De prins van Hollywood

Na bijna een decennium van drugsexcessen en zelfs twee celstraffen is Robert Downey Jr. nu helemaal terug met hits als Iron Man en Sherlock Holmes. Een portret én een gesprek. ‘Dit zijn de salad days, de beste jaren van mijn leven.’

Robert Downey Jr. is in full Iron Man-mode. Zijn linkerhand hangt losjes uit het portierraam van zijn zwarte Bentley. Tussen wijs- en ringvinger heeft hij, net als zijn meest succesvolle filmpersonage ooit – Tony ‘Iron Man’ Stark -, een patserige Cohiba geklemd. Tegen zijn rechteroor zit een iPhone G4 geplakt en ontspannen achteroverhangend in het buffelleer laat hij het gesprek binnenkomen. En dit is niet eens een filmset. Dit is de pompeuze oprit van het Four Seasons Hotel in Beverly Hills met zijn Romeinse zuilen en ruisende fonteinen. “Ik heb de opnamen van Iron Man 2 net afgerond, en ik vind het altijd weer lastig om een personage van me af te schudden,” licht Downey met een grimas toe, als hij een kwartiertje later zijn bolide (een cadeautje van filmstudio Marvel) heeft ingeleverd bij de valet en zich heeft gemeld op de veertiende verdieping voor zijn interview met HP/De Tijd. Hij ziet er patent uit. Gezond gebruind. Lenig en afgetraind. Alert. Vier- enveertig is hij nu. Pás. “Dit zijn de salad days, de beste jaren van mijn leven,” zegt Downey. “Ik voel me sterk en machtig. Ik zit helemaal in mijn comfort zone. En als je het existentialistisch zou willen benaderen: dit is de leeftijd dat je bij de negende hole achterom kunt kijken en dat veel dingen niet meer zo urgent zijn, dat je beseft dat waardering van buitenaf soms totaal niet belangrijk is. Sterker nog: het kan me geen fúck meer schelen. Het is fantastisch om de Oscar niét te winnen. Dan kun je naar huis en hoef je naderhand niet naar al die feesten.”

Zijn meest recente Academy Award-nominatie is trouwens van 2009, voor zijn bijrol in de waanzinnige inside-comedy Tropic Thunder. Hierin zien we hem als een Australische filmster, die een Amerikaanse method actor speelt, die weer in de (zwarte) huid kruipt van een Afro-Amerikaanse Vietnamsoldaat. Jawel. Inclusief accenten en maniertjes natuurlijk. Of om Downey in de film zelf te citeren: “I’m a dude, playing a dude, disguised as another dude.” Een klusje dat eigenlijk alleen Hollywoods meest begenadigde talent kan klaren. Enkele maanden daarvoor verraste hij vriend en vriend (Robert Downey Jr. heeft geen vijanden in de filmwereld) met het atletische actiespektakel Iron Man, dat hij als karakteracteur een artistieke lading gaf, ongeveer zoals Johnny Depp dat met Disney’s Pirates of the Caribbean deed. Ook Iron Man zal nu een lucratieve franchise worden, om te beginnen als trilogie. Tenslotte bracht de eerste editie een veelbelovende zeshonderd miljoen dollar op. Downey zelf kocht van zijn salaris alvast een loft in het trendy Venice Beach. “Austin Powers, maar dan in de 21ste eeuw,” zo omschrijft hij de inrichting met staal en glas. Het is zijn eerste eigen huis sinds jaren. Ja, het leven kán goed zijn in Los Angeles. “Dit is de mooiste stad in de mooiste staat in het mooiste land ter wereld,” zegt hij. Kom, wenkt Downey, als hij vanuit de anonieme aircolucht het balkon op stapt, de zwangere warmte van Californië in, en naar een zinderend panorama van bergen, boulevards, palmen en plukjes skyline wijst.


“Kijk, dat is het Cedars-Sinai-ziekenhuis, daar is mijn zoon geboren. Iets verderop, op La Brea Avenue, heb je Pink’s Hotdog-stand, heerlijk. Die bergen: twintig minuten lopen en je merkt niets meer van de stad en het gewoel. Links zie je Sunset Plaza, waar je vooral Europeanen kunt zien lunchen, die toch altijd meer geld lijken te hebben dan wij Amerikanen, haha. En Beverly Hills ligt hieronder. Dat is uiteraard altijd een freakshow.”

En Robert, maar dáár dan, vlak achter de glimmende skyscrapers van downtown LA, kom je daar nog weleens? “East-LA…?” fronst hij. “Neuh, dat is voorbij.” Ooit was Robert Downey Jr. namelijk een fulltime junkie en de horse en crack kwamen vooral daar vandaan. Zijn verslaving noemt hij nu overigens zijn bad dog, die hij pas redelijk recent definitief van z’n hielen heeft kunnen meppen.

De verloren jaren daarvoor is hij een notoire draaideur-celebrity, bijkans een decennium lang. Sinds zijn eerste arrestatie in 1996 – als hij op de Pacific Coast Highway staande wordt gehouden en de LAPD heroïne, cocaïne, alsmede een .357 Magnum-pistool in zijn Ford Explorer ontdekt – raast hij als een losgeslagen mijnkarretje in een negatieve spiraal langs politiebureaus, rechtszalen, afkickklinieken en gnante situaties. Zo wordt hij na een halve overdosis bewusteloos aangetroffen in het huis van zijn buren in Malibu. Onuitgenodigd is-ie daar in het bedje van hun achtjarige zoontje neergezakt. Door de rechtbank verordonneerde drugstesten mist hij bovendien flagrant en alle schendingen van zijn voorwaardelijke straffen leveren hem uiteindelijk een gevangenisstraf op, hard time. “Kan me niet schelen wie je bent,” zegt de rechter. De gewezen wonderboy moet brommen in de Los Angeles County Men’s Central Jail, waar de meeste gedetineerden veroordelingen wegens moord en verkrachting uitzitten (O.J. Simpson verblijft er ook, alweer). Downey & Out in Beverly Hills, toetert Entertainment Weekly dat rampjaar, 1998.


Hij praat er niet graag over. Niet omdat hij zich schaamt (“Welnee, mijn gevangenisverhalen waren op feestjes een gegarandeerd succes. Iedereen luistert als je vertelt dat je opeens wakker wordt in je eigen plas bloed”), maar Downey vindt het ‘niet meer passen bij wie ik nu ben’. Aanvankelijk weet hij als inmate 5478610 zijn medegevangenen nog enigszins te charmeren met lollige imitaties, maar na een aantal weken gebeurt het onvermijdelijke: de beroemde logé wordt door drie man simultaan en afschuwelijk toegetakeld. Bij wijze van hoge uitzondering mag hij vanuit de County Jail even naar een deftige plastische chirurg in Beverly Hills om zijn dure acteursgezicht te redden. Ook wordt hem nog toegestaan om – onder gewapend toezicht – enkele scènes voor de blockbuster U.S. Marshals over te doen. Maar daar houdt de voorkeursbehandeling acuut op. De overbevolkte Los Angeles County Men’s Central Jail is net Midnight Express, zo schetst, opnieuw, Entertainment Weekly. Het is er smerig. Het is er gevaarlijk. Het is de hel. Robert brengt er ruim vier oneindig lijkende maanden door, waarvan de meeste tijd noodgedwongen in een isoleercel van nauwelijks drie bij vier meter, om hem, de 32-jarige prima donna, gescheiden te houden van de bloeddorstige gevangenismeute. Die hele periode weigert hij bezoek, zelfs van zijn toenmalige vrouw en op dat moment vierjarige zoontje.

Na zijn vrijlating blijkt Downey bepaald hardleers. Hij slaat andermaal drugstesten over, en in 1999 alweer vindt hij zichzelf – nu als inmate P50522 – voor liefst dríe jaar terug in een detentiecentrum voor drugsverslaafden, The California Substance Abuse Treatment Facility and State Prison. Het is een beruchte gevangenisnederzetting in het landelijke Corcoran. Charles Manson resideert bijvoorbeeld in een aanpalend complex. Robert slaapt er op een dun rubberen matrasje en voert er voor ongeveer een stuiver per uur corveeklusjes in de gevangeniskeuken uit. Ondertussen wordt hij langzaam krankzinnig.


“Mijn drugsverslaving,” heeft Downey eens voor de rechtbank uitgelegd, “is net een geladen pistool dat ik constant in mijn mond gedrukt houd, met de vinger aan de trekker. Maar ik kan nu eenmaal niet zonder die gevaarlijke smaak van metaal.” Ironisch genoeg lijkt hij rond de eeuwwisseling getransformeerd in het personage dat hem in 1987 zijn definitieve doorbraak opleverde: het doorgesnoven rijkeluisventje Julian Wells uit de filmversie van Bret Easton Ellis’ romandebuut Less Than Zero. Ofschoon de vertolker het daar zelf niet mee eens lijkt: “Ik was erger.” De pathetische neiging tot zelfdestructie lijkt wederom niet te stuiten als Downey eind november 2000 in een resort in Palm Springs andermaal met narcotica wordt betrapt, net nadat hij uit pure coulance na elf maanden Corcoran weer is vrijgelaten en inmiddels ook furore heeft gemaakt als het liefje van Ally McBeal in de dito sitcom. Als een politieauto hem in het voorjaar van 2001 weer stoned, verwilderd en blootsvoets op straat in een woonwijk aantreft, volgt ook hier ontslag, zoals reeds bij vele (film)projecten daarvoor. Regisseurs als Woody Allen en Mel Gibson willen hem dolgraag contracteren, maar kunnen hem – hij wordt beschouwd als liability factor – niet verzekeren. De dope trekt – uiteraard – ook een bloedspoor in zijn privéleven. Kunnen eerst Sarah Jessica Parker en Marisa Tomei het wilde leven niet meer aan, nu loopt ook zijn vrouw, actrice Deborah Falconer, weg. Ze neemt hun zoon, Indio, mee. Het blijkt voor Robert Downey Jr. ‘de ultieme wake-up call’.

“Ik heb Bobby als kind nooit gelukkig gezien,” aldus Downey’s moeder recentelijk. Zelf heeft hij zijn getroebleerde jeugd, als kind van hyper-avant-gardistische ouders uit New York, vaak, onder andere voor de rechter, aangevoerd als de oorzaak van zijn zucht naar de roes. Fameus blijft het verhaal dat zijn vader, een underground-filmer, hem op zijn achtste z’n eerste joint voerde. Ook acteerde ‘Bobby’ als kleuter in seniors van surrealistisch geweld bolstaande sixties-films. Rollen die, beseft zijn moeder nu – Downey sr. mijdt de media – wellicht iets te confronterend waren voor een tere kinderziel. Verder wordt de kleine jr. constant door zijn ontwortelde ouders de hele wereld over gesleept, van Manhattan naar Santa Monica, en van Londen naar (natuurlijk) Woodstock. Genoeg bagage in elk geval voor heel wat jaren sofa.


Inmiddels heeft Robert zijn demonen getemd. Zijn latente agressie kanaliseert hij in fanatiek beoefende karate, en sinds 2002 is hij clean. In dat jaar ontmoet hij op de set van Gothika zijn huidige vrouw Susan Levin, een filmproducente (wat in Hollywood synoniem staat voor een dia-mantharde tante). Susan toen: “Ik vond hem heel weird, maar anders weird. Ik wist dat hij me leuk vond, maar hoe zouden we een relatie kunnen opbouwen? Ik bedoel: hij is acteur, ik heb een echte baan.”

“Je kunt niet van een kale gevangeniscel naar, zoals nu, een hotelsuite van tweeduizend dollar zonder er iets van te hebben geleerd,” zegt Downey ernstig. “Ik geloof niet meer in een halfzachte aanpak van crimineel gedrag. Ik ben er – best vreemd – flink rechtser van geworden. Ik heb het ook niet zo op het ‘Republikeintje trashen’, wat in Hollywood de sport is. Laatst moest ik, of beter gezegd, mijn personage in een film, een lullige opmerking maken over Arnold Schwarzenegger. Dat heb ik geweigerd. Dat vond de regisseur, nota bene een Engelsman, vreemd. Nou, ik niet. Arnold is bijvoorbeeld een van die mensen geweest die Venice Beach, waar ik gedeeltelijk ben opgegroeid en nu weer woon, heeft veranderd van een no-go area, een ghost town, in een toeristische trekpleister. En hoe je een film moet marketen bij de pers, bij jou dus, dat heb ik voor minstens de helft geleerd van Schwarzenegger. Eh, al die linkse agenda’s, kiss my ass!” Downey legt in zijn onderarmen op tafel, vouwt zijn handen, legt zijn kin er amechtig in en wacht op de volgende vraag. Oké, was hij stiekem niet liever muzikant geweest, zoals veel acteurs? (Downey Jr. zong al op veel filmsoundtracks en bracht in 2005 een cd uit, The Futurist.)


“Nee hoor. De muziek heeft mij totaal niet gebracht wat ik wilde, vooral dat album niet. Het slurpt energie. Veel input, weinig output. Ik had er veel meer van verwacht. Een tweede neem ik dus zeker niet meer op. Ik ben er ook te perfectionistisch, te manisch voor. Ik doe zo, geen geintje, zes maanden over een klein drumfragmentje. Ha, Steely Dan is er niets bij. Gisteren hoorde ik trouwens nog Pete Townshend een akoestische versie spelen van Behind Blue Eyes. Je denkt dan: het kan toch niet dat het nu beter dan het origineel wordt? En warempel, hij flikt het. Kijk, dan kan ik beter ophouden.” Tegelijkertijd met het interview vindt ook net de Zuid-Californische versie van Lowlands plaats met headliners als The Killers en The Cure, maar rock-connaisseur Downey Jr. baalt geheel niet van zijn huidige interviewverplichting. “Mijn vrouw en zoon zijn daar nu. Ik heb vip-kaarten kunnen regelen. En als zij genieten en ik hier in LA op de winkel pas, dan ben ik ook gelukkig, voel ik me vrij. Dat was vroeger anders. Toen was het ik-ik. Kijk naar mij. Luister naar mij. Bevestig mij.”

Als hij van zijn personal assistant een dubbele espresso (“Ah, that’s more like it”) krijgt toegeschoven, veert Downey op en verkondigt: “Ik ben net nog terug geweest.” Waar terug, Robert? “East LA. Skid Row, natuurlijk,” roept hij licht geïrriteerd en met zijn ogen toegeknepen uit, om vervolgens toe te lichten dat hij daar research heeft gedaan voor The Soloist. Hierin speelt hij een journalist die een zwerver en ooit getalenteerd violist (Jamie Foxx) uit de goot probeert te trekken. Het is bijkans een allegorie van zijn eigen turbulente leven, waarover hij in Rolling Stone filosofeerde: “Diep in mijn hart ben ik een soldaat, die van tevoren nooit heeft geweten hoe gemeen, vuil en oneindig zijn oorlogen zouden zijn. Ik heb mensen verloren, ik ben gewond geraakt, maar ik voel me nu alsof ik een Purple Heart heb verdiend. Want ik ben terug, eindelijk.” In suite 1420, hemelsbreed vijf mijl verwijderd van de beruchte achterbuurt in downtown Los Angeles, voegt Robert Downey Jr. daar nu aan toe: “Op Skid Row viel niemand mij lastig. Maar ik trek nooit grote groepen aan als, zeg maar, beroemdheid. Ik kan wonderlijk genoeg uitstekend opgaan in de massa, op het strand, of in een winkelcentrum. Bizar was het wel weer, hoor, dat Skid Row. Het is eigenlijk een verzameling van werelden, atmosferen. Gevaarlijk en gemoedelijk tegelijk. De ene keer liep ik er rond als Jet Li, met mijn moves in de aanslag, de andere keer was ik volledig relaxed. Maar wat ik al die tijd vooral dacht was: ehmm, zou ik ook met die gozer dáár in de bak hebben gezeten?”

Jan-Henk Zandberg