt dat ik eigenlijk verantwoordelijk ben voor de banen van honderdduizend man. Elke keer als ze mij zien, maken ze een paar grapjes: “Denk eraan, alles maar dan ook alles hangt van jou af!” Het is ook wel een beetje zo; uit elke studie blijkt dat bij onze merken het design koopreden nummer één is. Wat mensen zien, moet zo aantrekkelijk en interessant zijn dat ze willen weten: wat is dat, hoe kan ik eraan komen en waar kan ik een proefrit maken?

Meer dan deze baan kan ik me nauwelijks wensen; je zou het wel mijn droombaan kunnen noemen. Ik leid een grote groep mensen, kan zelf projecten opstarten. Praktisch gezien ben ik sinds half 2009 als hoofd design verantwoordelijk voor 450 man personeel. BMW valt eronder, maar ook Mini, Rolls-Royce, BMW-motorfietsen, Husqvarna-motorfietsen. En dan hebben we nog een gedeelte dat Design Works heet, een product-designbureau. Mijn vrouw werkt daar als designer; we hebben samen een keer een bank ontworpen.

Ik ben binnen BMW groot geworden; zeventien jaar werk ik daar nu. Als kleine designer begon ik. Vijanden heb ik volgens mij niet gemaakt onderweg, ik heb altijd tegen iedereen “hallo” gezegd en ben tegen iedereen aardig geweest. Dat herinneren mensen zich. Er zijn mensen die dat niet hebben gedaan, of die in een bepaalde periode heel verbeten aan hun carrière hebben gewerkt en een paar mensen hebben overgeslagen; dat werkt later in hun nadeel. Je hoeft niet iedereen aardig te vinden om er aardig tegen te zijn; normaal doen kan altijd. Het hangt er ook een beetje van af of ze aardig zijn tegen mij. Nou is het wel zo dat ze gelukkig tegenwoordig erg aardig tegen me zijn!


Voor mij was design een onzekere toekomst. Ik ben begonnen met de studie industrieel ontwerpen omdat ik graag tekende, maar het was destijds totaal onzeker of je met design je geld kon verdienen. De opleiding bestond toen pas een jaar of twintig, en het was niet zoals nu dat er door iedereen wordt gepraat over het design van een telefoon, een auto of wat dan ook. Er zijn nu designhotels en designrestaurants; het woord alleen al heeft nu een heel andere betekenis dan twintig jaar geleden. Ik studeerde ook design om een beetje uit te breken. Eigenlijk wil je vrij zijn en creatief, en spelen. Of ik nu nog vrij ben met honderden mensen onder me en een miljoenenbudget, dat is een mentale kwestie. Al die mensen voor wie ik verantwoordelijk ben, zijn er niet mee geholpen als ik alleen maar aan die druk denk, of bang ben. Van huis uit ben ik optimistisch. Je kunt je weleens ergeren, maar het woord zegt het al: je ergert je. Dat doe je dus zelf. Het is mijn filosofie dat niks een probleem is als je dat zelf niet wil.

In deze tijd van grote veranderingen in de wereldeconomie staat de automarkt ook onder druk natuurlijk. Als designers hebben we juist in dit soort periodes meer werk dan ooit tevoren, we hebben een enorme rol. In een tijd waarin geld krap is, geven mensen het minder snel uit en verwachten ze meer van een design. Als ontwerper moet je aanvoelen wat mensen over drie jaar willen. Ik ben nu bezig met auto’s voor 2014, en die zijn in 2022 nog op de markt.

Als een auto de weg op gaat die jij hebt ontworpen, is dat hartstikke leuk. Dat gevoel ken ik wel, een auto om de hoek te zien komen die van jouw hand is. Maar ik ontwerp nu meer met mijn mond; ik vertel de ontwerpers niet precies hoe ze het moeten doen of hoe het eruit moet zien, maar ik probeer te omschrijven waar het naartoe moet, dan hebben zij de vrijheid. Bij de concept car die we laatst hebben gemaakt, heb ik bijvoorbeeld gezegd dat het sciencefiction moest zijn; daar gaan ze dan mee aan de slag. Als het klaar is, heb ik het gevoel dat ik er net zoveel aandeel in heb als de ontwerpers. Maar natuurlijk is degene die de eerste pennestreek heeft gezet wel extra trots. Die denkt: Natuurlijk heeft Van Hooydonk mijn schets uitgekozen, want ik had het beste ontwerp. Designers zijn heel erg overtuigd van zichzelf, en dat moeten ze ook zijn.


Bij BMW wordt met een ontwerpcompetitie gewerkt, collega’s onderling moeten pitchen. Ik heb die als designer vaker gewonnen. Ik geloof dat je met een ontwerp succesvol kunt zijn als het nieuw is maar niet te gecompliceerd. Dat soort ontwerpen maakte ik. Ik zorgde ervoor dat mijn ontwerpen opvielen. De chefs reageren op kleur, op perspectief; dat wist ik. En als je dan bent uitgekozen, hoor je bij de vijf die een model gaan maken. Dan wordt het echt lastig, omdat er technische dingen moeten worden opgelost. Het komt er dan op aan hoe goed je met de ingenieurs kunt opschieten. Kun je ze overtuigen? Er komt een punt dat ze zeggen: “Het gaat niet.” Als je dan zegt: “Het moet,” dan zijn ze vertrokken. Je moet ze zo ver krijgen dat ze bijna medelijden met je hebben en een oplossing voor je gaan zoeken. Ingenieurs willen ook trots kunnen zijn op een ontwerp. Maar hun onderdeel zit onder de motorkap, en als zij het design niet mooi vinden, gaan ze hun best niet doen.

Mijn vorige chefs hebben weleens gezegd dat ik koppig ben. Als mijn chef zei: “Waarom doe je het niet zo?” Dan zei ik: “Neuh, ik laat het zoals het is.” Dat vonden ze altijd wel grappig, dat ik dat durfde. Ik ben nooit bezig geweest met carrière maken. Er wordt wel gezegd: je moet erachteraan zitten als je hogerop wil komen. Maar ik geloof dat als je het werk waarvoor je verantwoordelijk bent zo vlot doet dat het je geen moeite meer kost, een chef vanzelf op de gedachte komt om je meer te laten doen. Dat is bij mij steeds gebeurd. Misschien was het af en toe een tik te veel, zoals de afgelopen maanden dat ik steeds veertien uur per dag werkte. Als ik dat nog lang zo doe, zie ik er misschien ook eens uit alsof het me allemaal waanzinnig veel moeite kost. En misschien laten ze me dan een keer eerder naar huis gaan…


Ik heb mijn carrière tot nu toe als een heel interessante rit ervaren. Veel verhuisd ben ik, naar Italië, Amerika, en nu woon ik sinds vijf jaar in München. Ik heb veel interessante mensen leren kennen van wie ik ook weer afscheid moest nemen. Dat kun je als een offer zien. Maar reizen was precies wat ik wilde. Als student had ik al het idee dat Nederland wel een goed land was om in op te groeien, maar dat ik de rest van de wereld ook wilde zien. Ook al zat ik als kind met een boekje in een hoekje. Mijn broers en zussen hadden nooit gedacht dat dat jongetje iemand zou worden die zalen met vijftienhonderd mensen toespreekt tijdens lezingen. En dat had ik zelf ook nooit gedacht; dat plan je niet.

Over twee weken: Hans Teeuwen

Sara van Gorp