Weer op zoek

Twee jaar geleden was Rutger Huizenga (34) nog de jongste hoofdredacteur ooit van een landelijke krant en een ongeneeslijke flirt. Totdat hij in korte tijd zijn vader, werk, vriendin en in zekere zin zijn moeder verloor. Nu is hij moeizaam op zoek naar een nieuwe relatie.

“Rot op, trut.”

Ik had het kunnen zeggen. Had. Want ik kwam haar uiteindelijk toch niet tegen op het Lowlandsterrein afgelopen augustus. Ergens was ik daar blij om, want godallemachtig, wat had deze mevrouw mij genaaid. Drie maanden lang geduw en getrek, dan weer wel geïnteresseerd, dan weer niet.

’s Nachts opbellen dat ze me miste, maar de volgende ochtend doen alsof het telefoontje nooit gepleegd was. Of nog erger: mij het idee geven dat ik haar gebeld had. Psychologische manipulatie, maar ik tuinde er met open mond in.

Duizend keer worden afgewezen; ik geef het een man te doen. Maar ingeruild worden voor een Lowlandsticket, dat had zelfs ik nog nooit meegemaakt. Ik kreeg het sms’je een week voor het festival begon. “Rutger, ik ga naar Lowlands met Michiel, niet dat ik überhaupt ook maar iets te verdedigen heb richting jou, maar ik wilde het je nog wel even melden.”

“Wat een hoer, zeg, ze lag dus al drie maanden te neuken met een ander. Je wijst haar wel aan, hè,” zei vriend één, inmiddels op het terrein. “Ik heb al een Lowlands-ticket voor volgend jaar en dat wil ik haar vast laten weten. Vind je niet erg, toch?” Ik lachte besmuikt, maar het ging van kwaad tot erger, tot opeens alle vrienden met zelfgemaakte Lowlandstickets voor het jaar erop zwaaiden. Ik gierde net zo hard mee, maar verslikte me in mijn eigen spanning. Ik was namelijk echt stapelverliefd geworden op dit meisje, had mijn hart aan haar gegeven, zoals ik het zes maanden eerder had geschonken aan Saskia en anderhalf jaar terug aan Sylvia, Caroline en – eerlijk is eerlijk – later een klein beetje aan Mireille, Lotte, Sylke, Anne en Christianne, maar steeds zonder blijvend succes. Of erger nog: zonder enig succes whatsoever.


Waar is het fout gegaan?

Wel, op 24 mei 2007, om precies te zijn.

“Hoeveel vrouwen van je lopen hier eigenlijk rond?” De kist met mijn vader is koud geland of een ex-collega neemt me apart. “Twee,” gniep ik. “De derde heb ik maar niet laten komen.” Ik maak geen geintje. De week voorafgaand aan de begrafenis ligt er elke dag een andere vrouw in mijn bed. Zo is daar Sylvia, die volgens mij letterlijk opgewonden raakt van mijn verdriet. Het geeft haar het gevoel dat ik dicht bij haar sta. Dat is ook zo, alleen ligt de dag erna wel Caroline, toen al mijn ex-vriendin, naast me. Met mijn derde fling, de Haagse Mireille, is het – gelukkig maar – kort daarvoor wat doodgebloed. Anders was het wel erg druk geworden. Terugkijkend had het ook niet goed kunnen lopen.

En dat deed het ook niet. Door de plotselinge dood van mijn vader raakte ik, eh, op z’n zachtst gezegd gestresst. Begon fouten te maken op het werk, leunde op vrienden. En dat was niet de bedoeling. De eerste die afhaakte, was Sylvia. Ze had al wat afstand genomen, maar dat kreeg wel een enorme, merkwaardige ommekeer toen ze zich op een avond meldde met de vraag: kan ik je bellen over een man? “Geen probleem,” zei ik nog, maar toen bleek dat ze wilde vertellen hoe hartstochtelijk de man in kwestie wel niet was, flipte ik. De tweede was Caroline; ze had volgens mij iemand anders gevonden. Mireille liet al helemaal niets meer van zich horen.

Op mijn werk gleed ik steeds verder af, helemaal toen tot overmaat van ramp moeder Huizenga op een dag de telefoon nogal verward aannam. Ze bleek erg aangedaan door de dood van mijn vader. Op het werk was er weinig coulance. Sterker nog: de weg downhill die ingezet was, liep uit op een verschil van mening met de uitgever. En daar sta je opeens: van talentvolle jongeman tot schlemiel met alleen een dak boven zijn hoofd. Tot zelfs ook daar, door een lekkage, letterlijk de gaten in sprongen.


Is dit nou wat ze bad karma noemen?

25 oktober 2009. Kroeg De Drie Gezusters in Amsterdam. Beschaamd plaats ik het potje pindakaas voor me op tafel. Daaraan kan ze me herkennen. ‘Ze’ is Liesbeth, mijn blind date op deze avond, geregeld door een internationale dating- organisatie. Liesbeth is nogal, eh, in your face. Terwijl ik naar haar kijk, bedenk ik dat er eigenlijk wel drie Rutgers in één Liesbeth passen. Ze woont sinds een maand in een nieuw appartement en vertelt uitgebreid over de ruzie met haar buurjongen die iedere nacht ‘kutwijf!’ dwars door de muur heen schreeuwt.

Even later blijkt dat ze haar buurjongen nog nooit heeft gezien, en zij hem ook niet. Liesbeth is het gewend om irritatie op te roepen, zegt ze. Bij drie werkgevers konden ze niet met haar omgaan, om over mannen nog maar niet te spreken. Ik durf er verder niet naar te vragen. Het enige wat ik wil is weg. Liesbeth denkt daar anders over en grist de pindakaas van de tafel. Beteuterd kijk ik vijf minuten lang hoe ze de Calvépot in haar veel te krappe handtasje probeert te proppen. “Ga ik natuurlijk wel lekker opeten thuis,” schmiert ze. “Zullen we nu naar de afterparty gaan?” Ik wil weg, echt weg, maar ik geef geen krimp en ga moeiteloos mee. Kan iemand mij alstublieft uitleggen waarom ik dat doe?

Via een fotoshoot kom ik in contact met een bekende freelancefotografe van vroeger. Enthousiast vraagt ze me aan haar keukentafel hoe het is met de vrouwen. Beschroomd vertel ik van mijn kinderlijke fling met het Lowlandsmeisje die eigenlijk niet eens een fling was.


“Ze was ook wel heel erg jong, 25,” zeg ik stoer. Ze geeft geen krimp.

“O, maar dat kan toch prima, want hoe oud ben jij? 45 toch?”

Pardon? “45, nee joh, 34. Hoe kom je daar nou bij?”

Nu begint ze wel wat te schutteren. “Nou ja, je hebt een wat ouwelijke uitstraling, wijkende haargrens en zo. Niets mis mee, hoor.”

Ze wil aan het werk. Er moet een foto gemaakt worden, ook eentje waarbij ik mezelf in de spiegel moet aankijken, maar ik kan me niet meer concentreren en kom steeds terug op haar opmerking. “Joh, maak je niet druk,” zegt ze. “Je moet er juist trots op zijn. Veel jongens van jouw leeftijd zijn nog kinderlijk; jij bent tenminste volwassen.”

“Maar wat zou jij dan denken als ik zeg dat jij eruitziet als zestig terwijl je 36 bent?” spiegel ik haar voor.

Oeps. Wrong question. De sfeer wordt direct ijzig. “Zie ik er oud uit dan?” Later hoor ik dat ze mijn reactie achteraf wel wat overtrokken vond.

Sterker nog: “Hij mag er dan wel uitzien als 45, hij reageerde als een vijftienjarige.”

Enfin, de dag erna direct maar een potje haargroeimiddel gekocht via internet.

De opmerking is des te pijnlijker omdat ik sowieso op jongere vrouwen val. Zo heb ik vorig jaar – naast het Lowlandsmeisje – een korte fling met Saskia. Ze is 28, werkt als documentairemaakster en is, als ik haar in een Amsterdams café ontmoet, net van haar vriend af. Ik kom er al snel achter dat Saskia dweept met alles en iedereen die het beter doet in het leven dan zij. In haar beleving geldt dat ook voor mij als ex-hoofdredacteur. Dat ik op dat moment zo werkloos ben als maar kan, hetgeen overigens inmiddels weer helemaal goed gekomen is – dringt volgens mij niet echt tot haar door. Ze noemt me al snel haar vriend, terwijl we het nog nooit hebben gedaan. Dat ligt overigens aan mij, want geprobeerd hebben we het wel. Alleen: ik bak er weinig van. Voel me totaal niet op mijn gemak.


Saskia vindt het allemaal geen probleem, noemt me de beste minnaar ooit en blijft me hartstochtelijk sms’en. Ze zegt dat ze me zo verschrikkelijk leuk vindt, zo verschikkelijk leuk. “Sterker nog: ik vind je leuker dan jij jezelf vindt.”

Nooit geweten dat je dus ook met een compliment afscheid van iemand kan nemen, want ik heb daarna niets maar dan ook niets meer van haar gehoord.

Uit de affaire met Saskia trek ik wel een les: je moet wel echt klaar zijn om weer te daten. Ten tijde van haar was ik dat dus niet. Te druk met rouwen. Les twee is dat de ander er ook goed in moet staan. En daar begint bij mij de schoen te wringen, want waar ik vroeger wel gedeeltelijk doorhad wat goed voor me was, ben ik die gave door de gebeurtenissen van de laatste twee jaar wat kwijtgeraakt. Zo stuit ik via een datingsite op Eva. Eva is een 32-jarige partyproducer en zoekt een compatible man, die net als zij hartstochtelijk, reislustig, creatief, geordend, knap, lang, slank, inspirerend, sportief, ambitieus, intellectueel, lief, brutaal, gezellig, sociaal, bevlogen, betrouwbaar en niet saai is. Ze sluit haar mail af met: ik ben voor mijn werk per jaar zes maanden op reis, dus als je daar niet tegen kan, niet reageren.

Hoewel ik me totaal niet in haar ideale man herken, reageer ik toch en krijg ik binnen drie mails haar telefoonnummer. De boodschap is duidelijk: ik moet haar nu bellen. Het is inmiddels twaalf uur ’s avonds en ik wil eigenlijk slapen. “Je belt me nu of nooit,” mailt ze. Pardon? “Nee, ik bel morgen.”

“Dat doe je niet.” “Dat doe ik wel. Echt.”

“Klootzak, zout op.” Het laat zich raden: ook van deze vrouw heb ik nooit meer iets gehoord.


Door types als Eva kom ik er snel achter dat je profielen op datingsites dus omgekeerd moet lezen. Zegt iemand niet op zoek te zijn, dan staat ze zo droog als wat. Is iemand lief, hoed je dan maar! En komt iemand net uit een fantastische relatie, dan is ze helemaal krom geslagen, honderd procent!

Anyway, tussen de regels door lezend stuit ik toch op een ex-model, genaamd Anne. Ze heeft het prima naar haar zin in het leven (lees: is zwaar depressief), heeft een goede baan (een kutbaan dus) en een leuke vriendenkring (denkt dat haar telefoon kapot is, maar is dus al in drie maanden door niemand gebeld).

Zowel het echte als het omgekeerde profiel spreekt me echter zo aan dat ik al snel met haar afspreek. Bij de eerste afspraak oogt ze vermoeid. Ze komt letterlijk gapend binnen en heeft volgens mij de weg naar haar huis op de tast gevonden, want haar ogen zijn de hele avond niet opengegaan. Desalniettemin zien we elkaar nog een keer. Ook deze keer kan ze nauwelijks wakker blijven. Na een bios-coopje en een drankje probeer ik haar warm te krijgen voor een potje tennissen, de volgende keer. Ze kijkt me aan alsof ik een rijke Amerikaan ben die een tandenborstel wil verkopen aan een uitgehongerde Ethiopiër, maar stemt wel in. Terwijl onze tennisdate nadert, raak ook ik echter steeds vermoeider, en ik ben zowaar blij als ze zich daags voor de afspraak afmeldt met de mededeling dat ze weer terug is bij haar ex-vriend.

Blijkbaar doe ik iets fout, want mijn vrienden hebben meer succes. Zo krijg ik het verhaal te horen van Marc die – zijn erg grote brilmontuur ten spijt – het hele land rondrijdt om seks te hebben met vrouwen die hij opduikt via Relatieplanet. Man, man, man, hij kan de benzine haast niet meer aanslepen, zegt-ie. Het huilen staat me nader dan het lachen bij het aanhoren van zijn verhaal, maar daar weet een andere vriend, Sander, wel weer raad mee. Ik moet eens echt gaan huilen. “Daar kicken de vrouwen op.” Zo had hij laatst toen hij met een meisje was door een splinter wat waterige ogen, hetgeen leidde tot ‘de beste seks ever’. “Ze stopte gewoon niet meer. Echt ongelooflijk. Ik heb het gewoon maar laten stromen daarna. Pijn in mijn ogen dat ik had, joh.”


Eh, wil ik dit horen?

Nee dus. Niet alleen omdat mijn eigen verhaal er wat summier bij afsteekt (Seks, ik lees er weleens over!), ook omdat het steeds minder mijn interesse heeft. Ik heb door alles wat er de laatste jaren is gebeurd behoefte aan iets serieus. Wil weer een basis voelen. Als een kennis op de proppen komt met een vrijgezelle vriendin die al een kind heeft, dus in mijn ogen bewust in het leven staat, hap ik dan ook gretig toe. Ze is 33 en woont in Bussum. Ideaal! Daar ben ik twintig jaar geleden zelfs nog een uur geweest, dus gespreksstof genoeg, dunkt me.

Het gesprek in een Amsterdams café loopt soepel. Temeer omdat Sylke alles door een roze bril ziet en ik dat wel kan gebruiken. Met alles bedoel ik dan ook alles. Biertjes komen niet door, ‘Geen probleem’, vrienden die uit je leven verdwijnen, ‘Het zal wel een bedoeling hebben’. Terwijl ze haar vegetarische maaltijd – ‘heel erg lekker’ – naar binnen werkt, zegt ze: “Mocht ik nu een vliegtuigongeluk krijgen, dan ben ik eigenlijk volmaakt tevreden.” Ik heb nog nooit iemand zoiets positiefs met zo’n treurig gezicht horen zeggen, maar zelfs dat vind ik aantrekkelijk.

Ze sluit de avond af met: “Het ging goed,” hetgeen ik beaam (al miste ik het voorvoegsel ‘erg’ voor goed wel heel erg). Desondanks wacht ik met een nieuwe afspraak maken. Eerst maar eens via onze gezamenlijke kennis afwachten hoe ze het echt vond. Nou, leuk dus. Errug leuk. Maar ze was er toch achter gekomen dat ze niet op zoek is naar iets serieus. En dat terwijl ik haar vier maanden lang had moeten overtuigen om überhaupt iets te ondernemen met me, want ze was nog aan het bijkomen van een mislukte vorige relatie. “Maar het was wel erg leuk, hoor.”


Ik weet het niet, hoor, maar volgens mij doe ik iets faliekant mis. Wist ik alleen maar wat!

Sms. Mijn Thaise schoonmaakster.

“Hello Rutger. Tomorrow at eight o’clock I am in you.”

Hoho, niet zo snel. Ik ken haar nog amper. Te kort voor zo’n aanbod in ieder geval. Maar er is geen woord van gelogen: inderdaad precies om acht uur is ze ‘in me’. Terwijl ze de keuken afstoft, vertelt ze in even gebrekkig Engels dat Myrthe, het Lowlandsmeisje bij wie ze ook schoonmaakt, verhuisd is. Ze woont nu bijna letterlijk bij me om de hoek. De spanning stijgt me naar de keel. Ik heb haar drie maanden niet gesproken en gezien, maar eigenlijk geen moment niet aan haar gedacht. Ook niet toen ik met de superstrakke Wendy – superstrak want zwaar aan de coke – op date was. En ook niet toen ik aanschoof bij een speeddate in club Panama, en zelfs niet toen ik zoende met Christianne, een meisje met wie er wel degelijk een klik was. Myrthe was er altijd bij.

Ik ben dus nog steeds verslaafd. Want hoe kun je een zucht naar iets wat niet goed voor je is anders noemen? Daar komt nog eens bij dat om me heen de ene na de andere vriend afvalt, kinderen krijgt, trouwt of zelfs de stad verlaat en ik nog met moeite vrienden kan porren om op te treden als chaperons tijdens avondjes uit. Is vrijgezel zijn als mid-dertiger eigenlijk wel leuk? Ik weet het niet: op het witte doek ziet het er beter uit.

Stop. Rewind. 26 januari 2006. Glazen klinken. En terecht. Het is mijn verjaardag, en die vier ik met mijn vader, moeder en natuurlijk Caroline. Zes jaar zijn we nu samen. Eigenlijk hebben we het ontzettend leuk met elkaar, maar op de een of andere manier zie ik het al een tijdje niet zitten. Wil ik vrijgezel zijn. Ik zeg het haar niet, maar denk het wel. Als het eindelijk misloopt – ze ontmoet een ander na herhaaldelijk te hebben aangegeven dat het niet goed gaat tussen ons – laat ik het lopen. Ook als ze haar fout inziet en mij daarna met alle macht terug probeert te krijgen. Mijn familie steunt me, maar begrijpt mijn wens om vrij te zijn na een tijdje ook niet helemaal meer.


Nu, na twee jaar vrijgezel zijn, kan ik ze (deels postuum) definitief gelijk geven. Ik eigenlijk ook niet.

Rutger Huizenga